Springen naar inhoud

Samenvatting pers en omroep


  • Log in om te kunnen reageren

#1

TheLaw

    TheLaw


  • >250 berichten
  • 375 berichten
  • VIP

Geplaatst op 12 februari 2009 - 19:57

Hier:

Bijgevoegde Bestanden


Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

TheLaw

    TheLaw


  • >250 berichten
  • 375 berichten
  • VIP

Geplaatst op 15 mei 2009 - 14:34

Geen zin om te downloaden? Geen probleem:

1. De wortels van de omroep

a. Draadloze communicatie wordt omroep

De Amerikaanse Morse vindt in 1844 de telegraaf uit. De telefoon wordt uitgevonden door de Amerikaanse Bell in 1876. Door de Duitse Hertz worden de elektromagnetische golven ontdekt en in 1890 wordt er een methode uitgevonden door Branly om elektromagnetische golven uit te zenden en te ontvangen. Deze ontdekkingen zorgen voor de doorbraak van de radio als omroep.
In het begin gebruikt men de radio voor maritieme, militaire en handelsboodschappen bestemd voor vooral politici, voor vloot-en legercommandanten, voor handelscompagnies en nieuwsagentschappen. Voor het einde van WOI hebben de plannen van de geschoolde technici en de experimenten niet geleid tot de oprichting van omroepstations.
In Nederland verzorgt Idzerda in 1919 via zijn zelfgebouwde zender PCGG de eerste draad-loze radio-uitzending twee keer per week met muziek, lezingen en mededelingen. Deze uitzendingen waren de eerste van Europa. Het doel was om de verkoop van ontvangsttoestel-len te bevorderen. Maar in 1924 gaat hij failliet, door te weinig kapitaal. In hetzelfde jaar zet de Nederlandse Seintoestellen Fabriek het initatief voort via de HDO. Haar programma’s waren vooral liberaal getint, waardoor de katholieken, de protestanten en de sociaal-democraten zich ook wilden laten gelden.
In 1920 komen er in de VS geregelde uitzendingen van het commerciële station KDKA in Pittsburg. Een jaar later hebben 39 stations een vergunning. Elders gaat het minder snel. Pas in 1922 wordt de BBC opgericht, eerst als privé-onderneming, later als publieke dienst.

b. Het begin van de omroep in België

In ons land worden de eerste radio-uitzendingen verzorgd vanaf 1913 met de steun van Albert I vanuit het paleis van Laken. Elke zaterdagavond werden Paleisconcerten uitgezonden. Maar tijdens WOI moest de zender stoppen. Na de oorlog was er veel belangstelling voor een radio-omroep die regelmatig muziek en het gesproken woord uitzond bestemd voor een breed publiek. Kerken en partijen wilden zo hun gedachten te verspreiden en zakenlieden wilden een nieuw medium om zaken te doen. Er ontstonden allerlei initiatieven, zonder veel bemoe-ienissen van de overheid. De eerste radio’s werden ineen geknutseld door handige jongens, men had geen elektriciteit nodig, alleen een koptelefoon. De eerste uitzending van de eerste Belgische nationale omroep, Radio Bruxelles, kwam er in 1923, op initiatief van de firma SBR. Dat was de eerste fabriek in Belgie die lamp-ontvangers bouwden, dus het had commer-ciële doeleinden. 1924 werd de privézender een officieuze staatszender, onder de naam Radio Belgique. Fleischman was één van de 1e medewerkers, hij zorgde voor de eerste nieuws-uitzendingen. De uitzendingen waren eerst alleen in het Frans en de programmering Brussels en Belgicistisch. Een paar Vlaamse radioclubs ijverden voor een eigen omroep.
Eerst kwamen er betaalde Vlaamse uitzendingen via Radio Zoologie. Daarna richtte men in Antwerpen in 1928 de neutrale Vlaamse Radio Vereniging (VRV) op. Die verdedigde de Vlaamse belangen via cultureel hoogstaande programma’s. Een eigen zender heeft de VRV nooit gehad. Want de katholieken en de socialisten wilden zelfstandig werkzaam zijn. De katholieken waren eerst, maar de tegenstellingen tussen de verschillende katholieke organisaties bleken wel groot. Met steun van de christelijke middenstands-organisaties en de Boerenbond wordt in 1929 N.V. Radio opgericht. Later verandert de naam in Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep met 2 uitzendingen per week. De kosten worden gedekt met reclame-inkomsten, met vrijwillige bijdragen van de luisteraars en met de een wekelijkse programmabrochure.
In 1929 wordt de Socialistische Arbeiders Radio-Omroep voor Vlaanderen opgericht, gericht op de culturele noden van het Vlaamse volk. Maar daarvoor waren er al socialistische radioclubs actief in Antwerpen, Menen en Gent.
Radio had dus duidelijk een gemeenschapsvormende functie en moest een ideologische en partijpolitieke verwantschap doen ontstaan. In 1930 wordt de Vlaamsch Nationale Radio-Vereniging en in 1931 de Liberale Radio-Omroep opgericht. VLANARA wil Vlaamse fierheid opwekken en LIBRADO wil de Vlaamse liberale gedachte verspreiden. Er komen ook gelijkaardige Franstalige verenigingen tot stand.
Vanaf 1925 ontstaan er ook een aantal privé zenders die leven van plaatselijke reclame en verzoekprogramma’s. De omroep werd dus al snel een groot, open en pluriform circuit. Maar het aantal golflengten was beperkt en leidde tot een behoefte van de nationale verdeling van beschikbare capaciteit.

2. 1930-1940: Van doolhof naar eenheid

In 1930 wil de overheid een nationale omroep oprichten, met als voorbeeld de BBC. Het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-Omroep wordt opgericht en zou een volledig algemeen programma verzorgen in de 2 landstalen. Het instituut wordt gefinancieerd met 90% van de opbrengst die luisteraars moeten betalen voor een radiotoestel. In 1938 wordt ‘het Flagey’, het grootste omroepgebouw in Europa in gebruik genomen. Volgens een wet en een Koninklijk Besluit werd bepaald dat het een objectieve, onpartijdige openbare instelling moest zijn met een verbod op handelsreclame en de werknemers moesten verspreid zijn over de 3 politieke partijen.
Oorspronkelijk krijgen de omroepverenigingen 28% van de zendtijd. Ze zijn volledig vrij bij de programmasamenstelling, maar ze zijn wel verantwoording verschuldigd aan de raad van bestuur van het NIR. De teksten moesten vooraf ingestuurd worden en men moest toestem-ming vragen voor rechtstreekse programma’s. Ze moesten alles, buiten de technische assistentie, zelf betalen.
Ook lokale privé-stations konden een vergunning aanvragen, er kwamen 200 aanvragen, maar in het begin werden er maar 16 erkend. Ze waren mooi verdeeld volgens de partijpolitieke verhoudingen. Zo had je de liberaalvrijzinnige Radio Antwerpen. Ze zonden uit in een straal van 30 tot 50 km. Ze mochten geen reclame uitzenden, maar haalden geld uit sponsoring, verkoop van lidkaarten en het tegen betaling uitzenden van verzoekplaatjes. Hun journaals moesten beknopt zijn, voor de concurrentie met de kranten. Ze mochten als nieuwsbron alleen het persbureau Belga gebruiken.
De radio-uitzendingen namen toe en de kwaliteit ervan steeg. Het aantal radiotoestellen groeide tot bijna 1 miljoen. Radioluisteren was een sociaal ritueel geworden. Het NIR wordt steeds belangrijker en de omroepverenigingen organiseren zich daarom in de Federatie van de Omroepverenigingen, om een zelfstandige positie te verkrijgen.

3. De oorlogsjaren en de overgangsregeling daarna

a. Overrompeld

Vanaf 1940 wordt tijdens WOI de continuïteit van de uitzendingen verzekerd vanuit een geheime studio. Het Duitse leger bezette het NIR-gebouw en startte er met Zender Brussel en Radio Bruxelles. Een deel van het personeel zette zijn werk voort ten behoeve van de Duitse oorlogvoering. Een beperkt deel volgde de Belgische regering naar Frankrijk, waar er wordt uitgezonden langs Franse antenne. Wanneer dat land ineenstort vlucht een deel van de regering en het radiopersoneel naar Engeland, waar ze via de BBC Radio België uitzenden. De programma’s worden afwisselend in het Frans en in het Nederlands uitgezonden. Via de BBC werden er ook uitzendingen voor andere Europese landen verzorgd. Radio was een uitstekend middel om de bevolking te beïnvloeden en te mobiliseren. Daarom werd het luisteren naar de BBC verboden door de bezetters.

b. De heropbouw van de omroep vanuit Londen

De Belgische regering wilde een eigen officiële Belgische radio. Daarom werd de Belgische Nationale Omroep (BNRO) opgericht in Londen. De uitzendingen gebeurden eerst via de European Service van de BBC, later via een kortegolfzender in Leopoldstad. Het hoofddoel was om de Belgische bevolking te informeren, haar op te beuren en voor te bereiden op het herstel en de wederopbouw na de bevrijding. Het tweede doel was om het prestige van België ten op zichte van de wereld op te vijzelen. Het derde doel was om de naoorlogse omroep-activiteit voor te bereiden. Daarom werden er overal in België geheime radiozenders opgericht om na de bevrijding de bevolking meteen te kunnen informeren. Ook werden er maatregelen getroffen om meteen het centrale radiogebouw weer over te nemen. Na de oorlog werd er van geprofiteerd om een volledig omroepmonopolie in te richten. Dit betekende een doodsteek voor de omroepverenigingen en de particuliere zenders.

c. De overgangsregeling: de ontkenning van het privé-initiatief

Een jaar na de oorlog (1945) wordt de BNRO afgeschaft en krijgt het NIR de alleenopdracht om de radiodienst te verzorgen. De omroepverenigingen verdwijnen uit de ether, alleen aan kerken, politieke partijen en sociale partners wordt zendtijd toegestaan. De omroepvereni-gingen hebben dus nooit kunnen bewijzen wat ze waard waren. In de plaats van de lokale privé zenders komen er gewestelijke omroepen. Er wordt in 1945 beslist om ook een Wereld-omroep op te richten. Maar het verdwijnen van de omroepverenigingen is wel begrijpelijk:
1) De BBC had een onverwoestbare reputatie van onpartijdigheid en betrouwbaarheid. Daardoor kon de roep van het overheidsmonopolie niet meer stuk.
2) Bij het streven naar samenwerking en naar nationale eenheid was de vorming van een analoog Brits omroepmodel een belangrijk onderdeel.
3) Het gebeurde ook om technische redenen: schaarste aan golflengten
4) De nieuwe omroepplannen werden zonder aarzelen geaccepteerd als voorlopige oplossing
5) De omroepverenigingen hadden nooit echt een stevige organisatie. In de verschillende kringen (katholiek, liberaal en socialistisch) was er ook een grote mate van onverschilligheid en passiviteit. Ze leken een vertegenwoordiging in het bestuur van de overheidsomroep voldoende te vinden.
6) Het kaderde ook in de naoorlogse filosofie, waarbij de overheid alle verzorgingstaken op zich nam en voor het algemene belang instond.
7) De 2 grootste politieke partijen ( de katholieken en de socialisten) wilden ook de absolute controle hebben over het omroepbestel.
Boon zorgde, met bekwame medewerkers, er voor dat de Vlaamse radio-omroep weer beluisterbaar en populair werd. Iets later kwam FM en werd een ruimer aanbod voor precieze doelgroepen mogelijk. De radio werd ook kleiner en mobiel, want in de jaren ’60 ontstond de transistor.

4. Ontstaan en ontwikkeling van de televisie

Bij ons kwam de TV er pas in 1953, dit was laat t.o.v. onze buurlanden. Dit kwam door technische en financiële problemen, en argwaan en pessimisme. Krantenuitgevers en bioscoopbonden vreesden voor teveel concurrentie. De belangrijkste rem was de tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië, waardoor het moeilijk was om te kiezen voor 1 beeldnorm voor heel België. Frankrijk zond uit in 819 lijnen, waarde Walen voor kozen, maar de Vlamingen wilden ook naar de Nederlandse TV kunnen kijken en die zond uit in 625 lijnen. Pas in 1953 besloot men om dan een dubbele beeldnorm aan te nemen. Daardoor werd het publiek aangeraden om een duur Belgisch ontvangsttoestel te kopen dat de beide systemen kon ontvangen. Pas 10 jaar later zou men volledig overschakelen op 625 lijnen, wat de Europese norm was. De Vlaamse TV werd een half uur voor de Waalse geboren.
Met de televisie werd een oude droom (al sinds de oudheid) mogelijk om verder te kunnen kijken dan het menselijke oog.
De TV werd in 1926 in de praktijk omgezet door Jenkins in de VS, op basis van uitvindingen van Hertz, Marconi en vooral Nipkow. Vanaf 1929 verzorgt Baird voor de BBC experimen-tele uitzendingen. In 1936 begint de BBC met geregelde uitzendingen. Ook in Frankrijk, Duitsland en Nederland ontstaan er rond die tijd experimentele uitzendingen. De verdere ontwikkeling van TV werd wel geremd door WOII. Na de WOII verliepen de ontwikkelingen wel heel snel en vooral de laatste 20 jaar zijn er in Europa grote veranderingen geweest. In 2000 passeerde het aantal Tv-kanalen de duizend. Naast de gewone zenders zijn er abonnee-tv, pay-per-view, pay-tv, special interest channels,… via kabel, satelliet of Internet. Het Tv-toestel wordt meer en meer een superapparaat waarmee we zelf onze programma’s kunnen bepalen. Alles komt binnenkort samen op het Internet waar men, naast Tv-kijken, kan winkelen, spelletjes spelen, e-mailen, transacties doen,… De traditionele Tv-organisaties zullen zich moeten aanpassen om te overleven.
Bij de start van de Vlaamse televisie kon het eerst alleen in de omgeving van Brussel worden bekeken. In 1962 waren er al 1miljoen Tv-toestellen. In 1971 ontstaat de kleurentelevisie en de kabeltelevisie. Ook de inrichting van de kamer verandert helemaal, nu wordt alles geschikt rond de TV.
Door de introductie van de TV is men in de periode van 1945 tot begin jaren ’60 bezig geweest met plannen voor een definitieve regeling van het omroepbestel. Men wilde culturele autonomie en een overheidsmonopolie. Daarom besteedde men vooral aandacht aan de objectiviteitsplicht, de autonomie en de verzekering van het politieke en levensbeschouwe-lijke evenwicht bij de toekenning van de ambten. Maar men raakte het moeilijk eens, wel worden er een paar wettelijke initiatieven genomen. Pas in 1960 komt er op initiatief van de regering een regeling. Het NIR wordt omgevormd tot BRT en er komen nieuwe studio’s aan de Reyerslaan die vanaf 1968 worden gebruikt.

5. De publieke omroep als totem

a. Het omroepstatuut van 18 mei 1960

Radio en TV komen in handen van BRT (Belgische radio en televisie) en RTB (Radiodiffus-ion Télévision Belge), zij krijgen het monopolie. Er wordt ook nog een Instituut van de Gemeenschappelijke Diensten (IGD) opgericht, omdat sommige essentiële taken moeilijk te splitsen waren. De Nederlandse en de Franse instituten bepalen elk hun eigen programma’s, een eigen begroting en een eigen raad. Samen vormen de raden een Algemene Raad, die bevoegd is voor het IGD. Er was een verbod op voorafgaande censuur door de overheid, maar wel een streven naar objectiviteit in de nieuwsuitzendingen. De overheid heeft wel de bestuurlijke voogdij. Men mag uitzendingen laten verzorgen door daartoe erkende verenigin-gen en stichtingen, maar de uitzendingen mogen geen handelspubliciteit vertonen.
Er kwam al gauw kritiek op de bestuurlijke voogdij, op de tendens tot partijpolitisering, op de programmapolitiek en op de eigenlijk krachteloze objectiviteitsverplichting. Want eigenlijk wordt er door de nieuwe journalisten maar slordig omgesprongen met die verplichting. Daardoor werd het tijd om de omroep aan te passen en te komen met alternatieve modellen. Het aanpassen van de omroep was ook nodig omdat sinds 1971 radio en TV behoorden tot de bevoegdheid van de cultuurraden. Ook stelden zakenlieden dat met de vooruitgang van de techniek het privé initiatief ook een kans moest krijgen. Tussen 1972 en 1979 wordt er gezocht naar oplossingen. De eerste stap wordt gezet met een wet in 1977. Daarbij wordt het IGD ontbonden en wordt alles verdeeld over BRT en RTB. Ook richt men een nieuwe omroep op voor de Duitstalige Gemeenschap: BRF.
Al van voor WOII waren er initiatieven voor Duitstalige informatieprogramma’s als tegengif voor de Hitlerpropaganda. Na WOII oordeelde de Belgische regering dat NIR-INR Duitsta-lige Tv-programma’s moesten verzorgen om de integratie van de nieuwe inwoners te bevor-deren. De omroepwet van 1960 bracht de Duitstalige uitzendingen onder bij het IGD en ze kregen de naam BRF. Pas in 1980 werden deze vanuit een eigen omroepgebouw uitgezonden in Eifel. Sinds 1998 beschikt de BRF over een nieuw omroepgebouw in Eupen.
De drie instituten zijn volledig onafhankelijk, maar hun taken zijn hetzelfde: via hun uitzen-dingen zorgen voor informatie, ontspanning, en vorming van het algemene publiek. Wel is er nog een monopolie van de uitzendingen, een verbod op handelsreclame, objectiviteitsver-plichting en bescherming tegen inmenging of druk van de staat, de commercie of het publiek.

b. Tekenen van omdenken

In 1971 werd de bevoegdheid van de radio- en Tv-instituten toegekend aan de cultuurgemeen-schappen. Nu konden ze dus zelf het radio- en Tv-instituut opzetten en uitbouwen. Maar er werd moeilijk gekomen tot overeenstemming. Want de ene groep stelde zich eigenlijk tevreden met de huidige situatie, maar de andere groep wilde grotere stappen: ze wilden een 2e commercieel net of een patroon gebaseerd op het zuilenbestel, waarbij de verenigingen de totaalprogramma’s verzorgen. Aanvankelijk leken de 3 partijen het wel eens te zijn. Er moest een zuilenomroep komen, die gebaseerd was op de politieke fracties en die het BRT-monopo-lie moest vervangen. Maar deze eenstemmigheid veranderde bij het begin van de debatten. Zo kwam men tot een compromis in het decreet van 1979

c. Een oude pruik opnieuw gepoederd

Er kwam een volledig autonome radio- en Tv-omroep voor Vlaanderen. De beheers- en directieorganen zouden zo representatief mogelijk worden samengesteld. Er kwam een objectiviteitsplicht voor alle informatieve uitzendingen. Er werd ook een adviesraad voor kijkers en luisteraars opgericht die de raad van beheer moest informeren over de inhoud en de programmatie van de radio- en Tv-uitzendingen. Reclame is nog altijd verboden. Er is wel een ruime uitbreiding van de gastprogramma’s in de televisie. Het BRT-personeel mag meewerken aan deze programma’s en ook het technische personeel en apparatuur wordt ter beschikking gesteld.
Velen hadden kritiek omdat eigenlijk amper iets was veranderd. Ook werd de omroep geconfronteerd met veranderende omgevingsfactoren.

d. Het verlies van illusies

1. Men koos in 1979 opnieuw voor een omroepmonopolie, terwijl het al was bewezen dat dat niet meer werkte. In 1953 was de Vlaamse TV naar het beeld van de BBC geregeld. De organisatie van de omroep als een publieke dienst aan de bevolking werd als een evidentie beschouwd. Terwijl begon er kritiek te komen in Groot-Brittannië op het monopolie van de BBC en in heel Europa kwam er een langzaam en demonopoliseringsproces op gang. Dit had verschillende redenen:
1.1. Het aanbod van meerdere kanalen via satelliet en kabel. Dat veroorzaakte veranderin-gen in de mogelijkheden om televisie te ontvangen. Daardoor was een monopoliehou-dende publieke omroep geen vanzelfsprekendheid meer. Het marktmechanisme begon ook te spelen omdat zakenlieden ook in de audiovisuele sector winst wilden behalen.
1.2. Vanaf 1970 begint de postmoderne cultuur. Daardoor komt er nieuwe mentaliteit, met de nadruk op vrijheid, zelfrealisatie, informalisering en dehiërarchisering,… Het is niet meer het principe van vader weet het beter, maar het principe van klant is koning.
1.3. De kredietbeperkingen van de jaren ’80 en de privatiseringsgedachte hadden in elk land gezorgd voor vragen over het nut, de positie, de opdracht, de toekomst en de betoelaging van de openbare omroep.
Ook had men ondervonden dat de peilers van zo’n eenheidsgroep in België onmogelijk waren doordat ons land verdeeld is over allerlei verschillende belangengroepen. De Belgische variant van de omroep was een wirwar van instituties die allemaal hun mening kwijt wilden op de omroep. Hun belangen overvleugelden het streven naar een omroep die cultuur en samenleving bindt. Toch waren er mensen die bleven geloven in een monopoliehoudende openbare omroep.
2. Het veranderingsproces werd ook geholpen door de publieke omroep zelf. Want de kwaliteit van de objectiviteit van de openbare omroep viel tegen. Natuurlijk was dit erg en onrechtvaardig voor de nieuwsverwerkers en –verspreiders die wel ernstig omgingen met hun gecompliceerde opdracht. Want men moest honderden details van uiteenlopend gewicht reduceren en hanteerbaar maken tot een handvol hoofdzaken. Maar toch schuilt er in die kritiek een waarheid. Een openbare omroep moet ervoor zorgen dat wie zich wil informeren, dat ook kan zonder vertekening, opiniëring of propaganda. Wie dan kiest om voor zo’n omroep te werken, moet iedere partijdigheid wegwerken en voorrang geven aan professionaliteit. Eerlijkheid moet de basis zijn van elke ernstige voorlichting. Maar daarnaast is ook deskundigheid nodig, want dan kent de journalist het onderwerp beter en zal hij beter de ware ontwikkeling van de gebeurtenissen kunnen achterhalen. Ook moet men voldoende afstandelijk zijn t.o.v. het onderwerp, los van de persoonlijke subjectieve relatie die men er eventueel mee zou kunnen hebben. Men mag zich bij de selectie van het nieuws bv. niet laten leiden door zijn eigen voorkeuren. Want men is er om heel de gemeenschap te dienen. Ten slotte moet men onbevooroordeeld op onderzoek gaan en zijn bevindingen meedelen, niet gekleurd met z’n persoonlijke visie. Een journalist zal een evenwichtig product afleveren als hij al deze kwaliteiten heeft en beschikt over degelijk materiaal. Want de berichtgeving kan misschien onvolledig zijn, waardoor dat het even-wicht verstoort. De vrijheid van nieuwsgaring bestaat enkel in democratische landen. Er zullen allerlei groepen proberen de media in hun dienst te stellen, daarom moet de journa-list stevig in zijn schoenen staan. Hij moet daarom ook kunnen rekenen op de steun van chefs, die zelf onafhankelijk zijn en die een onafhankelijke instelling beheren. De zelf-standigheid van de omroep moet worden gegarandeerd door financiële onafhankelijkheid.
3. Het was ook gebleken dat de derden geen middel waren voor een snelle groei naar een doeltreffende en doelmatige radio- en televisiepluriformiteit. Daar waren allerlei redenen voor, waaronder: 1) Vele uitzendingen waren eigenlijk gewoon propagandistische kanalen voor de eigen gedachten. 2) Door hun tekort aan middelen en door hun oubollige stijl waren ze meestal ongenietbaar voor de verwende luisteraar/kijker. Hun luister- en kijkcijfers vormden daarom een dieptepunt tussen de andere uitzendingen. Ze waren ook een stijlbreuk t.o.v. de gangbare programma’s van de publieke omroep. In 1997 werden al de Tv-uitzendingen van de sociaal-economische derden vervangen door het tweewekelijkse reportagemagazine De Late Shift. Sinds 2001 zijn alle Tv-uitzendin-gen van de politieke partijen vervangen door het parlementaire magazine Villa Politica. Daar krijgen de partijen de kans om hun standpunten bij bepaalde politieke thema’s en de handelingen van het parlement nader toe te lichten. Op de radio verandert er voorlopig niets.De levensbeschouwelijke uitzendingen blijven voorlopig wel bestaan. Moest men deze afschaffen dan zou de openbare omroep haar functie als dienst aan de samenleving ondermijnen. Want wij zijn een pluralistische staat die gebaseerd is op waarden die verankerd zijn in de levensbeschouwing en de religie. Hun verdwijnen zou dus een groot cultureel en democratisch tekort betekenen. Een civiele maatschappij kan maar bestaan als alle levensbeschouwelijke groepen hun stem kunnen laten horen. Momenteel is de situatie in de nieuwe VRT wel slechter voor de levensbeschouwelijke uitzendingen.
4. Nog een oorzaak was de inefficiënte werking van de BRT door de traagheid van de eigen bureaucratie en het loodzware administratieve werk. Uit een doorlichtingsonderzoek bleek dat er veel gemakzucht en profitariaat was. Want ondanks de veranderende omgeving bleef men geloven dat men de beste was. Pas na zes jaar concurrentie van VTM begon de openbare omroep zich ongerust te maken en werd er gezocht naar een verdedigingsstrategie. In 1994 legde de minister van cultuur een voorstel voor over de herstructurering van de BRT.
5. De publieke omroep gedroeg zich nog altijd alsof de kijkers niks te kiezen hadden . De interesses voor wat er bij de bevolking leefde, was niet echt groot. Bij de BRT voelden de programmamakers zich onaantastbaar en onbenaderbaar, maar terwijl vervreemden ze wel van het publiek. Pas na het schitterende succes van de VTM zijn ze bij de BRT gaan nadenken over het eigen imago en groeide de bereidheid om kritisch te kijken naar de eigen prestaties en de tevredenheid van de cliënten. De moderne kijker heeft weinig geduld, als het aanbod hem niet bevalt, zapt hij.

e. De omroep opnieuw op de snijtafel

Het werd dus tijd voor een herstructurering van de omroep. Vooral omdat de omgeving hard was veranderd. Zo waren er allerlei vrije radio’s ontstaan sinds jaren ’70. Ook was er drasti-sche verruiming van het buitenlandse televisieaanbod, dat via satelliet en kabel de abonnee bereikte. Ten derde werd diezelfde kabel gebruikt voor allerlei nieuwe diensten. Door al die nieuwe ontwikkelingen moest de BRT zich dringend aanpassen aan haar nieuwe omgeving. In 1981 stelt de regering voor om maatregelen te nemen om het omroepmonopolie van instellin-gen van het openbaar nut te vervangen door een stelsel van concurrentie. Er ontstond een verhitte discussie betreffende de inrichting van de Vlaamse omroephuishouding. Sommigen waren tegen het invoeren van commerciële televisie, wat voor hen stond dat gelijk aan een wereld van geld en macht. Dat stond gelijk aan het binnenhalen van de duivel. Daarbij verwezen ze naar ruige commerciële Amerikaanse, Italiaanse en Luxemburgse programma’s. Terwijl men best wist dat commerciële televisie geen ramp hoeft te zijn. In Groot-Brittannië werd bewezen dat een tweeledige omroepstructuur, met een commerciële en een niet-commerciële component, een evenwichtig geheel kan zijn.
In 1987 stemt de nationale wetgever de wet betreffende de radio- en televisiedistributie en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie. In datzelfde jaar wordt de Vlaamse Televisiemaatschappij (VTM) opgericht. De Vlaamse Executieve erkende VTM als enige niet-openbare televisievereniging voor Vlaanderen. De regering geeft VTM de toelating om handelspubliciteit in haar programma’s op te nemen. Tegelijk wordt beslist dat de openbare omroep geen commerciële publiciteit mag uitzenden en geen inkomsten mag verwerven uit sponsoring. Vanaf 1989 begint VTM met uitzenden.
Maar het vernieuwingsproces werd al gauw weer op de proef gesteld. Want allerlei technolo-gische vernieuwingen, het opkomen van nog meer aanbieders op de audiovisuele markt en de scenario’s van de Europese Commissie verplichtten de overheid tot nieuwe aanpassingen.

6. Nieuwe vormen van particuliere radio-omroep

De vechtmentaliteit van de eerste inbrekers

Na WOII werd door een strakke wetgeving de ether gesloten voor alles wat niet paste in het gecentraliseerde en door de politieke partijen geregelde omroepbestel. Sommige private omroepen trokken zich daarop teleurgesteld terug, maar anderen wilden dat niet accepteren. Zij namen in 1960 het heft in eigen handen.
Zo heeft De Caluwé bijna 20 geijverd voor het terugkrijgen van zijn zendvergunning. Toen dat onmogelijk bleek, begon hij illegaal uit te zenden van een schip op de Noordzee vanaf 1962. Radio Antwerpen bleef echter niet lang bestaan want 2 maanden later stierf De Caluwé.
Maar er kwamen wel allerlei nieuwe zendstations op schepen voor de kusten van Scandinavië, Groot-Brittannië en Nederland (zoals Radio Noordzee en Radio Veronica). Deze zijn het startsein voor initiatieven van zakenlieden die begrepen dat er handel zat in de ether. Ze kopieerden gretig de formules, zo ontstonden o.a. Radio Atlantis en Radio Mi Amigo. Daarna werden er in de jaren ’70 nog allerlei vrije radio’s opgericht door actie- en milieugroepen, minderheidsgroepen, belangengroepen en hobbygroepen.
Zij hebben ons een kleurrijker radiolandschap bezorgd en bijgedragen tot een succesvolle ontwikkeling van de reclamemarkt.
De opkomst van de vrije radio’s

Er werkten eigenlijk 10 factoren aanstekelijk op de pioniers:
1) De romantiek van de ether-piraterij
2) De hobby-achtige aanpak
3) De invloed van de veelkleurige Franse en vooral Italiaanse experimenten
4) Verwachtingen van de kleinschalige omroep voor het plaatselijke vormings- en ontwikkelingswerk
5) De droom van toegang te hebben tot het publiek
6) Het verzet tegen de conventionele manier van radio maken en de grote productiedwang
7) Mogelijkheden voor drukkingsgroepen en minderheidsgroepen bij actievoeren en belangenbehartiging
8) De enorme technische evolutie waardoor men zeer eenvoudig en goedkoop kon uitzenden
9) De kans op het doorbreken van het monopolie
10) Geen juridische leiding
Het startpunt van het private radio-initiatief ligt in ons land in Wallonië. In 1978 startten de uitzendingen van Radio Eau Noire, uit protest tegen de bouwplannen van een stuwdam nabij. Radio Verte verzette zich tegen gelijkaardige plannen. Vooral Radio Louvain-la-Neuve had succes. Dat was in 1978 opgericht door een aantal studenten op de campus, om het gemeen-schapsleven een impuls te geven. Rond hun RLLN werd in 1979 de eerste overkoepelende radiofederatie opgericht. Zij groepeerde de onafhankelijke radio’s en ijverde voor de ontheffing van de lokale radio’s uit het strafrecht.
In Vlaanderen startte Radio Aktief in Gent. Het wilde een studentenspreekbuis zijn, maar daarnaast ook een strijdzender voor de gewone Gentenaar met vooral aandacht voor sociaal bewogen onderwerpen. Er kwamen nog allerlei andere zenders, waaronder de Leuvense studentenzender Radio Scorpio. Die kwam in de ether met een alternatieve programmering en met als optie om misschien de officiële universiteitszender te worden.
De pioniers van de private radio zijn actieradio’s en strijdradio’s die ijveren voor ecologische en sociale doeleinden. Hun oprichters wilden het medium gebruiken om een gemeenschap te mobiliseren rond een specifieke lokale problematiek. Tegelijk ontstaan ook de community radio’s die zich toeleggen op het bevorderen van de lokale communicatie en de ondersteuning van het plaatselijk samenleven.
De radio moest niet alleen uitzenden, maar ook ontvangen. De luisteraar mocht niet geïsoleerd worden en moest tot spreken gebracht worden. De taak van de radio is om te zorgen dat de berichten die komen van de regering omgezet worden in antwoorden op de vragen van diegenen die geregeerd worden. De technische uitvinding was dus geschikt om maatschappe-lijke functies op zich te nemen. Daarom streed men voor het tenietdoen van de uitschakeling.
Ondertussen ontstonden er in de jaren ’80 overal honderden nieuwe illegale radio’s. Ze wisten met hun programmering het publiek te vinden dat bij de openbare radio niet of veel minder aan zijn trekken kwam. Sancties hielden hen niet tegen, want ze kwamen altijd terug.
Er is ook een grote verscheidenheid gekomen. Naast de strijdzenders en de communityzen-ders, kwamen er ook stations die louter werden opgestart voor de gezelligheid, voor hun plezier. Ook kwamen er commerciële zenders die droomden van een volwaardig alternatief voor het BRT-circuit. De twee belangrijkste eerste commerciële zenders waren Radio Contact en Radio Maeva. De verschillen tussen deze vier modellen van vrije radio’s waren aanzien-lijk, op het vlak van zendbereik, werkwijze, doelgroepen, financiële basis,… Daardoor werd Vlaanderen een onoverzichtelijk lappendeken.

De regeling van particuliere lokale radio

In 1981 werd er met een Koninklijk Besluit beslist om technische uitzendvergunningen toe te kennen en de programmatorische, organisatorische en andere inhoudelijke aspecten te regelen. Ook werd het decreet Poma (het eerste van de Vlaamse Radio) opgesteld om de niet-openbare radio’s te erkennen en te organiseren. Men wilde ruimte en kansen bieden naast de BRT en ook wilde men zo de lokale communicatie bevorderen. Want een stad- of streekradio is een geschikt instrument om een bijdrage te leveren aan het plaatselijke gemeenschapsbesef.
Maar met de gelijkschakeling van de niet-openbare en lokale radio worden wel de talrijke mo-gelijkheden van de particuliere radio gereduceerd tot slechts één enkele. Dat was een vergis-sing met grote gevolgen en daarnaast zorgde het decreet Poma nog voor andere spanningen.

Het decreet Poma

Er wordt beslist dat de radio eigendom moet zijn van een vzw, die als uitsluitend doel het verzorgen van een niet-openbare radio heeft. De zender moet gevestigd zijn in het Nederlandstalige gebied of in Brussel. De vzw mag maar 1 radio beheren en de radio moet onafhankelijk zijn van een politieke partij, een beroepsvereniging of van een organisatie met een commercieel doel. De programmatie moet inhoudelijk gericht zijn op een lokale gemeenschap en er moet een verscheidenheid zijn aan informatie, animatie, ontspanning en educatie. De programma’s moeten uitgezonden worden in het Nederlands, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Verkiezingspropaganda mag niet. De uitzendingen moeten altijd starten en eindigen met de roepnaam van het station voor identificatie.
Ook wordt er een Raad opgericht voor niet-openbare radio’s, die de Vlaamse Executieve moet organiseren. In 1986 werden door de Raad de eerste 428 radio’s erkend. In de Mediagids worden de formele en de inhoudelijke erkenningsvoorwaarden duidelijk gespecificeerd. Maar de culturele doelstellingen moeten al gauw wijken voor economische. Al in 1985 wordt het uitzenden van handelsreclame toegestaan. Het bleek ook dat de erkenningsprocedure niet ideaal was verlopen. Slechts 8% van de erkende radio’s voldeed aan de voorschriften en 48% helemaal niet. Toch werd in 1988 de start gegeven van een tweede erkenningsronde, daarbij kregen 378 stations een vergunning.
Binnen de wereld van de niet-openbare radio’s kregen de kleinschalige radio’s het moeilijk, terwijl de overheid die juist probeerde te beschermen. Daarom groeide de noodzaak van samenwerking in nieuws- en reclameregies en ontstonden er netwerkradio’s, die niet alleen dezelfde naam droegen, maar die ook akkoorden opstelden in verband met programma’s en programmatie.

Het decreet van Van Rompuy en Chevalier

Het moest de groeiende commercialisering en ketenvorming tegengaan. Zij opteerden duide-lijk voor de niet-openbare radio’s op kleinschalig niveau. De belangrijkste bepalingen zijn:
• Zendbereikbeperking tot 8 km.
• Verplichting om 80% eigen programma’s uit te zenden en de helft van de nieuwsuitzen-dingen te vullen met lokale onderwerpen. Hoofdzakelijk streekgebonden handelsreclame.
• Verplichting van een eigen roepnaam, herkenningsmelodie en logo. De roepnaam en de herkenningsmelodie moeten 2 keer per uur worden uitgezonden.
• Meldingsplicht voor elk contract met programmaleveranciers en reclameregies.
• Verantwoordelijke eindredacteur bij de nieuws- en informatieprogramma’s.
• Bewaking van de journalistieke deontologie door de geschillenraad.
• De erkenningsprocedure werd versimpeld
• De duur van de nieuwe erkenningen werd van 3 op 9 jaar gebracht.
• De Raad van Niet-openbare radio’s wordt vervangen door een raad voor Lokale Radio’s. de taken blijven wel hetzelfde.
• De radio moet eigendom zijn van een vzw en gevestigd zijn in Vlaanderen of Brussel.
• Deze vzw mag maar 1 radio bezitten of exploiteren
• Afhankelijkheid van een politieke partij is verboden en de beheerders mogen geen politiek mandaat uitoefenen.
Het decreet werd van kracht in 1991. Maar het heeft weinig uitgehaald, want de sector verloederde en er kwamen allerlei protesten. Ten dele lag dat aan de radio’s zelf. Want het bleek moeilijk om een beluisterenswaardige kleinschalige privé radio van de grond te krijgen en te houden. Enthousiasme en charme van het nieuwe alleen bleken niet voldoende. Langs de andere kant lag dat ook aan objectieve tekorten en fouten in de regelgeving. Want er waren te veel strikte regels en administratieve verplichtingen. Door het verbod op landelijke reclame zorgde dat ook voor financiële problemen. Doordat alle lokale radio’s samengeperst zaten op de frequentieband, zorgde dat voor geluidschaos.
Bovendien reageerde de BRT-radio zeer alert op de nieuwe concurrentie, ze vervolledigden hun aanbod met Studio Brussel in 1983 en Radio Donna in 1992. Ook was er de komst van de nachtradio, de regionalisering van het tweede net en de invoering van radioreclame in 1990. Sinds de jaren ’90 zijn het topjaren voor de publieke omroep, zelfs de komst van de 2 landelijke commerciële zenders Q-Music en 4FM heeft ze goed opgevangen. Volgens de laatste cijfers van het CIM halen de 5 radiostations van de publieke omroep een marktaandeel van 85,1%. Nergens anders in Europa zijn er zulke hoge cijfers.




Het decreet van 7 juli 1998

Door al de problemen kwam er een derde radiodecreet. Men opteert voor minder, maar beter beluisterbare lokale stations, met een groter zendbereik. Alle radio’s mogen netwerken vor-men en samenwerken rond programma-aanmaak, informatievergaring en reclamewerving. De lokale radio’s moeten wel minstens viereneenhalf per dag eigen programma’s verzorgen. Elk van deze programma’s moet onafgebroken minstens 30 minuten duren. 10% van de eigen pro-gramma’s moet informatie bevatten van het eigen zendgebied en men moet minstens 3 jour-naals per dag verzorgen. De informatie moet onpartijdig en redactioneel onafhankelijk zijn. Erkenningen worden toegekend op rekening houdend met een frequentieplan, de infrastruc-tuur en de radio-ervaring van de medewerkers.
Maar een nieuw frequentieplan was niet tijdig klaar, waardoor er geen nieuwe radiolandschap kwam, maar de licenties gewoon werden verlengd. Toch gebeurde er wat, want 60% van de radio’s sloten zich aan bij een keten, o.a. Contact Groep, Family Radio, NRJ of Top Radio en Radio Mango (van de Vlaamse Media Maatschappij, moedermaatschappij van o.a.VTM)

Een grondige herschikking van de particuliere radio-omroep

In 1999 besliste de nieuwe regering voor de uitbouw van een volwaardig radiolandschap bestaande uit 3 types: lokale, regionale en landelijke radio’s. Van Mechelen stelde een decreet op dat in 2000 door het Vlaams Parlement werd goedgekeurd. Er zou plaats zijn voor 2 landelijke commerciële radio’s. Er was wel weerstand van de buurlanden en van de Duitse en Franse gemeenschappen om de nodige ruimte in ether te krijgen. Alle Vlaamse mediagroepen hadden belangstelling, maar er werd in 2001 gekozen voor 4FM (Think Media en De Vrije Pers) en Q-Music (VMM). Het Vlaams Commissariaat voor de Media had geoordeeld op basis van 4 criteria: inhoudelijke programmatie, media-ervaring, businessplan en de technische infrastructuur. De verliezers reageerden ontgoocheld. Met 4FM en Q-Music werd het monopolie van de openbare omroep doorbroken, maar geen van beide was een hype. De directe concurrenten Donna en Radio 2 bleven stevig.
Het Vlaams Parlement heeft vorig jaar nog een decreet goedgekeurd. Dat voorziet in de oprichting van 5 regionale zenders, 1 per provincie. De radio’s mogen niet samenwerken, maar ze mogen wel allianties afsluiten met lokale radio’s uit dezelfde provincie. Daarnaast is er plaats voor 200-250 lokale radio’s, zij mogen deel uitmaken van een netwerk. De erkenningen worden uitgereikt in september en zijn dan geldig voor 9 jaar.
Op dit moment overheerst de VRT nog altijd overduidelijk.

7. De toetreding van nieuwe commerciële televisieaanbieders

Na lang onderhandelen bereiken 5 weekbladgroepen en 4 dagbladuitgevers een akkoord over de samenwerking in een commerciële zender. Ze geloven dat hun aandeelhouderschap de terugloop van de reclame-inkomsten bij hun dagbladen en magazines ruim zal opvangen. Maar het decreet Poma wordt in 1985 niet gestemd omdat men ideologische en filosofische discriminatie erin ontdekt. Door het Heizeldrama worden de deelregeringen in 1985 ontbonden. Na de verkiezingen wil de nieuwe coalitie doorgaan met de geplande omvorming van het televisiebestel.
In de Franse Gemeenschap vertrouwt men de niet-openbare omroep toe aan de Luxemburgse omroep RTL, die in samenwerking met het merendeel van Franstalige uitgevers hiervoor de maatschappij TVI opricht. Maar in Vlaanderen is er veel scepticisme t.o.v. de leefbaarheid van een commerciële zender, wegens de beperkte advertentiemarkt en de grote concurrentie van buitenlandse zenders.
Maar het decreet in 1987 geeft een zicht op de komst van 4 soorten niet-openbare televisie: 1) 1 zender die zich richt tot heel Vlaanderen, 2) regionale of lokale zenders, 3) zenders gericht op een specifieke doelgroep, 3) betaalomroepen. Tegelijkertijd wordt er ook een nieuwe wet op de etherreclame goedgekeurd.

Landelijke commerciële televisie

In 1987 wordt de Vlaamse Televisie Maatschappij opgericht en in 1989 begint ze uit te zenden. De oorspronkelijk aandeelhouders zijn: dagbladondernemingen Hoste/De Persgroep, De Vlijt, Het Volk en Concentra en weekbladen-uitgevers Perexma, Roularta Media Group, Almaspar, Internationale Uitgeversmaatschappij en Tijdschriften Vereniging voor Vlaande-ren (TVV). In 1991 verwierf De Belgian Media Holding de controle over de Almaspar-aande-len, waardoor 1/9 van VTM in handen kwam van een niet-uitgever. Begin 1993 nam de Nederlandse Uitgeversgroep VNU Perexma en TVV over en kocht daarna nog 9,6% VTM-aandelen over van De Vlijt? Daardoor beschikte een Nederlandse uitgeverij over 44,3% van de VTM-aandelen. Als reactie brachten BMH, Concentra, De Persgroep, Roularta en Het Volk hun aandelen onder in de Vlaamse Verankerings Holding VMH die daardoor 55,55% van VTM controleerde. Door de overname van Het Volk in 1994 verkreeg VUM ook VTM-aandelen, maar door kritiek op haar machtspositie, verkocht ze haar aandelen in 1995 aan De Persgroep. In 1996 verkoopt BMH haar aandelen aan de resterende Vlaamse uitgevers. In 1997 verkoopt Concentra zijn aandelen aan De Persgroep en Roularta die dan elk de helft van VMH in handen krijgen.
De geschiedenis van VTM heeft 2 kanten:
1. Het succesverhaal. Van bij het begin werd VTM direct goed ontvangen bij het publiek. Ze schiet bijna direct omhoog naar een aandeel in de Vlaamse kijkcijfers van 40% en verslaagt zo de BRT, die met haar beide zenders nog maar 33% haalt. De Nederlandse publieke zenders halen nog maar 9%. De komst van VTM veroorzaakt ook grote verschuivingen op de Vlaamse reclamemarkt.
2. Het andere verhaal. Door de gespannen verhoudingen tussen het management en de eigenaars van VTM kwamen er veel ontslagen, dalende kijkcijfers, dalende reclame-inkomsten en tegenvallende bedrijfsresultaten. De oorzaak was de komst van VT4, die werkte met een Britse licentie, waardoor de Vlaamse regering er niets tegen kan doen.
Vanaf 1994 kwam VT4 op de markt met een Britse licentie, waardoor omzeilde ze het monopolie van VTM en was ze niet gebonden aan de strenge Vlaamse regels. Vele media-actoren wilden dit stoppen, maar door de Europese regels van het vrije verkeer van diensten konden ze dat niet. In 1998 sneuvelde het Vlaamse wettelijke reclamemonopolie, omdat het in strijd is met de Europese concurrentieregels. Sindsdien kunnen ook andere Vlaamse commer-ciële zenders van start gaan. Toch bleef VT4 nog in Groot-Brittannië, door de meer liberale wetgeving op kinderreclame en door de Vlaamse verplichting om een nieuwsprogramma te maken. Vorig jaar kwam VT4 toch naar Vlaanderen. VTM kreeg ook nog een tweede klap, want sinds 1997 is er een hernieuwde openbare omroep onder de naam VRT en die kreeg terug heel veel kijkers. Ondertussen zijn de CIM-cijfers voor VTM weer wat beter. Ook startte VTM in 2001 met een jongerenzender JIM-TV, met vooral veel muziek.
Begin 2001 keurde de VCM de komst goed van 2 nieuwe algemene zenders van SBS Broad-casting: de jongerenzender VT5 en de familiezender SBS5. De eerste is intussen gebruikt voor de vervlaamste VT4 en de andere moet nog komen. Ook de NV Mediacom heeft zo’n vergunning voor TV2000, maar die is ook nog altijd niet geactiveerd.



Regionale televisie

Met het decreet van 1987 werd ook het juridische kader gecreëerd voor de ontwikkeling van niet-openbare regionale televisie van Vlaanderen. Uiteindelijk kregen er vier regionale televisieverenigingen in 1988 een erkenning voor negen jaar: ATV, AVS, RTVO en RTVL (nu ROB-TV). AVS begon als eerste uit te zenden in 1989, die alleen kon bekeken worden door de kabelabonnees in Meetjesland. De andere drie durfden dat nog niet wegens een zwakke financiering of wegens onenigheid met de kabelmaatschappijen. Pas na een decreet in 1991 betreffende de regeling van reclame en sponsoring en een decreet over de regeling van de regionale televisieomroepen kan de regionale televisie in Vlaanderen echt van start gaan.
• Het aantal openbare regionale televisieverenigingen is beperkt tot 11, evenwichtig verspreid over de provincies. Het verzorgingsgebied is beperkt tot 15% van het aantal inwoners in het Nederlandse taalgebied. Alle regionale zenders hebben een vzw-structuur.
• Drieledige beheerstructuur: algemene vergadering, raad van beheer en adviesraad. Telkens is er een representativiteitsvereiste.
• Samenwerking tussen regionale zenders of met een landelijke zender mag niet leiden tot eenvormigheid op het vlak van reclame, financiering of programmatie. Voor nieuwsgaring mag samenwerking wel.
• 80% van de programmatie moet betrekking hebben op de eigen zendregio. De maximale zendtijd=200 uur per jaar uit te zenden voor 19.30, herhalingen en rechtstreekse uitzendingen door derden zijn daarbij niet inbegrepen.
• Kabelmaatschappijen zijn verplicht om de regionale kanalen kosteloos en gelijktijdig door te stralen.
• Ze kunnen een beroep doen op streekgebonden reclame en sponsoring, ook kunnen publieke overheden, intercommunales en de Vlaamse Gemeenschap toelagen geven, maar ze zijn dat niet verplicht.
In 1992 werden terug de pioniers erkend ATV, RTVL, WTV-Zuid en AVS en in 2001 werden ze op nieuw erkend voor 9jaar. In 1993 worden er 5 nieuwe omroepen erkend: Tele-Visie Limburg, ADS-Kanaal Drie, Focus-TV, TV Brussel en Tv-Kempen. In 1994 werden er nog 2 omroepen erkend: Regionale Televisie Vlaams Brabant en TV-Mechelen. Ring-TV ging in 1995 van start. TV-Mechelen kwam maar niet van de grond, waardoor er werd gekozen voor een samenwerking met Tv-Kempen. Daarvoor wijzigde de overheid haar besluit over de niet-openbare regionale televisievereniging. De gefuseerde zenders werken vanaf 1995 onder de naam RTV. Vorig jaar zijn de West-Vlaamse zenders WTV en Focus gefuseerd in de Regionale Mediamaatschappij.
De regionale televisie heeft ondertussen een vaste plaats verworven in het omroeplandschap. Volgens recente CIM-cijfers kijken dagelijks 1.500.000 Vlamingen naar regionale zenders. TV Limburg is de best bekeken regionale zender, WTV op 2 en ATV op 3. Het succes wordt veroorzaakt doordat ze berichtgeving verzorgen van lokale aard en mensen voelen zich aangetrokken door zaken die zich afspelen in de nabije omgeving. Door het systeem van de herhalingen kan iedereen inhaken op welk moment dan ook.
De mogelijkheden van de regionale zenders worden wel beperkt door allerlei verordeningen die belemmerend werken. Vooral de financiering was een probleem, door de onduidelijke afbakening van de zendgebieden, de ontgoochelende reclame-inkomsten en ook van de over-heid kwam er niet veel geld. Terwijl dat TV een heel duur medium is. Er zijn wel een aantal oplossingen gekomen: een toegestane verruiming van de zenduren van 200 tot 300, wegvallen van verplicht aanvangsuur, toelating om ook landelijke reclame uit te zenden, toelating van prijsvermeldingen bij reclame,… De Vlaamse regering sprak ook twee fasen af: een korteter-mijnbijsturing, die bij een decreet in 2000 werd afgesproken:
• Regionale televisie werd voortaan een volwaardig, en geen complementair medium. Het brengen van regionale informatie blijft wel centraal. Men mag zendtijd ter beschikking stellen van regionale actoren, maar de zender blijft dan wel zelf verantwoordelijk.
• De beperking van de zendtijd tot 300uur per jaar wordt afgeschaft, maar men is niet verplicht om meer dan 300uur uit te zenden.
• De reclame mag niet meer dan 15% van de jaarlijkse zendtijd uitmaken, boodschappen van openbaar nut tellen niet mee. Daardoor worden de mogelijkheden uitgebreid.

Ter voorbereiding van de langetermijnaanpassing werd in 2000 het onderzoeksbureau PPM de opdracht gegeven om de economische leefbaarheid van de regionale televisiezenders te onderzoeken. Drie omroepen bleken leefbaar (ATV, TV-Limburg en RTV), vier gingen de goede kant op, maar voor drie waren de vooruitzichten slecht (Ring-TV, ROB-TV en TV-Brussel). Hun probleem leek een te klein zendgebied te zijn, vooral bij Vlaams-Brabant. Daarom zou een fusie tussen ROB-TV en Ring-TV een oplossing kunnen zijn. PPM vond het geen goed idee om de regionale TV rechtsreeks te subsidiëren vanuit de Vlaamse Gemeenschap. Provincies en lokale besturen mogen toelagen verstrekken, eventueel in ruil voor overheidscommunicatie. Ook een aandeel van de regionale omroepen in de kabelrechten kan helpen. PMM stelt dat een commerciële organisatie de beste structuur is, met een pluralistisch samengestelde stichting.
Bij de regionale televisie is er nood aan nieuwe initiatieven, aan meer verscheidenheid in het programmapakket. Dus niet alleen herhaalde blokprogramma’s. Moeiteloos valt er in heel de regio een lijst aan originele onderwerpen te bedenken, dus inhoud genoeg. Misschien zouden er grensoverschrijdende regionale televisie moeten komen in de opkomende nieuwe Europese interregio’s. Het eindpunt van de evolutie zou dus Euroregionale televisie zijn.

Doelgroepentelevisie

Het initiatief bleef aanvankelijk beperkt tot Kinder-Atelier. Want vele Tv-makers keken op tegen de hoge kosten om een klein station op te zetten, terwijl de adverteerders weinig overtuigd waren. Kinder-Atelier startte in 1992, de doelgroep was kinderen van 1 tot 14 jaar en de erkenning was geldig voor 2u. kinderprogramma’s per week, voor de hele Vlaamse Gemeenschap. In het begin huurde het zendtijd op TV2, later kwam het op de mozaïek. Vanaf 1995 stelde VTM gratis zendtijd ter beschikking. Het project stopte in 1997.
Men startte in 1997 met een tweede doelgroepenzender Senior-TV, die zicht richtte tot 50-plussers en werd uitgezonden op VTM. Maar na 5 maanden bleek het al niet meer leefbaar.
De derde doelgroepenzender Kunstkanaal Vlaanderen kreeg in 1994 een vergunning. Maar de initiatiefnemers vonden onvoldoende financiële middelen om aan het werk te gaan. In 2000 werd de vergunning ingetrokken.
Toch kwamen er nog initiatieven van andere ondernemingen. Zo startte TNNC met uitzendingen voor specifiek kleine groepen. Maar het ging failliet in 1999.
In 1999 ontstond Event TV die programma’s wilde maken rond evenementen. Een half jaar later moest het al stoppen, wegens tegenvallende kijkcijfers en reclame-inkomsten. De vergunning werd verkocht aan zakenman Belhassine, die de zender herdoopte in LibertyTV. De reiszender behield wel het statuut van algemene zender en het daaraan gekoppelde must-carry-statuut, waardoor de kabelmaatschappijen dat moeten uitzenden.
In 1999 startte Kanaal Z, een zakenzender. Het kende wel een moeizame organisatorische en technische start. Maar daarna trok Kanaal Z al snel 250 à 300.000 kijkers door zijn economisch en financieel journaal. Sinds 2000 heeft het een Franstalige broer: Canal Z. In Brussel is er een tweetalige versie op de kabel. In 2001 startte Belgian Business Television, het bedrijf dat Kanaal Z overkoepelt, samen met Holland Media Groep een gelijkaardige zender op in Nederland: RTLZ. Maar de BBT kwam al gauw weer in de problemen, waardoor ze zich terugtrok uit het Hollandse initiatief. Het kwam in financiële problemen, waardoor de Roulartabaas geld ophaalde bij Belgacom, de Mercator Group, Euronext en een dozijn beursgenoteerde ondernemingen. Maar de spanning blijft.
In 2000 ging Vitaya van start, ook met een must-carry-statuut. Het is een themazender rond gezondheid, schoonheid, fitness, koken, reizen,… Het zendt 24 uur per uur uit volgens het lussysteem. De programma’s worden gebundeld in een blok van 7 uur dat herhaald wordt en regelmatig opgefrist wordt. De oprichting van een Franstalige zender is overwogen.
In 2000 kreeg ook nog Netwerk-televisie(N-TV) een must-carry-statuut. Het wil programma’s maken voor computergebruikers en internetsurfers. Het zou ongeveer klaar moeten zijn.
De Frans-Duitse cultuurzender Arte, bestaat ondertussen al 10 jaar. De oprichting was een politiek symbool van de goede verstandhouding tussen de landen. Voor de helft in handen van La Sept-Arte, voor de andere helft in die van ARD en ZDF. De programma’s zijn gemeenschappelijk maar worden in een Duitse en een Franse versie in de ether gestuurd. Het doel was dubbel: culturele programma’s maken en de Europese volkeren dichter bij elkaar brengen. Arte breidt de samenwerkingsakkoorden nog uit, om een echte Europese zender te worden.

Betaaltelevisie

Filmnet was de eerste betaalomroep in België met twee netten vanaf 1992. In 1997 werd Filmnet omgedoopt tot Canal+. Het aanbod bestaat vooral uit film en sport en sinds 1998 is er ook een gevarieerd zendpakket dat digitaal wordt doorgegeven. Via dat digitale platform kan de abonnee via de telefoon films bestellen en betaalt hij per film (pay-per-view). Vijftien jaar geleden werd de betaaltelevisie door veel deskundigen geizen als een beloftevol nieuw medium. Maar Canal+ heeft maar 155.000 abonnees en ook elders in Europa gaat het niet veel beter.

Thuiswinkeltelevisie

In 2001 keurde het Vlaams Parlement een decreet goed die het mogelijk maakte dat er tv-omroepen werden opgericht die enkel telewinkelprogramma’s maken. Men mag op deze zenders ook gewone reclame uitzenden, maar die mag niet meer dan 15% van de dagelijkse zendtijd bevatten. De Duitse Home Order Television (HOT) kreeg in 2001 een erkenning. Eerst waren de programma’s alleen in en rond Antwerpen te zien, via de kabelmaatschappij Integan. Want HOT had geen must-carry-statuut, waardoor het zich moeilijk verspreidde in Vlaanderen. Ook was de financiële situatie niet goed, waardoor HOT het moest opgeven. Het is trouwens de vraag of er marktruimte voor is in Vlaanderen, met de groter wordende Internetwereld, via waar je ook koopjes kan vinden.

De positie van de openbare omroep kwam door de verruiming van het programma-aanbod onder druk te staan. Vooral VTM speelde goed in op de voorkeuren van het publiek. De publieke omroep zocht daardoor naar vernieuwende wegen.

8. Van BRT naar VRT: De publieke omroep in opgepoetste vorm

Sinds de jaren ’80 kwam er een einde aan de monopoliesituatie van de BRT. Want de opko-mende commerciële concurrenten en kabelzenders namen het grootste deel van het publiek in. Daardoor werden er wijzigingen ondernomen.

De wijziging van het decreet van 28 december 1979

De eerste stap was het Minidecreet waardoor belangrijke wijzigingen werden aangebracht aan het decreet van 1979. Het garandeert de BRT een verhoging van de dotatie en bijkomende inkomsten uit sponsoring van openbare instellingen op de TV en uit reclame op de radio. De echte herstructurering van de openbare omroep begon pas voorgoed met het decreet van 1991.

Het decreet van 27 maart 1991

In 1991 kreeg de BRT de nieuwe naam BRTN. Het kreeg een grotere autonomie en meer organisatorische flexibiliteit. Dat was nodig om haar opdracht te vervullen, om de culturele identiteit van de Vlaamse Gemeenschap uit te stralen en om een stabiele positie te verkrijgen in de mediawereld. Daarom:
• De overheidsfinanciering gesplitst in een vaste dotatie en een aanvullende werkingstoelage (2% van het kijk-en luistergeld in het Nederlandse taalgebied), die wordt pas toegekend als de BRTN haar wettelijke verplichtingen nakomt.
• Financiering uit sponsoring en reclame onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
• BRTN mag schenkingen en legaten ontvangen en mag, mits toestemming van de Vlaamse Executieve, leningen aangaan. Ook mag zij eigen producties verkopen en diensten laten betalen.
• BRTN mag zich verenigen met andere openbare instellingen, vzw’s oprichten en /of samenwerken met particuliere ondernemingen. Bij een samenwerking moet de BRTN een meederheidspositie innemen in het beslissingsorgaan.
• De BRTN moet een vijfjarenplan indienen. Daarin worden vooruitzichten meegedeeld inzake uitzenduren, personeelsbehoeften, infrastructuur, financiën en wordt het programmabeleid toegelicht. Het moet elk jaar worden bijgestuurd en voorgelegd worden ter goedkeuring aan de Vlaamse Raad.
• Naast het vaste kader, kan men vanaf dan ook beroep doen op contractuele medewerkers.
• De lang beloofde Adviesraad van kijkers en luisteraars wordt eindelijk opgericht, die moet de Raad van Bestuur adviseren in verband met de algemene inhoud en de programmatie van de uitzendingen.
• De dwangvoogdij van een vertegenwoordiger van de Vlaamse regering wordt afgeschaft. Die mag er alleen nog op toezien dat de beslissingen van de Raad van Bestuur wettelijk zijn.
• De objectiviteitsregel wordt vervangen door een onpartijdigheidsregel
• De gezamenlijke zendtijd voor Tv-derden wordt teruggebracht van max. 125 tot 100u. per jaar. De radioderden krijgen gezamenlijk 80 uur zendtijd per jaar.
De ingreep werkte niet, want het bleef slecht gaan met de BRTN.

De Medianota Weckx en de voornemens van Eric Van Rompuy

Men wil de raad van bestuur afslanken tot 7 leden die zich nog enkel bezighouden met de grote krachtlijnen van het BRTN-beleid. Het dagelijks bestuur wordt toevertrouwd aan een vierkoppige directiecomité dat een mandaat voor vijf jaar krijgt. De publieke omroep moest een slanke, wendbare organisatie hebben om snel te kunnen reageren op nieuwe situaties. Maar door de vervroegde verkiezingen kon van die aanpassingen geen werk worden gemaakt. De nieuwe Vlaamse regering stelt een regeerakkoord op in 1995 dat stelt dat de openbare omroep onmiddellijk moet worden hervormd:
• Nieuwe taakomschrijving: de openbare omroep moet zich als kwaliteitszender profileren. Met de sectoren informatie, eigen drama, cultuur en amusement van het betere soort.
• Maximale autonomie, zodat het zijn openbare dienstverlening kan realiseren. Daarbij worden criteria gehanteerd die gericht zijn op kwaliteit en niet alleen op de kijkcijfers.
• Bevoegdheden van de raad van bestuur en het dagelijkse beheer worden duidelijk afgebakend. Ook een open en soepel personeelsbeleid.
• Een gemengde financiering: indien de nodige compenserende financiële middelen kunnen worden gevonden, moet worden gestart met de afbouw van televisiesponsoring, uitgezonderd sponsoring van evenementen.
Op basis van een bedrijfsonderzoek begint Van Rompuy een hervormingsvoorstel uit te werken. Dat komt er in 2 delen. Het eerste wordt in 1995 door de Vlaamse Raad goedgekeurd.

Het minidecreet

Alle leidinggevenden van 60 jaar en ouder worden met vervroegd pensioen gestuurd en deels vervangen door managers. De opdracht van de BRTN:
• Zoveel mogelijk kijkers en luisteraars bereiken met een diversiteit van programma’s
• Kwalitatief aanbod van informatie, cultuur, educatie en ontspanning. Zowel de inhoud als het taalgebruik moet kwalitatief zijn. Er worden ook nieuwe talenten en expressievormen gebuikt en sommige programma’s moeten gericht zijn op specifieke doelgroepen.
• De programma’s moeten bijdragen tot ontwikkeling van identiteit en diversiteit van de Vlaamse cultuur en tot een democratische en verdraagzame samenleving. Het moet zorgen voor een onafhankelijke, objectieve en pluralistische opinievorming.
• Voldoende programma’s die gericht zijn op een breed en algemeen publiek. De beoogde doelgroepen moeten ruim zijn en ook effectief worden bereikt.
• Eventuele nieuwe mediatoepassingen zoveel mogelijk toepassen in de programma’s.
De hele bestuurlijke hiërarchie maakt plaats voor een bedrijfsleiding met de gedelegeerd bestuurder en zijn directiecomité. De gedelegeerd bestuurder neemt alle operationele beslis-
singen en staat in voor de externe vertegenwoordiging van de instelling. De raad van bestuur moet een weerspiegeling zijn van de maatschappelijke geledingen. Die neemt alleen nog grote strategische en budgettaire beslissingen. Deze veranderingen moeten leiden tot een moderne bedrijfsvoering. In 1996 wordt Bert De Graeve aangesteld als nieuwe topman. Op dat moment keek nog maar 1/5 van de Vlamingen naar de publieke omroep. Hij begint in samen met z’n medewerkers en de Vlaamse Regering aan de voorbereiding van het maxidecreet.

Het maxidecreet

De naam BRTN verandert in VRT. Sinds 1990 gebruiken de radionetten een eigen roepnaam en op TV circuleren sinds kort de namen TV1, Canvas en Ketnet. De openbare omroep wordt omezet in een naamloze vennootschap die voor 100% in handen blijft van de Vlaamse overheid. Nieuwe personeelsleden worden alleen nog maar contractueel in dienst genomen. De VRT stelt zijn programma-aanbod en uitzendschema autonoom op. In de programma’s moet elke vorm van discriminatie geweerd worden. Voor nieuws- en informatieprogramma’s geldt de plicht tot onpartijdigheid en waarheidsgetrouwheid. De nieuwsprogramma’s moeten voldoen aan de normen inzake journalistieke deontologie en redactionele afhankelijkheid.
De VRT moet ofwel een tweewekelijks programma van 30min. uitzenden of een wekelijks programma van 15min., als duiding van sociaal-economische onderwerpen. De verantwoor-delijkheid voor deze programma’s ligt bij de VRT. De TV- en radioprogramma’s door levensbeschouwelijke, politieke (en sociaal-economische) verenigingen worden ingeperkt. De erkenning van Tv-derden en radioderden gebeurt door de Vlaamse regering voor vijf jaar. Elke erkende vereniging krijgt een kostendekkende subsidie van de Vlaamse Gemeenschap. De VRT moet zijn technisch(e) personeel en uitrusting ter beschikking stellen.
De VRT is ook verplicht om de mededelingen van de Vlaamse regering, het Vlaams Parlement en de federale regering kosteloos uit te zenden. De Vlaamse regering moet ook een beheersovereenkomst afsluiten met de VRT voor vijf jaar. Deze bevat vooral de doelstellin-gen voor de openbare omroep en de dotatie die nodig is om deze te bereiken.
In 1997 wordt de eerste beheersovereenkomst gesloten. VRT moet met z’n 5 radionetten 55% van de bevolking bereiken. De profielen worden ook vastgelegd: Radio 1: bekwame, informa-tieve en boeiende uitstraling, Radio 2: amusement en regionale informatie, Radio 3: klassieke muziek en culturele informatie, Studio Brussel: jonge rock-en popzender en Radio Donna: vlotte muziek, berichten over actualiteit, lifestyle, ontspanning en cultuur. Radio Vlaanderen Internationaal moet informatie geven aan Vlamingen in het buitenland en moet Vlaanderen promoten bij vreemdelingen in het binnen- en buitenland. Alle radionetten moeten dagelijks min. 50min. nieuws uitzenden. De profilering van de netten zal aangepast worden o.a. op ba-sis van luisteronderzoek. Zo wordt Radio 3 in 2001 gerestyled, onder de naam van KLARA. Men zou binnenkort ook met digitale radio beginnen.
Op Tv-gebied: Het eerste net: TV1: levendig, opgewekt en toegankelijk Tv-net en leiding-gevend op het gebied van informatie. De nadruk ligt op kwaliteitsvol amusement. Het tweede net moet langs de ene kant informatief, deskundig en leerrijk zijn en langs de andere kant moet het zich richten tot kinderen en jongeren. De twee netten moeten op wekelijks 76% van de bevolking bereiken. Voor de journaals, de duidings- en de informatieprogramma’s is een gemiddelde van 1.500.000 kijkers pers dag het streefdoel. De 76% van de kinderen van 4-12 jaar zouden wekelijks naar de openbare omroep moeten kijken.
Als de omroep haar doelstellingen bereikt dan wordt de overheidsdotatie jaarlijks met 4% verhoogd. De VRT kan ook inkomsten halen uit de exploitatie van de eigen producties en infrastructuur, uit reclame op radio, uit sponsoring op radio en televisie, uit boodschappen van algemeen nut en uit coproductie en cofinanciering. Jaarlijks moet de VRT een evaluatierap-port opstellen over de geleverde prestaties.
Vanaf 1997 ging TV1 van start met een zonnig logo , met nieuwe programma’s (middagjour-naal) en met een verschuiving van het avondjournaal naar 19u, waardoor er rechtstreekse concurrentie is met het VTM-nieuws. Het tweede net wordt opgesplitst in 2 blokken. Van 17u tot 20u is er Ketnet, het richt zich tot jongeren van 4 tot 16 jaar. Vanaf 20u is er Canvas met zware, informatieve programma’s, documentaires, films, rechtsreeks sport,…
Het marktaandeel steeg duidelijk, van 22,6% in 1996 tot 35,9% in 2002. de financiële resultaten zijn meer dan behoorlijk.

De nieuwe beheersovereenkomst

De belangrijkste punten zijn:
• De rol en de opdracht van de publieke omroep blijft, met de nadruk op kwaliteit
• Een beperking van de reclame en sponsoring. Mag niet meer dan 50miljoen € bedragen, waarvan 40,9miljoen € uit radioreclame en 0,9miljoen € uit televisiesponsoring. Daardoor is er minder reclame in het ochtendblok van Radio 1 en Klara blijft reclamevrij.
• De VRT is niet verplicht een percentage uit de reclame-inkomsten te besteden aan de filmsector. Wel stimuleert de regering de samenwerking met het Vlaams Audiovisueel Fonds.
• T.o.v. de beperking van de private middelen staat er een verhoging van de overheidsdotatie van 6,2 miljoen € naar 229 miljoen €. Dit is ter versterking van de Canvasprogrammatie en de differentiëring van het nieuws.
• Dat geld krijgt de openbare zender alleen als de vooropgestelde normen zijn behaald. Per dag moet de VRT 1,5miljoen kijkers bereiken. Voor de informatieprogramma’s met ze een waarderingscijfer van minstens 75% behalen.
• VRT moet een voortrekkersrol spelen bij de nieuwe interactieve mediadiensten. Daarom werd er een afzonderlijke afdeling e-VRT opgericht. Het is een onderzoeks-en ontwikkelingsforum dat als doel heeft, het organiseren van nieuwe, interactieve, programmeringsvormen, projecten en toepassingen via TV en internet.
De omvorming van BRT naar VRT gaat gepaard met goede rapportcijfers. Tenzij Q-Music en 4FM zich anders gaan oriënteren en de lokale en regionale private zenders op een totaal andere manier radio beginnen te maken, loepen de concurrenten achter op de feiten.

9.Epiloog

Waar moet het heen met de omroep in het tijdperk van de nieuwe media?
1) In de jaren ‘80 wordt er eindelijk door Poma en Dewael wat zaken verandert bij de openbare omroep. In 1987 verliest de publieke televisie haar monopoliepositie, hoewel die lang als vanzelfsprekend werd beschouwd. De periode van het echte zappen begint.
2) De herinrichting van het omroepbestel betekent natuurlijk niet automatisch een verbete-ring. Maar men was, door de scherpe scheiding tussen publieke en private omroep, wel op weg naar een meer realistische ordening van radio en TV. Van bij de start in 1953 hadden cultureel bewuste programmamakers geprobeerd ons denken, voelen en doen vorm en richting te geven door het aanbieden van hoog culturele en educatieve programma’s. Maar wat in het verleden gefunctioneerd heeft, moet daarom nog niet de norm zijn. De versnel-ling van de socio-culturele ontwikkelingen, de gewijzigde maatschappelijke context en de technische groei rechtvaardigden allemaal de vraag of dit gesloten systeem nog paste in onze open samenleving met het tijdsbeeld. Waren er nog wel argumenten om dit omroepmonopolie te laten gelden? Weinigen in Europa willen af van de publieke omroep, de waarden die er achter liggen zijn blijvend. Maar daarnaast moeten er andere zenders zijn, want als enige zender(s) is dat niet voldoende. Men heeft verschillende zenders nodig die landelijk, regionaal en lokaal, voor een algemeen publiek of een voor bepaalde doelgroepen een ander, eigen aanbod scheppen. Daarom is de afbouw van het monopolie, zowel voor de TV als voor de radio, een belangrijke stap.
3) Welke publieke omroep willen wij? Het is belangrijk dat de overheid een inspanning doet om er een open, vitale en professionele organisatie van te maken. Het is wel belangrijk dat naarmate er mee zenders komen, dat de publieke omroep haar eigen identiteit en stijl duidelijk herkenbaar maakt en bevestigt. Bij sommige critici is er twijfel dat de VRT op principiële gronden een ideaal probeert trouw te blijven, maar in de praktijk eerder uitgaat van het bereik en de kijk-en luistercijfers. De publieke omroep moet een publieke taak vervullen. Ze moet programma’s maken die er anders niet zouden zijn, een tegengewicht, een alternatief. De nadruk zou moeten liggen op integratie en niet op fragmentatie.
4) Als de overheid op de radio- en televisiemarkt een eerlijke mededinging wil veroorzaken, dan moeten er niet alleen gezonde verhoudingen worden gecreëerd tussen commerciële omroepen onderling, maar ook tussen publieke en commerciële zenders. Het publieke bestel mag dus geen oneerlijke bevoordeling krijgen. VRT is één van de vele actoren geworden tussen





Geen zin om te downloaden? Geen probleem:

1. De wortels van de omroep

a. Draadloze communicatie wordt omroep

De Amerikaanse Morse vindt in 1844 de telegraaf uit. De telefoon wordt uitgevonden door de Amerikaanse Bell in 1876. Door de Duitse Hertz worden de elektromagnetische golven ontdekt en in 1890 wordt er een methode uitgevonden door Branly om elektromagnetische golven uit te zenden en te ontvangen. Deze ontdekkingen zorgen voor de doorbraak van de radio als omroep.
In het begin gebruikt men de radio voor maritieme, militaire en handelsboodschappen bestemd voor vooral politici, voor vloot-en legercommandanten, voor handelscompagnies en nieuwsagentschappen. Voor het einde van WOI hebben de plannen van de geschoolde technici en de experimenten niet geleid tot de oprichting van omroepstations.
In Nederland verzorgt Idzerda in 1919 via zijn zelfgebouwde zender PCGG de eerste draad-loze radio-uitzending twee keer per week met muziek, lezingen en mededelingen. Deze uitzendingen waren de eerste van Europa. Het doel was om de verkoop van ontvangsttoestel-len te bevorderen. Maar in 1924 gaat hij failliet, door te weinig kapitaal. In hetzelfde jaar zet de Nederlandse Seintoestellen Fabriek het initatief voort via de HDO. Haar programma’s waren vooral liberaal getint, waardoor de katholieken, de protestanten en de sociaal-democraten zich ook wilden laten gelden.
In 1920 komen er in de VS geregelde uitzendingen van het commerciële station KDKA in Pittsburg. Een jaar later hebben 39 stations een vergunning. Elders gaat het minder snel. Pas in 1922 wordt de BBC opgericht, eerst als privé-onderneming, later als publieke dienst.

b. Het begin van de omroep in België

In ons land worden de eerste radio-uitzendingen verzorgd vanaf 1913 met de steun van Albert I vanuit het paleis van Laken. Elke zaterdagavond werden Paleisconcerten uitgezonden. Maar tijdens WOI moest de zender stoppen. Na de oorlog was er veel belangstelling voor een radio-omroep die regelmatig muziek en het gesproken woord uitzond bestemd voor een breed publiek. Kerken en partijen wilden zo hun gedachten te verspreiden en zakenlieden wilden een nieuw medium om zaken te doen. Er ontstonden allerlei initiatieven, zonder veel bemoe-ienissen van de overheid. De eerste radio’s werden ineen geknutseld door handige jongens, men had geen elektriciteit nodig, alleen een koptelefoon. De eerste uitzending van de eerste Belgische nationale omroep, Radio Bruxelles, kwam er in 1923, op initiatief van de firma SBR. Dat was de eerste fabriek in Belgie die lamp-ontvangers bouwden, dus het had commer-ciële doeleinden. 1924 werd de privézender een officieuze staatszender, onder de naam Radio Belgique. Fleischman was één van de 1e medewerkers, hij zorgde voor de eerste nieuws-uitzendingen. De uitzendingen waren eerst alleen in het Frans en de programmering Brussels en Belgicistisch. Een paar Vlaamse radioclubs ijverden voor een eigen omroep.
Eerst kwamen er betaalde Vlaamse uitzendingen via Radio Zoologie. Daarna richtte men in Antwerpen in 1928 de neutrale Vlaamse Radio Vereniging (VRV) op. Die verdedigde de Vlaamse belangen via cultureel hoogstaande programma’s. Een eigen zender heeft de VRV nooit gehad. Want de katholieken en de socialisten wilden zelfstandig werkzaam zijn. De katholieken waren eerst, maar de tegenstellingen tussen de verschillende katholieke organisaties bleken wel groot. Met steun van de christelijke middenstands-organisaties en de Boerenbond wordt in 1929 N.V. Radio opgericht. Later verandert de naam in Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep met 2 uitzendingen per week. De kosten worden gedekt met reclame-inkomsten, met vrijwillige bijdragen van de luisteraars en met de een wekelijkse programmabrochure.
In 1929 wordt de Socialistische Arbeiders Radio-Omroep voor Vlaanderen opgericht, gericht op de culturele noden van het Vlaamse volk. Maar daarvoor waren er al socialistische radioclubs actief in Antwerpen, Menen en Gent.
Radio had dus duidelijk een gemeenschapsvormende functie en moest een ideologische en partijpolitieke verwantschap doen ontstaan. In 1930 wordt de Vlaamsch Nationale Radio-Vereniging en in 1931 de Liberale Radio-Omroep opgericht. VLANARA wil Vlaamse fierheid opwekken en LIBRADO wil de Vlaamse liberale gedachte verspreiden. Er komen ook gelijkaardige Franstalige verenigingen tot stand.
Vanaf 1925 ontstaan er ook een aantal privé zenders die leven van plaatselijke reclame en verzoekprogramma’s. De omroep werd dus al snel een groot, open en pluriform circuit. Maar het aantal golflengten was beperkt en leidde tot een behoefte van de nationale verdeling van beschikbare capaciteit.

2. 1930-1940: Van doolhof naar eenheid

In 1930 wil de overheid een nationale omroep oprichten, met als voorbeeld de BBC. Het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-Omroep wordt opgericht en zou een volledig algemeen programma verzorgen in de 2 landstalen. Het instituut wordt gefinancieerd met 90% van de opbrengst die luisteraars moeten betalen voor een radiotoestel. In 1938 wordt ‘het Flagey’, het grootste omroepgebouw in Europa in gebruik genomen. Volgens een wet en een Koninklijk Besluit werd bepaald dat het een objectieve, onpartijdige openbare instelling moest zijn met een verbod op handelsreclame en de werknemers moesten verspreid zijn over de 3 politieke partijen.
Oorspronkelijk krijgen de omroepverenigingen 28% van de zendtijd. Ze zijn volledig vrij bij de programmasamenstelling, maar ze zijn wel verantwoording verschuldigd aan de raad van bestuur van het NIR. De teksten moesten vooraf ingestuurd worden en men moest toestem-ming vragen voor rechtstreekse programma’s. Ze moesten alles, buiten de technische assistentie, zelf betalen.
Ook lokale privé-stations konden een vergunning aanvragen, er kwamen 200 aanvragen, maar in het begin werden er maar 16 erkend. Ze waren mooi verdeeld volgens de partijpolitieke verhoudingen. Zo had je de liberaalvrijzinnige Radio Antwerpen. Ze zonden uit in een straal van 30 tot 50 km. Ze mochten geen reclame uitzenden, maar haalden geld uit sponsoring, verkoop van lidkaarten en het tegen betaling uitzenden van verzoekplaatjes. Hun journaals moesten beknopt zijn, voor de concurrentie met de kranten. Ze mochten als nieuwsbron alleen het persbureau Belga gebruiken.
De radio-uitzendingen namen toe en de kwaliteit ervan steeg. Het aantal radiotoestellen groeide tot bijna 1 miljoen. Radioluisteren was een sociaal ritueel geworden. Het NIR wordt steeds belangrijker en de omroepverenigingen organiseren zich daarom in de Federatie van de Omroepverenigingen, om een zelfstandige positie te verkrijgen.

3. De oorlogsjaren en de overgangsregeling daarna

a. Overrompeld

Vanaf 1940 wordt tijdens WOI de continuïteit van de uitzendingen verzekerd vanuit een geheime studio. Het Duitse leger bezette het NIR-gebouw en startte er met Zender Brussel en Radio Bruxelles. Een deel van het personeel zette zijn werk voort ten behoeve van de Duitse oorlogvoering. Een beperkt deel volgde de Belgische regering naar Frankrijk, waar er wordt uitgezonden langs Franse antenne. Wanneer dat land ineenstort vlucht een deel van de regering en het radiopersoneel naar Engeland, waar ze via de BBC Radio België uitzenden. De programma’s worden afwisselend in het Frans en in het Nederlands uitgezonden. Via de BBC werden er ook uitzendingen voor andere Europese landen verzorgd. Radio was een uitstekend middel om de bevolking te beïnvloeden en te mobiliseren. Daarom werd het luisteren naar de BBC verboden door de bezetters.

b. De heropbouw van de omroep vanuit Londen

De Belgische regering wilde een eigen officiële Belgische radio. Daarom werd de Belgische Nationale Omroep (BNRO) opgericht in Londen. De uitzendingen gebeurden eerst via de European Service van de BBC, later via een kortegolfzender in Leopoldstad. Het hoofddoel was om de Belgische bevolking te informeren, haar op te beuren en voor te bereiden op het herstel en de wederopbouw na de bevrijding. Het tweede doel was om het prestige van België ten op zichte van de wereld op te vijzelen. Het derde doel was om de naoorlogse omroep-activiteit voor te bereiden. Daarom werden er overal in België geheime radiozenders opgericht om na de bevrijding de bevolking meteen te kunnen informeren. Ook werden er maatregelen getroffen om meteen het centrale radiogebouw weer over te nemen. Na de oorlog werd er van geprofiteerd om een volledig omroepmonopolie in te richten. Dit betekende een doodsteek voor de omroepverenigingen en de particuliere zenders.

c. De overgangsregeling: de ontkenning van het privé-initiatief

Een jaar na de oorlog (1945) wordt de BNRO afgeschaft en krijgt het NIR de alleenopdracht om de radiodienst te verzorgen. De omroepverenigingen verdwijnen uit de ether, alleen aan kerken, politieke partijen en sociale partners wordt zendtijd toegestaan. De omroepvereni-gingen hebben dus nooit kunnen bewijzen wat ze waard waren. In de plaats van de lokale privé zenders komen er gewestelijke omroepen. Er wordt in 1945 beslist om ook een Wereld-omroep op te richten. Maar het verdwijnen van de omroepverenigingen is wel begrijpelijk:
1) De BBC had een onverwoestbare reputatie van onpartijdigheid en betrouwbaarheid. Daardoor kon de roep van het overheidsmonopolie niet meer stuk.
2) Bij het streven naar samenwerking en naar nationale eenheid was de vorming van een analoog Brits omroepmodel een belangrijk onderdeel.
3) Het gebeurde ook om technische redenen: schaarste aan golflengten
4) De nieuwe omroepplannen werden zonder aarzelen geaccepteerd als voorlopige oplossing
5) De omroepverenigingen hadden nooit echt een stevige organisatie. In de verschillende kringen (katholiek, liberaal en socialistisch) was er ook een grote mate van onverschilligheid en passiviteit. Ze leken een vertegenwoordiging in het bestuur van de overheidsomroep voldoende te vinden.
6) Het kaderde ook in de naoorlogse filosofie, waarbij de overheid alle verzorgingstaken op zich nam en voor het algemene belang instond.
7) De 2 grootste politieke partijen ( de katholieken en de socialisten) wilden ook de absolute controle hebben over het omroepbestel.
Boon zorgde, met bekwame medewerkers, er voor dat de Vlaamse radio-omroep weer beluisterbaar en populair werd. Iets later kwam FM en werd een ruimer aanbod voor precieze doelgroepen mogelijk. De radio werd ook kleiner en mobiel, want in de jaren ’60 ontstond de transistor.

4. Ontstaan en ontwikkeling van de televisie

Bij ons kwam de TV er pas in 1953, dit was laat t.o.v. onze buurlanden. Dit kwam door technische en financiële problemen, en argwaan en pessimisme. Krantenuitgevers en bioscoopbonden vreesden voor teveel concurrentie. De belangrijkste rem was de tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië, waardoor het moeilijk was om te kiezen voor 1 beeldnorm voor heel België. Frankrijk zond uit in 819 lijnen, waarde Walen voor kozen, maar de Vlamingen wilden ook naar de Nederlandse TV kunnen kijken en die zond uit in 625 lijnen. Pas in 1953 besloot men om dan een dubbele beeldnorm aan te nemen. Daardoor werd het publiek aangeraden om een duur Belgisch ontvangsttoestel te kopen dat de beide systemen kon ontvangen. Pas 10 jaar later zou men volledig overschakelen op 625 lijnen, wat de Europese norm was. De Vlaamse TV werd een half uur voor de Waalse geboren.
Met de televisie werd een oude droom (al sinds de oudheid) mogelijk om verder te kunnen kijken dan het menselijke oog.
De TV werd in 1926 in de praktijk omgezet door Jenkins in de VS, op basis van uitvindingen van Hertz, Marconi en vooral Nipkow. Vanaf 1929 verzorgt Baird voor de BBC experimen-tele uitzendingen. In 1936 begint de BBC met geregelde uitzendingen. Ook in Frankrijk, Duitsland en Nederland ontstaan er rond die tijd experimentele uitzendingen. De verdere ontwikkeling van TV werd wel geremd door WOII. Na de WOII verliepen de ontwikkelingen wel heel snel en vooral de laatste 20 jaar zijn er in Europa grote veranderingen geweest. In 2000 passeerde het aantal Tv-kanalen de duizend. Naast de gewone zenders zijn er abonnee-tv, pay-per-view, pay-tv, special interest channels,… via kabel, satelliet of Internet. Het Tv-toestel wordt meer en meer een superapparaat waarmee we zelf onze programma’s kunnen bepalen. Alles komt binnenkort samen op het Internet waar men, naast Tv-kijken, kan winkelen, spelletjes spelen, e-mailen, transacties doen,… De traditionele Tv-organisaties zullen zich moeten aanpassen om te overleven.
Bij de start van de Vlaamse televisie kon het eerst alleen in de omgeving van Brussel worden bekeken. In 1962 waren er al 1miljoen Tv-toestellen. In 1971 ontstaat de kleurentelevisie en de kabeltelevisie. Ook de inrichting van de kamer verandert helemaal, nu wordt alles geschikt rond de TV.
Door de introductie van de TV is men in de periode van 1945 tot begin jaren ’60 bezig geweest met plannen voor een definitieve regeling van het omroepbestel. Men wilde culturele autonomie en een overheidsmonopolie. Daarom besteedde men vooral aandacht aan de objectiviteitsplicht, de autonomie en de verzekering van het politieke en levensbeschouwe-lijke evenwicht bij de toekenning van de ambten. Maar men raakte het moeilijk eens, wel worden er een paar wettelijke initiatieven genomen. Pas in 1960 komt er op initiatief van de regering een regeling. Het NIR wordt omgevormd tot BRT en er komen nieuwe studio’s aan de Reyerslaan die vanaf 1968 worden gebruikt.

5. De publieke omroep als totem

a. Het omroepstatuut van 18 mei 1960

Radio en TV komen in handen van BRT (Belgische radio en televisie) en RTB (Radiodiffus-ion Télévision Belge), zij krijgen het monopolie. Er wordt ook nog een Instituut van de Gemeenschappelijke Diensten (IGD) opgericht, omdat sommige essentiële taken moeilijk te splitsen waren. De Nederlandse en de Franse instituten bepalen elk hun eigen programma’s, een eigen begroting en een eigen raad. Samen vormen de raden een Algemene Raad, die bevoegd is voor het IGD. Er was een verbod op voorafgaande censuur door de overheid, maar wel een streven naar objectiviteit in de nieuwsuitzendingen. De overheid heeft wel de bestuurlijke voogdij. Men mag uitzendingen laten verzorgen door daartoe erkende verenigin-gen en stichtingen, maar de uitzendingen mogen geen handelspubliciteit vertonen.
Er kwam al gauw kritiek op de bestuurlijke voogdij, op de tendens tot partijpolitisering, op de programmapolitiek en op de eigenlijk krachteloze objectiviteitsverplichting. Want eigenlijk wordt er door de nieuwe journalisten maar slordig omgesprongen met die verplichting. Daardoor werd het tijd om de omroep aan te passen en te komen met alternatieve modellen. Het aanpassen van de omroep was ook nodig omdat sinds 1971 radio en TV behoorden tot de bevoegdheid van de cultuurraden. Ook stelden zakenlieden dat met de vooruitgang van de techniek het privé initiatief ook een kans moest krijgen. Tussen 1972 en 1979 wordt er gezocht naar oplossingen. De eerste stap wordt gezet met een wet in 1977. Daarbij wordt het IGD ontbonden en wordt alles verdeeld over BRT en RTB. Ook richt men een nieuwe omroep op voor de Duitstalige Gemeenschap: BRF.
Al van voor WOII waren er initiatieven voor Duitstalige informatieprogramma’s als tegengif voor de Hitlerpropaganda. Na WOII oordeelde de Belgische regering dat NIR-INR Duitsta-lige Tv-programma’s moesten verzorgen om de integratie van de nieuwe inwoners te bevor-deren. De omroepwet van 1960 bracht de Duitstalige uitzendingen onder bij het IGD en ze kregen de naam BRF. Pas in 1980 werden deze vanuit een eigen omroepgebouw uitgezonden in Eifel. Sinds 1998 beschikt de BRF over een nieuw omroepgebouw in Eupen.
De drie instituten zijn volledig onafhankelijk, maar hun taken zijn hetzelfde: via hun uitzen-dingen zorgen voor informatie, ontspanning, en vorming van het algemene publiek. Wel is er nog een monopolie van de uitzendingen, een verbod op handelsreclame, objectiviteitsver-plichting en bescherming tegen inmenging of druk van de staat, de commercie of het publiek.

b. Tekenen van omdenken

In 1971 werd de bevoegdheid van de radio- en Tv-instituten toegekend aan de cultuurgemeen-schappen. Nu konden ze dus zelf het radio- en Tv-instituut opzetten en uitbouwen. Maar er werd moeilijk gekomen tot overeenstemming. Want de ene groep stelde zich eigenlijk tevreden met de huidige situatie, maar de andere groep wilde grotere stappen: ze wilden een 2e commercieel net of een patroon gebaseerd op het zuilenbestel, waarbij de verenigingen de totaalprogramma’s verzorgen. Aanvankelijk leken de 3 partijen het wel eens te zijn. Er moest een zuilenomroep komen, die gebaseerd was op de politieke fracties en die het BRT-monopo-lie moest vervangen. Maar deze eenstemmigheid veranderde bij het begin van de debatten. Zo kwam men tot een compromis in het decreet van 1979

c. Een oude pruik opnieuw gepoederd

Er kwam een volledig autonome radio- en Tv-omroep voor Vlaanderen. De beheers- en directieorganen zouden zo representatief mogelijk worden samengesteld. Er kwam een objectiviteitsplicht voor alle informatieve uitzendingen. Er werd ook een adviesraad voor kijkers en luisteraars opgericht die de raad van beheer moest informeren over de inhoud en de programmatie van de radio- en Tv-uitzendingen. Reclame is nog altijd verboden. Er is wel een ruime uitbreiding van de gastprogramma’s in de televisie. Het BRT-personeel mag meewerken aan deze programma’s en ook het technische personeel en apparatuur wordt ter beschikking gesteld.
Velen hadden kritiek omdat eigenlijk amper iets was veranderd. Ook werd de omroep geconfronteerd met veranderende omgevingsfactoren.

d. Het verlies van illusies

1. Men koos in 1979 opnieuw voor een omroepmonopolie, terwijl het al was bewezen dat dat niet meer werkte. In 1953 was de Vlaamse TV naar het beeld van de BBC geregeld. De organisatie van de omroep als een publieke dienst aan de bevolking werd als een evidentie beschouwd. Terwijl begon er kritiek te komen in Groot-Brittannië op het monopolie van de BBC en in heel Europa kwam er een langzaam en demonopoliseringsproces op gang. Dit had verschillende redenen:
1.1. Het aanbod van meerdere kanalen via satelliet en kabel. Dat veroorzaakte veranderin-gen in de mogelijkheden om televisie te ontvangen. Daardoor was een monopoliehou-dende publieke omroep geen vanzelfsprekendheid meer. Het marktmechanisme begon ook te spelen omdat zakenlieden ook in de audiovisuele sector winst wilden behalen.
1.2. Vanaf 1970 begint de postmoderne cultuur. Daardoor komt er nieuwe mentaliteit, met de nadruk op vrijheid, zelfrealisatie, informalisering en dehiërarchisering,… Het is niet meer het principe van vader weet het beter, maar het principe van klant is koning.
1.3. De kredietbeperkingen van de jaren ’80 en de privatiseringsgedachte hadden in elk land gezorgd voor vragen over het nut, de positie, de opdracht, de toekomst en de betoelaging van de openbare omroep.
Ook had men ondervonden dat de peilers van zo’n eenheidsgroep in België onmogelijk waren doordat ons land verdeeld is over allerlei verschillende belangengroepen. De Belgische variant van de omroep was een wirwar van instituties die allemaal hun mening kwijt wilden op de omroep. Hun belangen overvleugelden het streven naar een omroep die cultuur en samenleving bindt. Toch waren er mensen die bleven geloven in een monopoliehoudende openbare omroep.
2. Het veranderingsproces werd ook geholpen door de publieke omroep zelf. Want de kwaliteit van de objectiviteit van de openbare omroep viel tegen. Natuurlijk was dit erg en onrechtvaardig voor de nieuwsverwerkers en –verspreiders die wel ernstig omgingen met hun gecompliceerde opdracht. Want men moest honderden details van uiteenlopend gewicht reduceren en hanteerbaar maken tot een handvol hoofdzaken. Maar toch schuilt er in die kritiek een waarheid. Een openbare omroep moet ervoor zorgen dat wie zich wil informeren, dat ook kan zonder vertekening, opiniëring of propaganda. Wie dan kiest om voor zo’n omroep te werken, moet iedere partijdigheid wegwerken en voorrang geven aan professionaliteit. Eerlijkheid moet de basis zijn van elke ernstige voorlichting. Maar daarnaast is ook deskundigheid nodig, want dan kent de journalist het onderwerp beter en zal hij beter de ware ontwikkeling van de gebeurtenissen kunnen achterhalen. Ook moet men voldoende afstandelijk zijn t.o.v. het onderwerp, los van de persoonlijke subjectieve relatie die men er eventueel mee zou kunnen hebben. Men mag zich bij de selectie van het nieuws bv. niet laten leiden door zijn eigen voorkeuren. Want men is er om heel de gemeenschap te dienen. Ten slotte moet men onbevooroordeeld op onderzoek gaan en zijn bevindingen meedelen, niet gekleurd met z’n persoonlijke visie. Een journalist zal een evenwichtig product afleveren als hij al deze kwaliteiten heeft en beschikt over degelijk materiaal. Want de berichtgeving kan misschien onvolledig zijn, waardoor dat het even-wicht verstoort. De vrijheid van nieuwsgaring bestaat enkel in democratische landen. Er zullen allerlei groepen proberen de media in hun dienst te stellen, daarom moet de journa-list stevig in zijn schoenen staan. Hij moet daarom ook kunnen rekenen op de steun van chefs, die zelf onafhankelijk zijn en die een onafhankelijke instelling beheren. De zelf-standigheid van de omroep moet worden gegarandeerd door financiële onafhankelijkheid.
3. Het was ook gebleken dat de derden geen middel waren voor een snelle groei naar een doeltreffende en doelmatige radio- en televisiepluriformiteit. Daar waren allerlei redenen voor, waaronder: 1) Vele uitzendingen waren eigenlijk gewoon propagandistische kanalen voor de eigen gedachten. 2) Door hun tekort aan middelen en door hun oubollige stijl waren ze meestal ongenietbaar voor de verwende luisteraar/kijker. Hun luister- en kijkcijfers vormden daarom een dieptepunt tussen de andere uitzendingen. Ze waren ook een stijlbreuk t.o.v. de gangbare programma’s van de publieke omroep. In 1997 werden al de Tv-uitzendingen van de sociaal-economische derden vervangen door het tweewekelijkse reportagemagazine De Late Shift. Sinds 2001 zijn alle Tv-uitzendin-gen van de politieke partijen vervangen door het parlementaire magazine Villa Politica. Daar krijgen de partijen de kans om hun standpunten bij bepaalde politieke thema’s en de handelingen van het parlement nader toe te lichten. Op de radio verandert er voorlopig niets.De levensbeschouwelijke uitzendingen blijven voorlopig wel bestaan. Moest men deze afschaffen dan zou de openbare omroep haar functie als dienst aan de samenleving ondermijnen. Want wij zijn een pluralistische staat die gebaseerd is op waarden die verankerd zijn in de levensbeschouwing en de religie. Hun verdwijnen zou dus een groot cultureel en democratisch tekort betekenen. Een civiele maatschappij kan maar bestaan als alle levensbeschouwelijke groepen hun stem kunnen laten horen. Momenteel is de situatie in de nieuwe VRT wel slechter voor de levensbeschouwelijke uitzendingen.
4. Nog een oorzaak was de inefficiënte werking van de BRT door de traagheid van de eigen bureaucratie en het loodzware administratieve werk. Uit een doorlichtingsonderzoek bleek dat er veel gemakzucht en profitariaat was. Want ondanks de veranderende omgeving bleef men geloven dat men de beste was. Pas na zes jaar concurrentie van VTM begon de openbare omroep zich ongerust te maken en werd er gezocht naar een verdedigingsstrategie. In 1994 legde de minister van cultuur een voorstel voor over de herstructurering van de BRT.
5. De publieke omroep gedroeg zich nog altijd alsof de kijkers niks te kiezen hadden . De interesses voor wat er bij de bevolking leefde, was niet echt groot. Bij de BRT voelden de programmamakers zich onaantastbaar en onbenaderbaar, maar terwijl vervreemden ze wel van het publiek. Pas na het schitterende succes van de VTM zijn ze bij de BRT gaan nadenken over het eigen imago en groeide de bereidheid om kritisch te kijken naar de eigen prestaties en de tevredenheid van de cliënten. De moderne kijker heeft weinig geduld, als het aanbod hem niet bevalt, zapt hij.

e. De omroep opnieuw op de snijtafel

Het werd dus tijd voor een herstructurering van de omroep. Vooral omdat de omgeving hard was veranderd. Zo waren er allerlei vrije radio’s ontstaan sinds jaren ’70. Ook was er drasti-sche verruiming van het buitenlandse televisieaanbod, dat via satelliet en kabel de abonnee bereikte. Ten derde werd diezelfde kabel gebruikt voor allerlei nieuwe diensten. Door al die nieuwe ontwikkelingen moest de BRT zich dringend aanpassen aan haar nieuwe omgeving. In 1981 stelt de regering voor om maatregelen te nemen om het omroepmonopolie van instellin-gen van het openbaar nut te vervangen door een stelsel van concurrentie. Er ontstond een verhitte discussie betreffende de inrichting van de Vlaamse omroephuishouding. Sommigen waren tegen het invoeren van commerciële televisie, wat voor hen stond dat gelijk aan een wereld van geld en macht. Dat stond gelijk aan het binnenhalen van de duivel. Daarbij verwezen ze naar ruige commerciële Amerikaanse, Italiaanse en Luxemburgse programma’s. Terwijl men best wist dat commerciële televisie geen ramp hoeft te zijn. In Groot-Brittannië werd bewezen dat een tweeledige omroepstructuur, met een commerciële en een niet-commerciële component, een evenwichtig geheel kan zijn.
In 1987 stemt de nationale wetgever de wet betreffende de radio- en televisiedistributie en betreffende de handelspubliciteit op radio en televisie. In datzelfde jaar wordt de Vlaamse Televisiemaatschappij (VTM) opgericht. De Vlaamse Executieve erkende VTM als enige niet-openbare televisievereniging voor Vlaanderen. De regering geeft VTM de toelating om handelspubliciteit in haar programma’s op te nemen. Tegelijk wordt beslist dat de openbare omroep geen commerciële publiciteit mag uitzenden en geen inkomsten mag verwerven uit sponsoring. Vanaf 1989 begint VTM met uitzenden.
Maar het vernieuwingsproces werd al gauw weer op de proef gesteld. Want allerlei technolo-gische vernieuwingen, het opkomen van nog meer aanbieders op de audiovisuele markt en de scenario’s van de Europese Commissie verplichtten de overheid tot nieuwe aanpassingen.

6. Nieuwe vormen van particuliere radio-omroep

De vechtmentaliteit van de eerste inbrekers

Na WOII werd door een strakke wetgeving de ether gesloten voor alles wat niet paste in het gecentraliseerde en door de politieke partijen geregelde omroepbestel. Sommige private omroepen trokken zich daarop teleurgesteld terug, maar anderen wilden dat niet accepteren. Zij namen in 1960 het heft in eigen handen.
Zo heeft De Caluwé bijna 20 geijverd voor het terugkrijgen van zijn zendvergunning. Toen dat onmogelijk bleek, begon hij illegaal uit te zenden van een schip op de Noordzee vanaf 1962. Radio Antwerpen bleef echter niet lang bestaan want 2 maanden later stierf De Caluwé.
Maar er kwamen wel allerlei nieuwe zendstations op schepen voor de kusten van Scandinavië, Groot-Brittannië en Nederland (zoals Radio Noordzee en Radio Veronica). Deze zijn het startsein voor initiatieven van zakenlieden die begrepen dat er handel zat in de ether. Ze kopieerden gretig de formules, zo ontstonden o.a. Radio Atlantis en Radio Mi Amigo. Daarna werden er in de jaren ’70 nog allerlei vrije radio’s opgericht door actie- en milieugroepen, minderheidsgroepen, belangengroepen en hobbygroepen.
Zij hebben ons een kleurrijker radiolandschap bezorgd en bijgedragen tot een succesvolle ontwikkeling van de reclamemarkt.
De opkomst van de vrije radio’s

Er werkten eigenlijk 10 factoren aanstekelijk op de pioniers:
1) De romantiek van de ether-piraterij
2) De hobby-achtige aanpak
3) De invloed van de veelkleurige Franse en vooral Italiaanse experimenten
4) Verwachtingen van de kleinschalige omroep voor het plaatselijke vormings- en ontwikkelingswerk
5) De droom van toegang te hebben tot het publiek
6) Het verzet tegen de conventionele manier van radio maken en de grote productiedwang
7) Mogelijkheden voor drukkingsgroepen en minderheidsgroepen bij actievoeren en belangenbehartiging
8) De enorme technische evolutie waardoor men zeer eenvoudig en goedkoop kon uitzenden
9) De kans op het doorbreken van het monopolie
10) Geen juridische leiding
Het startpunt van het private radio-initiatief ligt in ons land in Wallonië. In 1978 startten de uitzendingen van Radio Eau Noire, uit protest tegen de bouwplannen van een stuwdam nabij. Radio Verte verzette zich tegen gelijkaardige plannen. Vooral Radio Louvain-la-Neuve had succes. Dat was in 1978 opgericht door een aantal studenten op de campus, om het gemeen-schapsleven een impuls te geven. Rond hun RLLN werd in 1979 de eerste overkoepelende radiofederatie opgericht. Zij groepeerde de onafhankelijke radio’s en ijverde voor de ontheffing van de lokale radio’s uit het strafrecht.
In Vlaanderen startte Radio Aktief in Gent. Het wilde een studentenspreekbuis zijn, maar daarnaast ook een strijdzender voor de gewone Gentenaar met vooral aandacht voor sociaal bewogen onderwerpen. Er kwamen nog allerlei andere zenders, waaronder de Leuvense studentenzender Radio Scorpio. Die kwam in de ether met een alternatieve programmering en met als optie om misschien de officiële universiteitszender te worden.
De pioniers van de private radio zijn actieradio’s en strijdradio’s die ijveren voor ecologische en sociale doeleinden. Hun oprichters wilden het medium gebruiken om een gemeenschap te mobiliseren rond een specifieke lokale problematiek. Tegelijk ontstaan ook de community radio’s die zich toeleggen op het bevorderen van de lokale communicatie en de ondersteuning van het plaatselijk samenleven.
De radio moest niet alleen uitzenden, maar ook ontvangen. De luisteraar mocht niet geïsoleerd worden en moest tot spreken gebracht worden. De taak van de radio is om te zorgen dat de berichten die komen van de regering omgezet worden in antwoorden op de vragen van diegenen die geregeerd worden. De technische uitvinding was dus geschikt om maatschappe-lijke functies op zich te nemen. Daarom streed men voor het tenietdoen van de uitschakeling.
Ondertussen ontstonden er in de jaren ’80 overal honderden nieuwe illegale radio’s. Ze wisten met hun programmering het publiek te vinden dat bij de openbare radio niet of veel minder aan zijn trekken kwam. Sancties hielden hen niet tegen, want ze kwamen altijd terug.
Er is ook een grote verscheidenheid gekomen. Naast de strijdzenders en de communityzen-ders, kwamen er ook stations die louter werden opgestart voor de gezelligheid, voor hun plezier. Ook kwamen er commerciële zenders die droomden van een volwaardig alternatief voor het BRT-circuit. De twee belangrijkste eerste commerciële zenders waren Radio Contact en Radio Maeva. De verschillen tussen deze vier modellen van vrije radio’s waren aanzien-lijk, op het vlak van zendbereik, werkwijze, doelgroepen, financiële basis,… Daardoor werd Vlaanderen een onoverzichtelijk lappendeken.

De regeling van particuliere lokale radio

In 1981 werd er met een Koninklijk Besluit beslist om technische uitzendvergunningen toe te kennen en de programmatorische, organisatorische en andere inhoudelijke aspecten te regelen. Ook werd het decreet Poma (het eerste van de Vlaamse Radio) opgesteld om de niet-openbare radio’s te erkennen en te organiseren. Men wilde ruimte en kansen bieden naast de BRT en ook wilde men zo de lokale communicatie bevorderen. Want een stad- of streekradio is een geschikt instrument om een bijdrage te leveren aan het plaatselijke gemeenschapsbesef.
Maar met de gelijkschakeling van de niet-openbare en lokale radio worden wel de talrijke mo-gelijkheden van de particuliere radio gereduceerd tot slechts één enkele. Dat was een vergis-sing met grote gevolgen en daarnaast zorgde het decreet Poma nog voor andere spanningen.

Het decreet Poma

Er wordt beslist dat de radio eigendom moet zijn van een vzw, die als uitsluitend doel het verzorgen van een niet-openbare radio heeft. De zender moet gevestigd zijn in het Nederlandstalige gebied of in Brussel. De vzw mag maar 1 radio beheren en de radio moet onafhankelijk zijn van een politieke partij, een beroepsvereniging of van een organisatie met een commercieel doel. De programmatie moet inhoudelijk gericht zijn op een lokale gemeenschap en er moet een verscheidenheid zijn aan informatie, animatie, ontspanning en educatie. De programma’s moeten uitgezonden worden in het Nederlands, maar uitzonderingen zijn mogelijk. Verkiezingspropaganda mag niet. De uitzendingen moeten altijd starten en eindigen met de roepnaam van het station voor identificatie.
Ook wordt er een Raad opgericht voor niet-openbare radio’s, die de Vlaamse Executieve moet organiseren. In 1986 werden door de Raad de eerste 428 radio’s erkend. In de Mediagids worden de formele en de inhoudelijke erkenningsvoorwaarden duidelijk gespecificeerd. Maar de culturele doelstellingen moeten al gauw wijken voor economische. Al in 1985 wordt het uitzenden van handelsreclame toegestaan. Het bleek ook dat de erkenningsprocedure niet ideaal was verlopen. Slechts 8% van de erkende radio’s voldeed aan de voorschriften en 48% helemaal niet. Toch werd in 1988 de start gegeven van een tweede erkenningsronde, daarbij kregen 378 stations een vergunning.
Binnen de wereld van de niet-openbare radio’s kregen de kleinschalige radio’s het moeilijk, terwijl de overheid die juist probeerde te beschermen. Daarom groeide de noodzaak van samenwerking in nieuws- en reclameregies en ontstonden er netwerkradio’s, die niet alleen dezelfde naam droegen, maar die ook akkoorden opstelden in verband met programma’s en programmatie.

Het decreet van Van Rompuy en Chevalier

Het moest de groeiende commercialisering en ketenvorming tegengaan. Zij opteerden duide-lijk voor de niet-openbare radio’s op kleinschalig niveau. De belangrijkste bepalingen zijn:
• Zendbereikbeperking tot 8 km.
• Verplichting om 80% eigen programma’s uit te zenden en de helft van de nieuwsuitzen-dingen te vullen met lokale onderwerpen. Hoofdzakelijk streekgebonden handelsreclame.
• Verplichting van een eigen roepnaam, herkenningsmelodie en logo. De roepnaam en de herkenningsmelodie moeten 2 keer per uur worden uitgezonden.
• Meldingsplicht voor elk contract met programmaleveranciers en reclameregies.
• Verantwoordelijke eindredacteur bij de nieuws- en informatieprogramma’s.
• Bewaking van de journalistieke deontologie door de geschillenraad.
• De erkenningsprocedure werd versimpeld
• De duur van de nieuwe erkenningen werd van 3 op 9 jaar gebracht.
• De Raad van Niet-openbare radio’s wordt vervangen door een raad voor Lokale Radio’s. de taken blijven wel hetzelfde.
• De radio moet eigendom zijn van een vzw en gevestigd zijn in Vlaanderen of Brussel.
• Deze vzw mag maar 1 radio bezitten of exploiteren
• Afhankelijkheid van een politieke partij is verboden en de beheerders mogen geen politiek mandaat uitoefenen.
Het decreet werd van kracht in 1991. Maar het heeft weinig uitgehaald, want de sector verloederde en er kwamen allerlei protesten. Ten dele lag dat aan de radio’s zelf. Want het bleek moeilijk om een beluisterenswaardige kleinschalige privé radio van de grond te krijgen en te houden. Enthousiasme en charme van het nieuwe alleen bleken niet voldoende. Langs de andere kant lag dat ook aan objectieve tekorten en fouten in de regelgeving. Want er waren te veel strikte regels en administratieve verplichtingen. Door het verbod op landelijke reclame zorgde dat ook voor financiële problemen. Doordat alle lokale radio’s samengeperst zaten op de frequentieband, zorgde dat voor geluidschaos.
Bovendien reageerde de BRT-radio zeer alert op de nieuwe concurrentie, ze vervolledigden hun aanbod met Studio Brussel in 1983 en Radio Donna in 1992. Ook was er de komst van de nachtradio, de regionalisering van het tweede net en de invoering van radioreclame in 1990. Sinds de jaren ’90 zijn het topjaren voor de publieke omroep, zelfs de komst van de 2 landelijke commerciële zenders Q-Music en 4FM heeft ze goed opgevangen. Volgens de laatste cijfers van het CIM halen de 5 radiostations van de publieke omroep een marktaandeel van 85,1%. Nergens anders in Europa zijn er zulke hoge cijfers.




Het decreet van 7 juli 1998

Door al de problemen kwam er een derde radiodecreet. Men opteert voor minder, maar beter beluisterbare lokale stations, met een groter zendbereik. Alle radio’s mogen netwerken vor-men en samenwerken rond programma-aanmaak, informatievergaring en reclamewerving. De lokale radio’s moeten wel minstens viereneenhalf per dag eigen programma’s verzorgen. Elk van deze programma’s moet onafgebroken minstens 30 minuten duren. 10% van de eigen pro-gramma’s moet informatie bevatten van het eigen zendgebied en men moet minstens 3 jour-naals per dag verzorgen. De informatie moet onpartijdig en redactioneel onafhankelijk zijn. Erkenningen worden toegekend op rekening houdend met een frequentieplan, de infrastruc-tuur en de radio-ervaring van de medewerkers.
Maar een nieuw frequentieplan was niet tijdig klaar, waardoor er geen nieuwe radiolandschap kwam, maar de licenties gewoon werden verlengd. Toch gebeurde er wat, want 60% van de radio’s sloten zich aan bij een keten, o.a. Contact Groep, Family Radio, NRJ of Top Radio en Radio Mango (van de Vlaamse Media Maatschappij, moedermaatschappij van o.a.VTM)

Een grondige herschikking van de particuliere radio-omroep

In 1999 besliste de nieuwe regering voor de uitbouw van een volwaardig radiolandschap bestaande uit 3 types: lokale, regionale en landelijke radio’s. Van Mechelen stelde een decreet op dat in 2000 door het Vlaams Parlement werd goedgekeurd. Er zou plaats zijn voor 2 landelijke commerciële radio’s. Er was wel weerstand van de buurlanden en van de Duitse en Franse gemeenschappen om de nodige ruimte in ether te krijgen. Alle Vlaamse mediagroepen hadden belangstelling, maar er werd in 2001 gekozen voor 4FM (Think Media en De Vrije Pers) en Q-Music (VMM). Het Vlaams Commissariaat voor de Media had geoordeeld op basis van 4 criteria: inhoudelijke programmatie, media-ervaring, businessplan en de technische infrastructuur. De verliezers reageerden ontgoocheld. Met 4FM en Q-Music werd het monopolie van de openbare omroep doorbroken, maar geen van beide was een hype. De directe concurrenten Donna en Radio 2 bleven stevig.
Het Vlaams Parlement heeft vorig jaar nog een decreet goedgekeurd. Dat voorziet in de oprichting van 5 regionale zenders, 1 per provincie. De radio’s mogen niet samenwerken, maar ze mogen wel allianties afsluiten met lokale radio’s uit dezelfde provincie. Daarnaast is er plaats voor 200-250 lokale radio’s, zij mogen deel uitmaken van een netwerk. De erkenningen worden uitgereikt in september en zijn dan geldig voor 9 jaar.
Op dit moment overheerst de VRT nog altijd overduidelijk.

7. De toetreding van nieuwe commerciële televisieaanbieders

Na lang onderhandelen bereiken 5 weekbladgroepen en 4 dagbladuitgevers een akkoord over de samenwerking in een commerciële zender. Ze geloven dat hun aandeelhouderschap de terugloop van de reclame-inkomsten bij hun dagbladen en magazines ruim zal opvangen. Maar het decreet Poma wordt in 1985 niet gestemd omdat men ideologische en filosofische discriminatie erin ontdekt. Door het Heizeldrama worden de deelregeringen in 1985 ontbonden. Na de verkiezingen wil de nieuwe coalitie doorgaan met de geplande omvorming van het televisiebestel.
In de Franse Gemeenschap vertrouwt men de niet-openbare omroep toe aan de Luxemburgse omroep RTL, die in samenwerking met het merendeel van Franstalige uitgevers hiervoor de maatschappij TVI opricht. Maar in Vlaanderen is er veel scepticisme t.o.v. de leefbaarheid van een commerciële zender, wegens de beperkte advertentiemarkt en de grote concurrentie van buitenlandse zenders.
Maar het decreet in 1987 geeft een zicht op de komst van 4 soorten niet-openbare televisie: 1) 1 zender die zich richt tot heel Vlaanderen, 2) regionale of lokale zenders, 3) zenders gericht op een specifieke doelgroep, 3) betaalomroepen. Tegelijkertijd wordt er ook een nieuwe wet op de etherreclame goedgekeurd.

Landelijke commerciële televisie

In 1987 wordt de Vlaamse Televisie Maatschappij opgericht en in 1989 begint ze uit te zenden. De oorspronkelijk aandeelhouders zijn: dagbladondernemingen Hoste/De Persgroep, De Vlijt, Het Volk en Concentra en weekbladen-uitgevers Perexma, Roularta Media Group, Almaspar, Internationale Uitgeversmaatschappij en Tijdschriften Vereniging voor Vlaande-ren (TVV). In 1991 verwierf De Belgian Media Holding de controle over de Almaspar-aande-len, waardoor 1/9 van VTM in handen kwam van een niet-uitgever. Begin 1993 nam de Nederlandse Uitgeversgroep VNU Perexma en TVV over en kocht daarna nog 9,6% VTM-aandelen over van De Vlijt? Daardoor beschikte een Nederlandse uitgeverij over 44,3% van de VTM-aandelen. Als reactie brachten BMH, Concentra, De Persgroep, Roularta en Het Volk hun aandelen onder in de Vlaamse Verankerings Holding VMH die daardoor 55,55% van VTM controleerde. Door de overname van Het Volk in 1994 verkreeg VUM ook VTM-aandelen, maar door kritiek op haar machtspositie, verkocht ze haar aandelen in 1995 aan De Persgroep. In 1996 verkoopt BMH haar aandelen aan de resterende Vlaamse uitgevers. In 1997 verkoopt Concentra zijn aandelen aan De Persgroep en Roularta die dan elk de helft van VMH in handen krijgen.
De geschiedenis van VTM heeft 2 kanten:
1. Het succesverhaal. Van bij het begin werd VTM direct goed ontvangen bij het publiek. Ze schiet bijna direct omhoog naar een aandeel in de Vlaamse kijkcijfers van 40% en verslaagt zo de BRT, die met haar beide zenders nog maar 33% haalt. De Nederlandse publieke zenders halen nog maar 9%. De komst van VTM veroorzaakt ook grote verschuivingen op de Vlaamse reclamemarkt.
2. Het andere verhaal. Door de gespannen verhoudingen tussen het management en de eigenaars van VTM kwamen er veel ontslagen, dalende kijkcijfers, dalende reclame-inkomsten en tegenvallende bedrijfsresultaten. De oorzaak was de komst van VT4, die werkte met een Britse licentie, waardoor de Vlaamse regering er niets tegen kan doen.
Vanaf 1994 kwam VT4 op de markt met een Britse licentie, waardoor omzeilde ze het monopolie van VTM en was ze niet gebonden aan de strenge Vlaamse regels. Vele media-actoren wilden dit stoppen, maar door de Europese regels van het vrije verkeer van diensten konden ze dat niet. In 1998 sneuvelde het Vlaamse wettelijke reclamemonopolie, omdat het in strijd is met de Europese concurrentieregels. Sindsdien kunnen ook andere Vlaamse commer-ciële zenders van start gaan. Toch bleef VT4 nog in Groot-Brittannië, door de meer liberale wetgeving op kinderreclame en door de Vlaamse verplichting om een nieuwsprogramma te maken. Vorig jaar kwam VT4 toch naar Vlaanderen. VTM kreeg ook nog een tweede klap, want sinds 1997 is er een hernieuwde openbare omroep onder de naam VRT en die kreeg terug heel veel kijkers. Ondertussen zijn de CIM-cijfers voor VTM weer wat beter. Ook startte VTM in 2001 met een jongerenzender JIM-TV, met vooral veel muziek.
Begin 2001 keurde de VCM de komst goed van 2 nieuwe algemene zenders van SBS Broad-casting: de jongerenzender VT5 en de familiezender SBS5. De eerste is intussen gebruikt voor de vervlaamste VT4 en de andere moet nog komen. Ook de NV Mediacom heeft zo’n vergunning voor TV2000, maar die is ook nog altijd niet geactiveerd.



Regionale televisie

Met het decreet van 1987 werd ook het juridische kader gecreëerd voor de ontwikkeling van niet-openbare regionale televisie van Vlaanderen. Uiteindelijk kregen er vier regionale televisieverenigingen in 1988 een erkenning voor negen jaar: ATV, AVS, RTVO en RTVL (nu ROB-TV). AVS begon als eerste uit te zenden in 1989, die alleen kon bekeken worden door de kabelabonnees in Meetjesland. De andere drie durfden dat nog niet wegens een zwakke financiering of wegens onenigheid met de kabelmaatschappijen. Pas na een decreet in 1991 betreffende de regeling van reclame en sponsoring en een decreet over de regeling van de regionale televisieomroepen kan de regionale televisie in Vlaanderen echt van start gaan.
• Het aantal openbare regionale televisieverenigingen is beperkt tot 11, evenwichtig verspreid over de provincies. Het verzorgingsgebied is beperkt tot 15% van het aantal inwoners in het Nederlandse taalgebied. Alle regionale zenders hebben een vzw-structuur.
• Drieledige beheerstructuur: algemene vergadering, raad van beheer en adviesraad. Telkens is er een representativiteitsvereiste.
• Samenwerking tussen regionale zenders of met een landelijke zender mag niet leiden tot eenvormigheid op het vlak van reclame, financiering of programmatie. Voor nieuwsgaring mag samenwerking wel.
• 80% van de programmatie moet betrekking hebben op de eigen zendregio. De maximale zendtijd=200 uur per jaar uit te zenden voor 19.30, herhalingen en rechtstreekse uitzendingen door derden zijn daarbij niet inbegrepen.
• Kabelmaatschappijen zijn verplicht om de regionale kanalen kosteloos en gelijktijdig door te stralen.
• Ze kunnen een beroep doen op streekgebonden reclame en sponsoring, ook kunnen publieke overheden, intercommunales en de Vlaamse Gemeenschap toelagen geven, maar ze zijn dat niet verplicht.
In 1992 werden terug de pioniers erkend ATV, RTVL, WTV-Zuid en AVS en in 2001 werden ze op nieuw erkend voor 9jaar. In 1993 worden er 5 nieuwe omroepen erkend: Tele-Visie Limburg, ADS-Kanaal Drie, Focus-TV, TV Brussel en Tv-Kempen. In 1994 werden er nog 2 omroepen erkend: Regionale Televisie Vlaams Brabant en TV-Mechelen. Ring-TV ging in 1995 van start. TV-Mechelen kwam maar niet van de grond, waardoor er werd gekozen voor een samenwerking met Tv-Kempen. Daarvoor wijzigde de overheid haar besluit over de niet-openbare regionale televisievereniging. De gefuseerde zenders werken vanaf 1995 onder de naam RTV. Vorig jaar zijn de West-Vlaamse zenders WTV en Focus gefuseerd in de Regionale Mediamaatschappij.
De regionale televisie heeft ondertussen een vaste plaats verworven in het omroeplandschap. Volgens recente CIM-cijfers kijken dagelijks 1.500.000 Vlamingen naar regionale zenders. TV Limburg is de best bekeken regionale zender, WTV op 2 en ATV op 3. Het succes wordt veroorzaakt doordat ze berichtgeving verzorgen van lokale aard en mensen voelen zich aangetrokken door zaken die zich afspelen in de nabije omgeving. Door het systeem van de herhalingen kan iedereen inhaken op welk moment dan ook.
De mogelijkheden van de regionale zenders worden wel beperkt door allerlei verordeningen die belemmerend werken. Vooral de financiering was een probleem, door de onduidelijke afbakening van de zendgebieden, de ontgoochelende reclame-inkomsten en ook van de over-heid kwam er niet veel geld. Terwijl dat TV een heel duur medium is. Er zijn wel een aantal oplossingen gekomen: een toegestane verruiming van de zenduren van 200 tot 300, wegvallen van verplicht aanvangsuur, toelating om ook landelijke reclame uit te zenden, toelating van prijsvermeldingen bij reclame,… De Vlaamse regering sprak ook twee fasen af: een korteter-mijnbijsturing, die bij een decreet in 2000 werd afgesproken:
• Regionale televisie werd voortaan een volwaardig, en geen complementair medium. Het brengen van regionale informatie blijft wel centraal. Men mag zendtijd ter beschikking stellen van regionale actoren, maar de zender blijft dan wel zelf verantwoordelijk.
• De beperking van de zendtijd tot 300uur per jaar wordt afgeschaft, maar men is niet verplicht om meer dan 300uur uit te zenden.
• De reclame mag niet meer dan 15% van de jaarlijkse zendtijd uitmaken, boodschappen van openbaar nut tellen niet mee. Daardoor worden de mogelijkheden uitgebreid.

Ter voorbereiding van de langetermijnaanpassing werd in 2000 het onderzoeksbureau PPM de opdracht gegeven om de economische leefbaarheid van de regionale televisiezenders te onderzoeken. Drie omroepen bleken leefbaar (ATV, TV-Limburg en RTV), vier gingen de goede kant op, maar voor drie waren de vooruitzichten slecht (Ring-TV, ROB-TV en TV-Brussel). Hun probleem leek een te klein zendgebied te zijn, vooral bij Vlaams-Brabant. Daarom zou een fusie tussen ROB-TV en Ring-TV een oplossing kunnen zijn. PPM vond het geen goed idee om de regionale TV rechtsreeks te subsidiëren vanuit de Vlaamse Gemeenschap. Provincies en lokale besturen mogen toelagen verstrekken, eventueel in ruil voor overheidscommunicatie. Ook een aandeel van de regionale omroepen in de kabelrechten kan helpen. PMM stelt dat een commerciële organisatie de beste structuur is, met een pluralistisch samengestelde stichting.
Bij de regionale televisie is er nood aan nieuwe initiatieven, aan meer verscheidenheid in het programmapakket. Dus niet alleen herhaalde blokprogramma’s. Moeiteloos valt er in heel de regio een lijst aan originele onderwerpen te bedenken, dus inhoud genoeg. Misschien zouden er grensoverschrijdende regionale televisie moeten komen in de opkomende nieuwe Europese interregio’s. Het eindpunt van de evolutie zou dus Euroregionale televisie zijn.

Doelgroepentelevisie

Het initiatief bleef aanvankelijk beperkt tot Kinder-Atelier. Want vele Tv-makers keken op tegen de hoge kosten om een klein station op te zetten, terwijl de adverteerders weinig overtuigd waren. Kinder-Atelier startte in 1992, de doelgroep was kinderen van 1 tot 14 jaar en de erkenning was geldig voor 2u. kinderprogramma’s per week, voor de hele Vlaamse Gemeenschap. In het begin huurde het zendtijd op TV2, later kwam het op de mozaïek. Vanaf 1995 stelde VTM gratis zendtijd ter beschikking. Het project stopte in 1997.
Men startte in 1997 met een tweede doelgroepenzender Senior-TV, die zicht richtte tot 50-plussers en werd uitgezonden op VTM. Maar na 5 maanden bleek het al niet meer leefbaar.
De derde doelgroepenzender Kunstkanaal Vlaanderen kreeg in 1994 een vergunning. Maar de initiatiefnemers vonden onvoldoende financiële middelen om aan het werk te gaan. In 2000 werd de vergunning ingetrokken.
Toch kwamen er nog initiatieven van andere ondernemingen. Zo startte TNNC met uitzendingen voor specifiek kleine groepen. Maar het ging failliet in 1999.
In 1999 ontstond Event TV die programma’s wilde maken rond evenementen. Een half jaar later moest het al stoppen, wegens tegenvallende kijkcijfers en reclame-inkomsten. De vergunning werd verkocht aan zakenman Belhassine, die de zender herdoopte in LibertyTV. De reiszender behield wel het statuut van algemene zender en het daaraan gekoppelde must-carry-statuut, waardoor de kabelmaatschappijen dat moeten uitzenden.
In 1999 startte Kanaal Z, een zakenzender. Het kende wel een moeizame organisatorische en technische start. Maar daarna trok Kanaal Z al snel 250 à 300.000 kijkers door zijn economisch en financieel journaal. Sinds 2000 heeft het een Franstalige broer: Canal Z. In Brussel is er een tweetalige versie op de kabel. In 2001 startte Belgian Business Television, het bedrijf dat Kanaal Z overkoepelt, samen met Holland Media Groep een gelijkaardige zender op in Nederland: RTLZ. Maar de BBT kwam al gauw weer in de problemen, waardoor ze zich terugtrok uit het Hollandse initiatief. Het kwam in financiële problemen, waardoor de Roulartabaas geld ophaalde bij Belgacom, de Mercator Group, Euronext en een dozijn beursgenoteerde ondernemingen. Maar de spanning blijft.
In 2000 ging Vitaya van start, ook met een must-carry-statuut. Het is een themazender rond gezondheid, schoonheid, fitness, koken, reizen,… Het zendt 24 uur per uur uit volgens het lussysteem. De programma’s worden gebundeld in een blok van 7 uur dat herhaald wordt en regelmatig opgefrist wordt. De oprichting van een Franstalige zender is overwogen.
In 2000 kreeg ook nog Netwerk-televisie(N-TV) een must-carry-statuut. Het wil programma’s maken voor computergebruikers en internetsurfers. Het zou ongeveer klaar moeten zijn.
De Frans-Duitse cultuurzender Arte, bestaat ondertussen al 10 jaar. De oprichting was een politiek symbool van de goede verstandhouding tussen de landen. Voor de helft in handen van La Sept-Arte, voor de andere helft in die van ARD en ZDF. De programma’s zijn gemeenschappelijk maar worden in een Duitse en een Franse versie in de ether gestuurd. Het doel was dubbel: culturele programma’s maken en de Europese volkeren dichter bij elkaar brengen. Arte breidt de samenwerkingsakkoorden nog uit, om een echte Europese zender te worden.

Betaaltelevisie

Filmnet was de eerste betaalomroep in België met twee netten vanaf 1992. In 1997 werd Filmnet omgedoopt tot Canal+. Het aanbod bestaat vooral uit film en sport en sinds 1998 is er ook een gevarieerd zendpakket dat digitaal wordt doorgegeven. Via dat digitale platform kan de abonnee via de telefoon films bestellen en betaalt hij per film (pay-per-view). Vijftien jaar geleden werd de betaaltelevisie door veel deskundigen geizen als een beloftevol nieuw medium. Maar Canal+ heeft maar 155.000 abonnees en ook elders in Europa gaat het niet veel beter.

Thuiswinkeltelevisie

In 2001 keurde het Vlaams Parlement een decreet goed die het mogelijk maakte dat er tv-omroepen werden opgericht die enkel telewinkelprogramma’s maken. Men mag op deze zenders ook gewone reclame uitzenden, maar die mag niet meer dan 15% van de dagelijkse zendtijd bevatten. De Duitse Home Order Television (HOT) kreeg in 2001 een erkenning. Eerst waren de programma’s alleen in en rond Antwerpen te zien, via de kabelmaatschappij Integan. Want HOT had geen must-carry-statuut, waardoor het zich moeilijk verspreidde in Vlaanderen. Ook was de financiële situatie niet goed, waardoor HOT het moest opgeven. Het is trouwens de vraag of er marktruimte voor is in Vlaanderen, met de groter wordende Internetwereld, via waar je ook koopjes kan vinden.

De positie van de openbare omroep kwam door de verruiming van het programma-aanbod onder druk te staan. Vooral VTM speelde goed in op de voorkeuren van het publiek. De publieke omroep zocht daardoor naar vernieuwende wegen.

8. Van BRT naar VRT: De publieke omroep in opgepoetste vorm

Sinds de jaren ’80 kwam er een einde aan de monopoliesituatie van de BRT. Want de opko-mende commerciële concurrenten en kabelzenders namen het grootste deel van het publiek in. Daardoor werden er wijzigingen ondernomen.

De wijziging van het decreet van 28 december 1979

De eerste stap was het Minidecreet waardoor belangrijke wijzigingen werden aangebracht aan het decreet van 1979. Het garandeert de BRT een verhoging van de dotatie en bijkomende inkomsten uit sponsoring van openbare instellingen op de TV en uit reclame op de radio. De echte herstructurering van de openbare omroep begon pas voorgoed met het decreet van 1991.

Het decreet van 27 maart 1991

In 1991 kreeg de BRT de nieuwe naam BRTN. Het kreeg een grotere autonomie en meer organisatorische flexibiliteit. Dat was nodig om haar opdracht te vervullen, om de culturele identiteit van de Vlaamse Gemeenschap uit te stralen en om een stabiele positie te verkrijgen in de mediawereld. Daarom:
• De overheidsfinanciering gesplitst in een vaste dotatie en een aanvullende werkingstoelage (2% van het kijk-en luistergeld in het Nederlandse taalgebied), die wordt pas toegekend als de BRTN haar wettelijke verplichtingen nakomt.
• Financiering uit sponsoring en reclame onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
• BRTN mag schenkingen en legaten ontvangen en mag, mits toestemming van de Vlaamse Executieve, leningen aangaan. Ook mag zij eigen producties verkopen en diensten laten betalen.
• BRTN mag zich verenigen met andere openbare instellingen, vzw’s oprichten en /of samenwerken met particuliere ondernemingen. Bij een samenwerking moet de BRTN een meederheidspositie innemen in het beslissingsorgaan.
• De BRTN moet een vijfjarenplan indienen. Daarin worden vooruitzichten meegedeeld inzake uitzenduren, personeelsbehoeften, infrastructuur, financiën en wordt het programmabeleid toegelicht. Het moet elk jaar worden bijgestuurd en voorgelegd worden ter goedkeuring aan de Vlaamse Raad.
• Naast het vaste kader, kan men vanaf dan ook beroep doen op contractuele medewerkers.
• De lang beloofde Adviesraad van kijkers en luisteraars wordt eindelijk opgericht, die moet de Raad van Bestuur adviseren in verband met de algemene inhoud en de programmatie van de uitzendingen.
• De dwangvoogdij van een vertegenwoordiger van de Vlaamse regering wordt afgeschaft. Die mag er alleen nog op toezien dat de beslissingen van de Raad van Bestuur wettelijk zijn.
• De objectiviteitsregel wordt vervangen door een onpartijdigheidsregel
• De gezamenlijke zendtijd voor Tv-derden wordt teruggebracht van max. 125 tot 100u. per jaar. De radioderden krijgen gezamenlijk 80 uur zendtijd per jaar.
De ingreep werkte niet, want het bleef slecht gaan met de BRTN.

De Medianota Weckx en de voornemens van Eric Van Rompuy

Men wil de raad van bestuur afslanken tot 7 leden die zich nog enkel bezighouden met de grote krachtlijnen van het BRTN-beleid. Het dagelijks bestuur wordt toevertrouwd aan een vierkoppige directiecomité dat een mandaat voor vijf jaar krijgt. De publieke omroep moest een slanke, wendbare organisatie hebben om snel te kunnen reageren op nieuwe situaties. Maar door de vervroegde verkiezingen kon van die aanpassingen geen werk worden gemaakt. De nieuwe Vlaamse regering stelt een regeerakkoord op in 1995 dat stelt dat de openbare omroep onmiddellijk moet worden hervormd:
• Nieuwe taakomschrijving: de openbare omroep moet zich als kwaliteitszender profileren. Met de sectoren informatie, eigen drama, cultuur en amusement van het betere soort.
• Maximale autonomie, zodat het zijn openbare dienstverlening kan realiseren. Daarbij worden criteria gehanteerd die gericht zijn op kwaliteit en niet alleen op de kijkcijfers.
• Bevoegdheden van de raad van bestuur en het dagelijkse beheer worden duidelijk afgebakend. Ook een open en soepel personeelsbeleid.
• Een gemengde financiering: indien de nodige compenserende financiële middelen kunnen worden gevonden, moet worden gestart met de afbouw van televisiesponsoring, uitgezonderd sponsoring van evenementen.
Op basis van een bedrijfsonderzoek begint Van Rompuy een hervormingsvoorstel uit te werken. Dat komt er in 2 delen. Het eerste wordt in 1995 door de Vlaamse Raad goedgekeurd.

Het minidecreet

Alle leidinggevenden van 60 jaar en ouder worden met vervroegd pensioen gestuurd en deels vervangen door managers. De opdracht van de BRTN:
• Zoveel mogelijk kijkers en luisteraars bereiken met een diversiteit van programma’s
• Kwalitatief aanbod van informatie, cultuur, educatie en ontspanning. Zowel de inhoud als het taalgebruik moet kwalitatief zijn. Er worden ook nieuwe talenten en expressievormen gebuikt en sommige programma’s moeten gericht zijn op specifieke doelgroepen.
• De programma’s moeten bijdragen tot ontwikkeling van identiteit en diversiteit van de Vlaamse cultuur en tot een democratische en verdraagzame samenleving. Het moet zorgen voor een onafhankelijke, objectieve en pluralistische opinievorming.
• Voldoende programma’s die gericht zijn op een breed en algemeen publiek. De beoogde doelgroepen moeten ruim zijn en ook effectief worden bereikt.
• Eventuele nieuwe mediatoepassingen zoveel mogelijk toepassen in de programma’s.
De hele bestuurlijke hiërarchie maakt plaats voor een bedrijfsleiding met de gedelegeerd bestuurder en zijn directiecomité. De gedelegeerd bestuurder neemt alle operationele beslis-
singen en staat in voor de externe vertegenwoordiging van de instelling. De raad van bestuur moet een weerspiegeling zijn van de maatschappelijke geledingen. Die neemt alleen nog grote strategische en budgettaire beslissingen. Deze veranderingen moeten leiden tot een moderne bedrijfsvoering. In 1996 wordt Bert De Graeve aangesteld als nieuwe topman. Op dat moment keek nog maar 1/5 van de Vlamingen naar de publieke omroep. Hij begint in samen met z’n medewerkers en de Vlaamse Regering aan de voorbereiding van het maxidecreet.

Het maxidecreet

De naam BRTN verandert in VRT. Sinds 1990 gebruiken de radionetten een eigen roepnaam en op TV circuleren sinds kort de namen TV1, Canvas en Ketnet. De openbare omroep wordt omezet in een naamloze vennootschap die voor 100% in handen blijft van de Vlaamse overheid. Nieuwe personeelsleden worden alleen nog maar contractueel in dienst genomen. De VRT stelt zijn programma-aanbod en uitzendschema autonoom op. In de programma’s moet elke vorm van discriminatie geweerd worden. Voor nieuws- en informatieprogramma’s geldt de plicht tot onpartijdigheid en waarheidsgetrouwheid. De nieuwsprogramma’s moeten voldoen aan de normen inzake journalistieke deontologie en redactionele afhankelijkheid.
De VRT moet ofwel een tweewekelijks programma van 30min. uitzenden of een wekelijks programma van 15min., als duiding van sociaal-economische onderwerpen. De verantwoor-delijkheid voor deze programma’s ligt bij de VRT. De TV- en radioprogramma’s door levensbeschouwelijke, politieke (en sociaal-economische) verenigingen worden ingeperkt. De erkenning van Tv-derden en radioderden gebeurt door de Vlaamse regering voor vijf jaar. Elke erkende vereniging krijgt een kostendekkende subsidie van de Vlaamse Gemeenschap. De VRT moet zijn technisch(e) personeel en uitrusting ter beschikking stellen.
De VRT is ook verplicht om de mededelingen van de Vlaamse regering, het Vlaams Parlement en de federale regering kosteloos uit te zenden. De Vlaamse regering moet ook een beheersovereenkomst afsluiten met de VRT voor vijf jaar. Deze bevat vooral de doelstellin-gen voor de openbare omroep en de dotatie die nodig is om deze te bereiken.
In 1997 wordt de eerste beheersovereenkomst gesloten. VRT moet met z’n 5 radionetten 55% van de bevolking bereiken. De profielen worden ook vastgelegd: Radio 1: bekwame, informa-tieve en boeiende uitstraling, Radio 2: amusement en regionale informatie, Radio 3: klassieke muziek en culturele informatie, Studio Brussel: jonge rock-en popzender en Radio Donna: vlotte muziek, berichten over actualiteit, lifestyle, ontspanning en cultuur. Radio Vlaanderen Internationaal moet informatie geven aan Vlamingen in het buitenland en moet Vlaanderen promoten bij vreemdelingen in het binnen- en buitenland. Alle radionetten moeten dagelijks min. 50min. nieuws uitzenden. De profilering van de netten zal aangepast worden o.a. op ba-sis van luisteronderzoek. Zo wordt Radio 3 in 2001 gerestyled, onder de naam van KLARA. Men zou binnenkort ook met digitale radio beginnen.
Op Tv-gebied: Het eerste net: TV1: levendig, opgewekt en toegankelijk Tv-net en leiding-gevend op het gebied van informatie. De nadruk ligt op kwaliteitsvol amusement. Het tweede net moet langs de ene kant informatief, deskundig en leerrijk zijn en langs de andere kant moet het zich richten tot kinderen en jongeren. De twee netten moeten op wekelijks 76% van de bevolking bereiken. Voor de journaals, de duidings- en de informatieprogramma’s is een gemiddelde van 1.500.000 kijkers pers dag het streefdoel. De 76% van de kinderen van 4-12 jaar zouden wekelijks naar de openbare omroep moeten kijken.
Als de omroep haar doelstellingen bereikt dan wordt de overheidsdotatie jaarlijks met 4% verhoogd. De VRT kan ook inkomsten halen uit de exploitatie van de eigen producties en infrastructuur, uit reclame op radio, uit sponsoring op radio en televisie, uit boodschappen van algemeen nut en uit coproductie en cofinanciering. Jaarlijks moet de VRT een evaluatierap-port opstellen over de geleverde prestaties.
Vanaf 1997 ging TV1 van start met een zonnig logo , met nieuwe programma’s (middagjour-naal) en met een verschuiving van het avondjournaal naar 19u, waardoor er rechtstreekse concurrentie is met het VTM-nieuws. Het tweede net wordt opgesplitst in 2 blokken. Van 17u tot 20u is er Ketnet, het richt zich tot jongeren van 4 tot 16 jaar. Vanaf 20u is er Canvas met zware, informatieve programma’s, documentaires, films, rechtsreeks sport,…
Het marktaandeel steeg duidelijk, van 22,6% in 1996 tot 35,9% in 2002. de financiële resultaten zijn meer dan behoorlijk.

De nieuwe beheersovereenkomst

De belangrijkste punten zijn:
• De rol en de opdracht van de publieke omroep blijft, met de nadruk op kwaliteit
• Een beperking van de reclame en sponsoring. Mag niet meer dan 50miljoen € bedragen, waarvan 40,9miljoen € uit radioreclame en 0,9miljoen € uit televisiesponsoring. Daardoor is er minder reclame in het ochtendblok van Radio 1 en Klara blijft reclamevrij.
• De VRT is niet verplicht een percentage uit de reclame-inkomsten te besteden aan de filmsector. Wel stimuleert de regering de samenwerking met het Vlaams Audiovisueel Fonds.
• T.o.v. de beperking van de private middelen staat er een verhoging van de overheidsdotatie van 6,2 miljoen € naar 229 miljoen €. Dit is ter versterking van de Canvasprogrammatie en de differentiëring van het nieuws.
• Dat geld krijgt de openbare zender alleen als de vooropgestelde normen zijn behaald. Per dag moet de VRT 1,5miljoen kijkers bereiken. Voor de informatieprogramma’s met ze een waarderingscijfer van minstens 75% behalen.
• VRT moet een voortrekkersrol spelen bij de nieuwe interactieve mediadiensten. Daarom werd er een afzonderlijke afdeling e-VRT opgericht. Het is een onderzoeks-en ontwikkelingsforum dat als doel heeft, het organiseren van nieuwe, interactieve, programmeringsvormen, projecten en toepassingen via TV en internet.
De omvorming van BRT naar VRT gaat gepaard met goede rapportcijfers. Tenzij Q-Music en 4FM zich anders gaan oriënteren en de lokale en regionale private zenders op een totaal andere manier radio beginnen te maken, loepen de concurrenten achter op de feiten.

9.Epiloog

Waar moet het heen met de omroep in het tijdperk van de nieuwe media?
1) In de jaren ‘80 wordt er eindelijk door Poma en Dewael wat zaken verandert bij de openbare omroep. In 1987 verliest de publieke televisie haar monopoliepositie, hoewel die lang als vanzelfsprekend werd beschouwd. De periode van het echte zappen begint.
2) De herinrichting van het omroepbestel betekent natuurlijk niet automatisch een verbete-ring. Maar men was, door de scherpe scheiding tussen publieke en private omroep, wel op weg naar een meer realistische ordening van radio en TV. Van bij de start in 1953 hadden cultureel bewuste programmamakers geprobeerd ons denken, voelen en doen vorm en richting te geven door het aanbieden van hoog culturele en educatieve programma’s. Maar wat in het verleden gefunctioneerd heeft, moet daarom nog niet de norm zijn. De versnel-ling van de socio-culturele ontwikkelingen, de gewijzigde maatschappelijke context en de technische groei rechtvaardigden allemaal de vraag of dit gesloten systeem nog paste in onze open samenleving met het tijdsbeeld. Waren er nog wel argumenten om dit omroepmonopolie te laten gelden? Weinigen in Europa willen af van de publieke omroep, de waarden die er achter liggen zijn blijvend. Maar daarnaast moeten er andere zenders zijn, want als enige zender(s) is dat niet voldoende. Men heeft verschillende zenders nodig die landelijk, regionaal en lokaal, voor een algemeen publiek of een voor bepaalde doelgroepen een ander, eigen aanbod scheppen. Daarom is de afbouw van het monopolie, zowel voor de TV als voor de radio, een belangrijke stap.
3) Welke publieke omroep willen wij? Het is belangrijk dat de overheid een inspanning doet om er een open, vitale en professionele organisatie van te maken. Het is wel belangrijk dat naarmate er mee zenders komen, dat de publieke omroep haar eigen identiteit en stijl duidelijk herkenbaar maakt en bevestigt. Bij sommige critici is er twijfel dat de VRT op principiële gronden een ideaal probeert trouw te blijven, maar in de praktijk eerder uitgaat van het bereik en de kijk-en luistercijfers. De publieke omroep moet een publieke taak vervullen. Ze moet programma’s maken die er anders niet zouden zijn, een tegengewicht, een alternatief. De nadruk zou moeten liggen op integratie en niet op fragmentatie.
4) Als de overheid op de radio- en televisiemarkt een eerlijke mededinging wil veroorzaken, dan moeten er niet alleen gezonde verhoudingen worden gecreëerd tussen commerciële omroepen onderling, maar ook tussen publieke en commerciële zenders. Het publieke bestel mag dus geen oneerlijke bevoordeling krijgen. VRT is één van de vele actoren geworden tussen





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures