Springen naar inhoud

Samenvatting internationale mediastructuren


  • Log in om te kunnen reageren

#1

TheLaw

    TheLaw


  • >250 berichten
  • 375 berichten
  • VIP

Geplaatst op 12 februari 2009 - 19:58

Hier:

Bijgevoegde Bestanden


Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

TheLaw

    TheLaw


  • >250 berichten
  • 375 berichten
  • VIP

Geplaatst op 15 mei 2009 - 10:32

Geen zin om te downloaden? Geen probleem:


Inleiding
D. Cremers: Kapitalisme als economische systeem promoot competitie => grotere efficiëntie in het produceren van diensten en goederen. Basis kapitalisme = winst maximaliseren en kosten minimaliseren.
A. Smith: Competitie => goederen aan lagere prijs verkopen (goed voor consumenten. Resultaat = dilemma: winst daalt, naarmate competitie sterker wordt. Eén van de mogelijkheden om de kosten te verlagen is schaalvergroting, door fusies van bedrijven.
Versmelting bedrijven: kosten drukken, winsten opdrijven, want # werknemers kan verminderd.
Dit gebeurt al jaren in de media-industrie: wie zijn klanten een aantrekkelijk product of attractieve dienst aan een lage prijs kan aanbieden, zal overleven.
Begin 21ste eeuw: 12 conglomeraten die een massa bedrijven controleren die instaan voor de ontspanning en de informatie voor een wereldpubliek.
Globalisering: vragen binnen de democratie (standpunt: media kunnen onze opvattingen beïnvloeden)
Pro: mediapubliek is niet zo passief + er zijn veel tijdschriften en zenders beschikbaar
Contra: Westerse normen en waarden worden meegegeven



Hoofdstuk I: De informatiemaatschappij

1. Het begrip informatie
Romeinen: ‘informatio, < ‘informare: in vorm brengen, uitbeelden…
Humanisme en Renaissance: ‘vorming door onderricht’
Informatietheorie na WOII: technisch-natuurwetenschappelijke dimensie. Claude E. Shannon en Norbert Wiener: mathematische informatietheorie. Bit, redundantie.
Communicatiewetenschap: processen van kennis geven en nemen: zender -> boodschap -> ontvanger

2. Schrijven en drukken
3de millennium voor onze tijdrekening: ontwikkeling schrift bij Egyptenaren (hiëroglyfen) en Sumeriërs (spijkerschrift) -> 2de millennium voor onze tijdrekening: abstract alfabet. Boodschappen konden (onvertekend) worden overgebracht.
Midden 15de eeuw: drukkunst met losse letters -> teksten sneller vermenigvuldigbaar + kosten daalden => verspreiding boeken mogelijk. 2de helft 15de eeuw: 30 000 gedrukte titels, 20 miljoen exemplaren
Late Middeleeuwen: gemengde communicatiecultuur (begin censuur)
Overgang 16de-17de eeuw: makers van gedrukte nieuwsbladen spelen in op de behoefte aan periodieke en actuele berichtgeving.
17de eeuw: gouden eeuw van het boek en de boekhandel in de lage landen. Ook lagere standen en vrouwen lezen.
Vóór einde 18de eeuw: productie en distributie van info via de massamedia is arbeidsproces geworden met afzonderlijke beroepsbeoefenaars. Papier belangrijkste informatiedrager.

3. Explosieve groei
Betere postverbindingen over land en zee.
19de eeuw: 1796 steendruk (=lithografie). Ontwikkeling fotografie en fotochemische reproductie
Vóór begin 20ste eeuw: begin mechanisch zetten, film, snelpersen en rotatiepersen, telegrafie.
-> overgang van een ambachtelijke naar een industriële productie
Vanaf 1803: mechanisch vervaardigen van papier. Vanaf 1814: Times gedrukt op snelpers, boeken vanaf 1826
1832: morsecode
1895: Marconi kan telegrafische signalen door ruimte i.p.v. door draad overbrengen.
Nieuwsagentschappen ontstaan: Havas, Associated Press, Reuters, TASS.
1895: Film.
1915: “Birth of a Nation” (Griffith) is eerste langspeelfilm
1930: klankfilm

4. Radio en televisie als massamedia
1921: 5 radiostations een licentie. Dan explosie. 1925: 2 miljoen radio’s verkocht in V.S.. 1926: NBC (National Broadcasting Company) 1ste radionetwerk
Amerikaanse muziekindustrie verkoopt meer dan 100 miljoen platen per jaar.
1914: experimenten van radiopioniers in België.
1923: Radio Belgique = eerste commerciële radiozender
1926: Antwerpen-Dierentuin = Vlaamse afdeling
1928: eerste Vlaamse radio-omroep: Vlaamse Radio Vereniging
1936: UK 1ste land met regelmatige tv-uitzendingen
1949: start tv in België.
1951-1953: officiële tv-experimenten van het Belgisch Nationaal Instituut voor Radio-Omroep.
1953: officiële start Vlaamse tv-uitzendingen: 12 uur per week.
1963: 1 miljoen tv-toestellen geregistreerd in België
1971: invoer kleuren-tv
1962: lancering communicatiesatelliet Telstar
Jaren ’70: Telematica
Mediawereld: grote bedrijven: CBS (radio), Penguin (boeken), Gannett (kranten) en Columbia (platen). + conglomeraten over meerdere aspecten van de media-industrie.
Veel overnames en fusies.
Filmindustrie: 7 studio’s: Columbia, MCA (Universal), MGM, Paramount, Twentieth Century)Fox, United Artists, Warner Bros.
Heden: 120 tv-satellieten.
Evolutie: meer mensen kijken naar nieuwe gespecialiseerde tv-zenders.
Evolutie naar grotere mediaconglomeraten kan verklaard worden door 3 elementen: het ontstaan van een geldeconomie, opleiding en kapitalisme.

5.Gevolgen van de technologische ontwikkeling
Industrialiseringsproces -> onze activiteiten gingen deel uitmaken van omvangrijke processen. Onze fysieke activiteiten nemen daarbij af. Onze geestelijke activiteit neemt toe. Onze contacten met het fysieke milieu + onze sociale contacten veranderen.

6. Een geïnformeerde samenleving?
2/3 van alle werkende inwoners van de geïndustrialiseerde landen bezig met productie, garing, verwerking of verspreiding van informatie.
Informatie = een samenspel van signalen en symbolen: signalen = dragers van informatie, op zichzelf betekenisloos; symbolen = hebben betekenis op basis van sociale afspraken en gewoonten.
3 begrippen informatie: Syntactische (bepaalde opeenvolging van signalen), semantische (betekenis die aan signalen gegeven wordt) en pragmatische informatie (wat mensen met informatie doen, welk effect gegevens en berichten hebben op hun doen en laten)
Communicatie = overdracht van informatie, van een zender naar een ontvanger, via een kanaal. Zender moet zijn gedachten verstaanbaar maken, encoderen. Semantische informatie bij de zender wordt syntactische informatie. De ontvanger moet signalen die hem bereiken via het kanaal decoderen. Syntactische informatie bij de ontvanger wordt semantische informatie, en pragmatische informatie indien die er iets kan mee doen.
=> informatie wordt communicatief door toedoen van de zender, en gegevens (data) worden slechts informatief door toedoen van de ontvanger

7. De constante pragmatiek van informatie
2 stellingen van Cuilenburg:
Stelling 1: De hoeveelheid informatie in een samenleving neemt over het algemeen syntactisch exponentieel toe, semantisch minder dan proportioneel en is pragmatisch nagenoeg constant.

8. Informatie als blindganger
Stelling 2: Veel informatie gaat blind en de kans daarop neemt bij verdere informatisering toe; er zal steeds meer informatie aangeboden worden die geen antwoord is op iemands vraag, maar een antwoord op een vraag die nog moet bedacht worden.
Toekomstbeeld: informatisering. 3 vragen: is de informatiesamenleving ook een meer-geïnformatiseerde samenleving? Is de informatiesamenleving ook een beter geïnformeerde samenleving? Is de informatiesamenleving ook een efficiënter geïnformeerde samenleving?
Leidt het niet tot een information overload? Wright: privatization

9. Communicatieve gevolgen
10, volgens Fauconnier:
Informatie-explosie
Actiever en selectiever mediagebruik
Segmentatiemogelijkheden
Grootschaligheid en centralisering
Kleinschaligheid
Toenemend ontspanningsaanbod en –verbruik
Individuele telecommunicatiemogelijkheden
Invloed op de conventionele media
Geleidelijke verschraling van sommige gedrukte media
Redactionele transformaties in de kranten- en tijdschriftensector, met toenemend belang van marketingbeleid en productinnovaties
Financiële en andere vormen van samenwerking tussen de gedrukte en de audiovisuele mediasectoren
Toenemende informatisering van de gedrukte media zelf
Vorming
Samenhangend mediabeleid


Hoofdstuk II: De wereld is een dorp

Grote mediaconglomeraten produceren het grootste deel van het nieuws en de ontspanning die we voorgeschoteld krijgen.
Bedrijven, overheid en individuen zijn afhankelijk van de media om beslissingen te nemen.
Globaal medium = mediaconglomeraat = transnational media corporation (TNMC) = mediaorganisatie die geschreven of elektronische boodschappen of programma’s maakt voor de verspreiding ervan op wereldschaal voor een massaal publiek.
D. Demers gebruikt een Weberiaans model om een globaal medium te omschrijven: “A global medium may be defined as a transnational corporate organization that is characterized by
A highly complex hierarchy of authority
A highly developed division of labour and role specialization
A formalized set of rules and procedures
Employment and promotion based on performance and technical qualifications
Greater rationality (efficiency) in decision-making
More formal relations between workers and employees.
Omzet is goede maatstaf voor een inzicht in een mediaconglomeraat, maar ook:
Hoeveel promoties heeft een reporter vooraleer hij topfunctie bekleedt
Aantal voltijdse werknemers, voltijdse redacteurs, # afdelingen of departementen
Aantal regels of procedures
Welke opleiding of ervaring nodig is voor de verschillende jobs
Belang dat topmanagement hecht aan het zoeken van de efficiëntste manier om problemen op te lossen
Hoe vertrouwelijk werknemers zeggen te zijn met andere werknemers en met de werkgever
Aanhangers van globalisering: oplossing voor inefficiëntie en povere productiviteit; mogelijkheden en middelen voor divers aanbod; verspreiden van waarden als democratie, vrijheid van meningsuiting, … (= toleranter voor aparte en onorthodoxe ideeën)

1. AOL –Time Warner
2000: kleine dotcombedrijf AOL neemt grote klassieke Time Warner over.
USA: ook andere internetbedrijven moeten toegang krijgen tot kabelnetwerk van Time Warner; Europese commissie: banden met Bertelsmann moeten verbroken worden.
AOL had voordien ook al Compuserve en Netscape overgenomen. Time Warner is in 1989 ontstaan door een bundeling van Time en Warner, en deze namen in 1996 CNN over.
Time Warner begonnen met Time Magazine in 1923 (aandacht op menselijke aspect, verhalend). Nadien ook nog: Fortune, Life, Sports Illustrated. 1962: alle bedrijven ondergebracht in Time Inc. Time Magazine = conservatief en anticommunistisch, succes want 4 miljoen exemplaren/week.
1972: Time Inc. Begint met betaaltelevisienet Home Box Office (HBO), voor films en sport. Wordt grootste in V.S, gebruikt als 1ste satellieten om programma’s door te stralen.
1989: Time Inc. neemt Warner Communications Inc. Over.
AOL Time Warner heeft 5 grote afdelingen:
~Kabeltelevisie: Time Warner’s Cable Networks Group, met o.a. Home Box office, TNT, Cartoon network, Cnn News Group... -> Op 1 na grootste kabelnetbedrijf in de VS.
~Uitgeverijen: 36 tijdschriften met 130 miljoen lezers, Time-Life-boeken en de Book-of-the-Month Club. In 2000 joint-venture met Essence Communications Inc (ECI)
~Muziek: Warner Music met meer dan 1000 artiesten
~Film: Warner Bros en New Line Cinema maken tv-producties, bezitten filmstudio’s en zijn wereldwijd verdeler van films: 6500 films, 32000 tv-producties en 13500 tekenfilms. Ook 150 winkels waar afgeleide producten van de films worden verkocht + een keten van themaparken. Actief in digitale kabel, video on demand, breedband en High Definition Television (HDTV)
~Internet: 29 miljoen gebruikers van America Online, Compuserve, CNN Online, Netscape.
AOL stelt +/- 90000 mensen te werk en de omzet van 2001 was 40 miljard dollar.
2/3 van de inkomsten van de groep wordt gerealiseerd in de VS maar men hoopt de buitenlandse omzet te doen groeien.

2. Vivendi Universal
2000: fusie Vivendi, Canal+ en Seagram => Vivendi Universal. Bekroning van het eerdere samengaan van onder andere Havas, MCA (Universal) en Seagram.
Havas was opgericht in 1832 door Charles Louis Havas. In 1825 begonnen als financiële knipseldienst voor diplomaten en handelaars in Parijs, in 1835 na het opkopen van ‘Correspondance Garnier’ Agence Havas geworden, voorloper van Agence France Presse.
1998: Havas opgekocht door Vivendi (Frans nutsbedrijf dat tot enkele jaren eerder “Générale des Eaux” heette en zich bezig hield met drinkwater leveren). Havas was toen al toonaangevend mediabedrijf, met o.a. een groot belang in het grootste Europese advertentiebureau dat 220 filialen in 65 landen had en met betaalzender Canal+. Ook is de groep actief in de uitgeverswereld (geert o.a. L’Express en Le Point uit). Het reisagentschap van de groep werd verkocht aan American Express. Binnen de nieuwe groep krijgt Havas de naam Vivendi Universal Publishing en spitst zich vooral toe op gedrukte uitgaven.
1995: Het Amerikaanse MCA Inc. (Universal) werd door Seagram voor 5,7 miljard dollar gekocht van de Japanse groep Matsushita. Daarvoor verkoopt Seagram de aandelen die ze bezat van het chemisch bedrijf DuPont. MCA had onder andere de zender Home Shopping Network (HSN). Meeste inkomsten kwamen uit film-en tv-producties in de Universal Studio’s. De groep bezat ook boekuitgeverijen, platenmaatschappijen, themaparken (Universal Hollywood Studio’s, Universal Studio’s in Orlando, Port Aventura in Barcelona, pretpark in Peking, binnenkort themapark in Osaka - Japan).
1998: Seagram koopt platenafdeling Polygram van Philips voor 10,6 miljard dollar => Universal Musik nummer 1 van de wereld. Om de aankoop te financieren verkoopt Seagram Tropicana en Pepsico.
Seagram was op de 1ste plaats een drankenbedrijf. De drankenafdeling van Vivendi Universal wordt na een paar maanden al doorverkocht aan Pernod-Ricard.
Vivendi Universal: 4 divisies:
~Beeld: Canal+ (14 miljoen abonnees in 11 landen; belangen in o.a. Telepiu in Italië, Sogecable in Spanje, Canalsatellite in Frankrijk), 65% van voetbalclub Paris Saint-Germain, een aantal themaparken, Hollywoodstudio’s Universal Pictures (9000 titels).
~Muziek: Universal Music Group: 27% van de wereldmarkt => grootste muziekmaatschappij ter wereld met 750000 titels
~Uitgeverij: Universal Publishing (Havas) geeft school- en woordenboeken uit, Franse literatuur, 80 tijdschriften, videospellenafdeling + participatie in Havas Advertising.
~Telecom- en internetafdeling: 51% van Cegetel, de 2de Franse mobilofoonoperator SFR, internetsites van Canal+ en Vivendi, 50% van de portaalsite Vizzavi die samen met Vodaphone Airtouch (UK) wordt opgezet.
Omzet: geraamd op 57,5 miljard euro.

3. Walt Disney Company
jaren ’20: broers Walt en Roy Disney maken korte tekenfilms, o.a. de eerste animatiefilms met geluid: “Steamboat Willy” met Mickey Mouse.
Jaren ’30: langspeeltekenfilms
Jaren ’50: televisieshows, tot 4 miljoen kijkers per week + filmproducties
1955: 1ste themapark geopend, 2de in 1971
1990: Walt Disney Company koopt ABC/Capital Cities en verwerft daarmee het Amerikaanse network ABC, verschillende kranten en sportzender ESPN. De kranten worden weer verkocht.
Disney Company: 5 departementen:
~Radio- en televisienetwerken: 10 Amerikaanse tv-stations, televisieproductiemaatschappijen Buena Vista Television en Walt Disney Television, een aantal kabelnetwerken (Dinsey, ESPN, Lifetime) en 21 radiostations.
~Filmstudio’s: Disney, Touchstone, Miramax, Hollywood Pictures, Caravan Pictures. Platenlabels: Hollywood Records, Disney Records en Mammoth Records.
~Themaparken: Disneypark en Disneyworld, Epcot, Disney-MGM Studios, Magic Kingdom, parken in Parijs en Tokio
~Gebruiksgoederen: meer dan 400 disneywinkels in de hele wereld: producten met typische Disneyfiguren, tijdschriften Disney Adventures, FamilyFun en FamilyPC, uitgeverijen Hyperion Books, Chilton Publications, Disney Press en Hachette Press en cruiselijn Disney Cruise Line.
~Internet: Walt Disney Internet Groep met Disney Online (kan je virtuele themaparken bezoeken) + participatie in America Online.
Omzet = 23,2 miljard dollar, meer dan 70000 werknemers => Disney de 2de grootste mediagroep ter wereld. +/- de helft van de inkomsten komen van films, uitgeverijen en merchandising. 1/3 uit televisieactiviteiten, de rest vooral uit themaparken. ¼ van de inkomsten worden buiten de V.S. gerealiseerd.

4. Bertelsmann AG
1835: Carl Bertelsmann begint in Güterslof (Noordrijn-Westfalen) een uitgeverij van theologische geschriften en psalmenboeken -> oudste van de 12 mediagiganten. Tijdens WOII: uitgeverij door de Nazi’s opgedoekt. Na de oorlog weer opgestart.
1950: Bertelsmann 1ste boekenclub in Duitsland. Nu 25 miljoen leden: grootste ter wereld.
Jaren ’60 zwaar geïnvesteerd in tv.
Jaren ’70 en ’80: Bantam Books en Doubleday Publishing (beiden VS) opgekocht. In Duitsland heeft Bertelsmann o.a. Berlin Verlag, Goldmann Verlag en Springer Verlag.
Bertelsmann geeft in de VS de tijdschriften McCall’s en Family Circle uit, en bezit ook Gruner + Jahr, waar 80 tijdschriften en 10 kranten worden uitgegeven. De groep geeft in Duitsland ook Berliner Zeitung, Berliner Kurier, Sächsische Zeitung en Financial Times Deutschland uit.
Via Bertelsmann Springer uitgave van 700 vaktijdschriften, technische bladen en Cd-rom’s.
1994: op 50/50-basis met America Online wordt AOL Europe opgezet met meer dan 1,8 miljoen gebruikers in 33 landen. Door de fusie AOL – Time Warner moet deze binding verbroken worden. Bertelsmann bezit ook zoekmachine Lycos.
1998: Random House (VS, grootste Engelstalige uitgeverij ter wereld) opgekocht van Advance Publications. Met Barnes&Noble wil men zich bezighouden met online verkoop van boeken en concurreren met Amazon.com. Ook Boekenclub ECI behoort tot deze divisie.
Muzieksector: Bertelsmann Music Group (BMG) met meer dan 200 platenlabels o.a. Arista en RCA.
Bertelsmann heeft ook 23 tv-stations, waaronder 4 Duitse zenders (RTL, RTL II, Super RTL en Vox), Britse (Channel 5), Franse (RTL9 en M6), Hongaarse, Poolse en Nederlandse (RTL4, RTL5, Veronica) en 17 Europese radiostations, 50 % van CLT-Ufa (19 Europese tv-zenders en 23 Europese radiostations); 35% van de aandelen van Radio Contact Vlaanderen. Een andere belangrijke aandeelhouder in de RTL Groep is de Britse groep Pearson met 22%.
Bertelsmann bezit verder productiehuizen o.a. Alomo, Grundy, Pearson TV en Ufa. Jaarlijks produceert men 11000 uren tv in 35 landen.
Jaarlijkse omzet is 14,4 miljard dollar en er werken 76000 mensen in meer dan 300 bedrijven in 54 landen. 1/3 van de inkomsten worden gerealiseerd in Duitsland, 1/3 in de rest van Europa.
Februari 2001: Groep Brussel Lambert – Electrafina (GBL) van Albert Frère verwerft 25,1% van de aandelen van Bertelsmann door aandelenruil: GBL ruilde 30% RTL-aandelen voor 25,1% Bertelsmann-aandelen. Bertelsmann had al 37% RTL-aandelen.
GBL-Electrafina bestaat nu uit 46,2% Bertelsmann; 29,2% Total Fina Elf; 19,1% Lyonnaise des Eaux; 4,4% Imerys (valorisatie van mineralen) en 1,1% Rhodia (chemiebedrijf, ex-Rhône-Poulenc).
Bertelsmann AG is voor 57,6% in handen van de Stichting Bertelsmann; 17,3% de familie Mohn, de erfgenamen van Carl Bertelsmann en 25,1% GBL.
Bertelsmann investeert zwaar in digitale tv en wil samen met andere de grootste Europese tv-zender opbouwen.

5. News Corporation
1952: Keith Rupert Murdoch erft van zijn vader 2 Autsralische kranten.
1964: Murdoch lanceert 1ste nationale Australische dagblad.
1968: Murdoch koopt News of the World
1969: Murdoch koopt The Sun
1981: Murdoch koopt The Times en The Sunday Times
VS: Murdoch koopt in de jaren ‘70 The New York Post, uitgeverij HarperCollins, geeft 25 tijdschriften uit (o.a. TV Guide) en bezit filmstudio Twentieth Century Fox.
- De industriële drukrevolutie
19de eeuw: revolutie in de drukkunst: Koenig bouwt in 1803 een drukpers bewogen door stoom en in 1811 een drukmachine met cilinders.
1822: Church vraagt octrooi aan: letters worden tot woorden en regels gevormd.
1885: lijnzetmachine of linotype: omvat magazijn, klavier, zethaak, smeltkroes en verdeeltoestel: onder vingers van linotypist doet klavier de matrijzen vallen en voert ze naar een zethaak, waarbij automatisch kleine stalen spieën tussen de woorden worden gevoegd om uitvulling te verzekeren. Elke rij matrijzen passeert voor de smeltkroos die gesmolten lood injecteert => gezette loodlijn. Dan worden de matrijzen teruggevoerd naar het magazijn. In 1888 vraagt Mergenthaler voor dit soort linotype een octrooi aan. Sinds 1929 worden gietmachines niet altijd meer met de vingers bediend, maar met geperforeerde banden die door een apart klavier gemaakt worden. Deze tele-type-setter werd echter slechts in begin jaren ’60 op ruime schaal toegepast in krantenproductie
1883: Daguerre ontdekt fotografie, illustraties in de drukpers doen hun intrede.
1850: elektriciteit vervangt stoomkracht
1867: Marinoni stelt rotatiepers voor (doorlopende rollen papier worden toegevoegd) en Remington vindt de schrijfmachine uit
jaren ’60: apparatuur waarvan de oorsprong nog steeds in de 19de eeuw is terug te vinden.
- De komst van de computer
Jaren ’60: Linotypist werd herleid tot kilometerponser: manueel vervaardigde ponsband werd opnieuw ingelezen in een computer die 2de ponsband creëerde die alle commando’s bevatte voor het sturen van de linotypemachines.
Dan: Vervanging lood door fotografisch zetten. Fotozetter nog wel aangestuurd door perforeerband uit de zetterij. Ter vergelijking: automatische loodgietmachine haalt bij piekbelasting tot 40000 tekens per uur, 1ste generatie-fotozetter (b.v. Linotype-VIP) 145000, geavanceerde apparatuur (b.v. CRT-lichtzeteenheid als de Digiset 40T van Hell-Siemens) tot 10 000 000. -> werk van opmaakafdeling veranderde drastisch. Stereotypieafdeling werd vervangen door fotogravure: opgemaakte pagina’s gefotografeerd, met negatieffilm daarvan wordt wikkelplaat gemaakt die kan geplooid worden voor de rotatiepers (meestal vlakpersen).
Ondertussen: On line tekstverwerking = gegevens/instructies moet met niet meer vooraf op informatiedragers vastleggen, maar onmiddellijk in het geheugen van de computer invoeren. Meestal gebeurt dat via een VDT (Video Display Terminal). => ponser-zetters worden overbodig.
Volgende stap: elektronisch opmaken => opmaakafdeling overbodig. Straks is er ook geen fotogravure meer nodig, vermits de elektronisch opgemaakte pagina’s rechtstreeks naar de rotatiepers kunnen gestuurd worden.
- Sociale gevolgen
Technisch-organisatorische innovaties leiden tot het uitsparen van mankracht, intensivering van arbeid, rationeler organisatie van de productie en dus productiviteitsstijgingen, daling van de loonlast en vermindering van de productiekosten. Door de veranderingen werd de macht van de grafische persvakbond afgebouwd (want minder geschoolde arbeiders nodig). => acties van de grafici:
A. Rupert Murdoch
30/09/1996: Roy Thomson kreeg The Times in handen
begin 1978: moeilijkheden met de vakbonden bij invoeren nieuwe technieken. Leiding van The Times legt National Graphical Associaton (NGA) ultimatum voor: er komt een oplossing voor de overbezetting in de drukkerij met de introductie van computertechnieken, of de krant legt de boeken neer. NGA weigert voorstellen => stakingen => Thomson geeft The Times niet meer uit.
November 1979: nieuwe loonstructuur aanvaard, afvloeiing voor overtollig grafisch personeel, invoering nieuwe technologie. Werk wordt hervat maar aantal vakbonden kwam afspraken niet na.
21/08/1980: 280 Times-journalisten beginnen een staking. Ze vragen een loonsverhoging van 21% maar directie wil maar 18% geven. Situatie werd uitzichtloos.
22/10/1980: Thomson wil Times-groep binnen 5 maanden verkopen OF publicaties stop zetten. Hij had op dat ogenblik al veel geld in de krant gestopt en maakte verlies.
22/02/1981: Rupert Murdoch wordt voor 85% eigenaar van de Times-kranten. In november 1981 blijken nieuwe besparingen noodzakelijk: in februari worden 200 van de 2600 werknemers ontslagen.
B. Wapping
Toen Murdoch er niet in slaagde een modernisering door te voeren in Fleet Street, besloot hij te verhuizen nar een nieuw drukkerijcomplex in Wapping (ten oosten van Londen), waar hij de modernste apparatuur inzette voor het drukken van zijn kranten (o.a. The Sun en News of the World). Leden van de grafische vakbond, waarvan hij er 5500 ontsloeg, belegerden de vestiging in Wapping => rellen. Februari 1987 zetten de vakbonden de acties in Wapping stop.
Met het breken van de macht van de grafische vakbonden en dankzij de nieuwe technologische mogelijkheden kon op 7/10/1986 in de UK een kwaliteitskrant als The Independent op de markt komen.
Ook in andere landen voorbeelden van de strijd van de vakbonden tegen vernieuwing. Vooral ‘closed-job’-systeem verloor betekenis.
News Corporation heeft bedrijven in 6 continenten, bezit 132 dagbladen en is 1 van de 63 grootste dagbladconcerns ter wereld.
1986: Fox Broadcasting gelanceerd = 1ste nieuwe tv-network in de VS sinds 1948 (voordien enkel ABC, CBS en NBC). News corporation heeft 22 tv-stations en bereikt hiermee 40% van de Amerikaanse gezinnen. Het heeft grote participaties in kabel- en satelliet-tv (Sky Broadcasting) in zowel de VS als Latijns-Amerika en Azië. Voor de kabeluitzendingen heeft News Corporation meer dan 300 miljoen abonnees. Het is ook eigenaar van basketbalteam Los Angeles Dodgers.
¼ van de inkomsten van News Corporation komt uit filmactiviteiten, ¼ uit de krantensector (40 miljoen kranten/week), 20% uit tv en 30% uit boeken en tijdschriften. ¾ van de inkomsten wordt in de VS gerealiseerd.
Familie Murdoch bezit +/- 30% van de aandelen van News Corporation. R. Murdoch werd Amerikaans staatsburger in 1980 om te kunnen voldoen aan de Amerikaanse mediawetgeving.
Omzet in 1998: 12,8 miljard dollar

6. Viacom
1970: Viacom opgericht door CBS, toen de FCC (Federal Communications Commision) besliste dat networks in dezelfde markt waarin ze actief zijn geen belangen mochten hebben in kabelnetwerken en geen tv-stations mochten bezitten.
Tot 1994: kleine speler (omzet +/- 2 miljard dollar). Dan slorpt het Paramount Pictures en Blockbuster Video and Music op. Een jaar later wordt United Paramount (Television) Network gelanceerd.
Viacom bezat 12 Amerikaanse tv-stations, 12 radiostations, The Movie Channel, verschillende uitgeverijen (o.a. Macmillan, Prentice-Hall) en tal van film- en kabelbelangen.
1998: Viacom verkoopt deel van zijn bezittingen om schulden af te betalen + wenst zich meer toe te leggen op amusementssector.
1/3 van de inkomsten wordt gerealiseerd door filmactiviteiten (Paramount Pictures); 1/3 door muziek (Famous Music Publishing), video (Blockbuster en een aantal themaparken (Paramount Parks) en 1/3 door tv (CBS, Nickelodeo, MTV), uitgeverijen (Simon&Schuster).
Paramount Pictures bestaat sinds 1912 en heeft filmbibliotheek met meer dan 2500 films.
Famous Music Publishing brengt muziek uit van wereldsterren.
Blockbuster: videoketen, meer dan 7300 verkooppunten over de wereld, meer dan 3 miljoen kopers/dag
5 Themaparken in Noord-Amerika: 13 miljoen bezoekers per jaar.
Contracten met meer dan 200 tv-stations, waaraan CBS nieuws, sport en ontspanning levert. Mtv is in meer dan 340 miljoen gezinnen in 139 landen te bekijken; Nickelodeon bereikt meer dan 300 miljoen gezinnen.
Omzet: 12,9 miljard dollar in 1999. Meer dan 100 landen, 127000 werknemers, meer dan 500000 copyrights.


7. Sony
jaren ’50: innovatief elektronicabedrijf. Produceerde de 1ste Japanse bandrecorder, dan de 1ste transistorradio en later de 1ste draagbare radio.
Sony> “sonus” (=geluid) , gebruikt vanaf 1958
Ook mindere successen: Betamaxvideotechnologie faalt t.o.v. VHS-versie van Matsushita.
Late jaren ’80: Sony wereldspeler op de mediamarkt na aankoop van platenmaatschappij CBS en Hollywoodstudio Columbia Pictures.
Ontspanningsafdeling van Sony: 2 divisies:
Sony Music Entertainment Inc. Met platenlabels als Columbia, Epic en Tri-Star Music.
Sony Pictures Entertainment Inc. Met Columbia Pictures, Tri-Star Pictures, Sony Pictures Classics, Loews Theatre Management Corporations en Sony Pictures Studios.
Omzet uit de media in 1998: 10,8 miljard dollar. Actief in 67 landen.
Sony blijft ook actief in het segment van de elektronica (b.v. Playstation)

8. Tele-Communicatiens Inc. (TCI)
1956: landbouwer verkoopt vee en investeert in een systeem van kabeltv in Texas. Ondertussen 1 van de grootste kabelmaatschappijen in de VS, +/- 11 miljoen gebruikers.
Maart 1999: fusie TCI en telefoonbedrijf AT&T. Het nieuwe bedrijf zou AT&T Broadband & Internet Services heten.
TCI bezit 2 tv-satellieten en heeft uitbreidingsplannen in UK, Japan en Chili.
Omzet in 1998: +/- 6 miljard dollar.

9. Tomson Corporation
1930: Roy Thomson begint in Ontario met een radiostation. Later koopt hij kranten op in Canada, VS en UK, o.a. The Scotsman in 1953. Was even eigenaar van The Times.
1964: Thomson wordt baron en krijgt titel Lord Thomson of Fleet.
75% van de aandelen zijn in handen van de familie Thomson.
Thomson Corporation bezit nu 68 dagbladen in Canada en de VS (o.a. The Globe and Mail in Toronto); uitgeverijen in Canada, Azië, Midden-Amerika, Argentinië, Brazilië, Europa, Afrika, UK, Autstralië, Nieuw-Zeeland, Zweden en Denemarken. Bekendste uitgeverijen zijn Wadsworth Publishing Company, Gale Research, Lucent Books en West Group. Specialisatie = publicaties voor juristen.
Thomson bezat ook reisagentschap (omzet 3 miljard dollar/jaar), maar dat werd verkocht in 1998. Omzet uit media-activiteiten bedroeg in 1997 5,8 miljard dollar.
Oliebelangen in de Noordzee werden in 1989 verkocht, aandelen in de schotse tv in 1977.
Roy Thomson overlijdt in 1976 en wordt opgevolgd door zoon Kennet, de 2de Lord Thomson of Fleet.

10. National Broadcasting Corporation (NBC)
1926: NBC opgericht door Radio Corporation of America (RCA), General Electric (GE) en Westinghouse om radioprogramma’s te maken. In 1932 kwam het in handen van RCA, dat zelf in 1986 werd opgeslorpt door General Electric.
Jaren ’20: NBC bouwt radionetwerk uit, vanaf 1940 tv-netwerk.
In de VS bezit de groep 1 van de 3 radio- en tv-networks, 11 tv-zenders, CNBC financieel-economische kabelzender, MSNBC nieuwszender (samen met Microsoft); heeft belangen in Court TV en een dozijn kabelzenders. Wekelijks kijken/luisteren/surfen +/- 80% van de Amerikanen via NBC-netwerken. In de VS zijn +/- 220 tv-stations aangesloten op NBC.
Nu ook mediabelangen buiten de VS in kabel en satellieten: CNBC Azië en Europa, 2 financieel-economische zenders en National Geographic Channel in Europa en Azië.
Omzet in 1997: 5,2 miljard dollar.

11. Advance Publications
1922: Samuel Newhouse koopt de krant Staten Island Advance.
Jaren ’40 tot ’60: met de opbrengst van de krant koopt hij tal van andere dagbladen; in de jaren ’50 en ’60 legt hij zich vooral toe op tijdschriften en kabelzenders.
1979: Newhouse sterft en laat de groep na aan zijn 2 zoons. Zij kopen in 1980 Random House, en verkopen die in 1998 aan Bertelsmann.
Advance Publications is momenteel 1 van de grootste mediabedrijven in privé-bezit. Ze bezit een dozijn tijdschriften, 38 wekelijkse bladen, 9 belangrijke nieuwssites, Newhouse Newspapers met 22 dagbladen in de V.S. (o.a. The Newark Star-Ledger en The Oregonian in Portland).
Omzet in 1995: 4,9 miljard dollar.

12. Andere mogelijke belangrijke spelers
Internationale persagentschappen: Reuters, Associated Press, Agence France Press, BBC.
Groepen: NHK (Nippon Hosos Kyokai) in Japan. Bestaat meer dan 75 jaar en heeft vooral radio- en tv-belangen. Is al sinds 1964 bezig met HDTV. Was voorloper bij digitaliseren van radio- en tv-uitzendingen.
Reed Elsevier (Brits-Nederlands): moedermaatschappijen hiervan zijn het Britse Reed International Plc en het Nederlandse Elsevier NV.
1894: Albert Reed begint dagbladdrukkerij in Tovil Mill in Kent (UK).
1880: Jacobus Geoge Robberts richt in Rotterdam Uitgeversmaatschappij Elsevier op om klassieke literaire werken uit te geven + encyclopedie Winkler Prins.
1993: samengaan van Reed en Elsevier. De groep had tal van dagbladen in UK en NL maar verkocht die om zich toe te leggen op gespecialiseerde uitgaven in de zakensfeer.
EMI (Electric and Musical Industries) in UK: gigantische muziekmaatschappij die groeide uit The Gramophone company (1898) met het logo His Master’s Voice. In 1931 opende het bedrijf de bekende platenstudio’s in Abbey Road. Het bedrijf staat te koop. Plannen in 2000 om samen te gaan met AOL Time Warner gingen niet door.
Nog belangrijk: Hachette in Frankrijk, CBS Corporation in de VS en de Cisneros Group in Venezuela.


Hoofdstuk III: Een technologische ®evolutie

A. De gedrukte media

1. De elektronische redactie
Jaren ’60: telex, telefoon, mechanische schrijfmachine. Verslag voetbalwedstrijd: ter plaatse getypt, dan doorgebeld, weer uitgetypt, nagekeken door redacteur, op ponsband gezet en uitgeprint, nagelezen op de correctie-afdeling, verbeterd in de zetterij, naar de 1ste fotozetmachines gestuurd => tekst klaar om in de krant te verschijnen
Nu: redacteur tikt tekst op draagbare pc en zendt deze online naar redactie waar deze naar de fotozetmachine wordt gestuurd. -> elektronische redactie

A/ Bronnen worden gedigitaliseerd
Bronnen gedigitaliseerd, vroeger vooral met analoge dragers gewerkt.
Analoog = weergave van gegevens waarbij alle waarden mogelijk zijn ~ golf
Digitaal = gegevens in de vorm van cijfers volgens het binair stelsel gepresenteerd: bits (0 of 1) -> neemt minder plaats in => vrijgekomen ruimte kan voor andere reeksen 0 en 1 gebruikt
I.p.v. schrijfmachines op redacties: on-line-computersysteem waarop alle redacteuren via een scherm met klavier (VTD – Video Display Terminal) zijn aangesloten.
Nieuwslevering door persagentschappen = 1 v/d voornaamste bronnen op een redactie. Nu ook op scherm samengesteld en aangepast, i.p.v. uit telex. Ook fax voorbijgestreefd.
Teksten die toch nog op papier op de redactie toekomen, kunnen via een OCR (Optical Character Reader) automatisch in het systeem ingevoerd worden. OCR bestaat uit scanner (voor inlezen karakters) en herkenningseenheid (herkennen karakters).
Doorsturen van gegevens naar de redactie vroeger met analoge telefoonlijn, nu met snellere verbinding en deels ISDN-net en satellietcommunicatie.

a. ISDN
Verleden: voor vrijwel elke datacommunicatietoepassing eigen netwerk uitgebouwd. Als gebruiker hebben we dan steeds aangepaste apparatuur nodig.
ISDN = Integrated Services Digital Network = opwaardering van een bestaand netwerk
Daarvoor moeten allee telefoondiensten gedigitaliseerd worden.
Kwaliteit dataverkeer verbetert en veel grotere hoeveelheden informatie kunnen sneller doorgestuurd worden.
ISDN = optimalisering van het bestaande telefoonnet voor datagebruikers. Laat datatransport toe van 144 000 bit/sec vs. 9 600 bij analoge lijnen. Gebruiker van ISDN-lijn kan tot 8 verschillende toestellen aansluiten, waarvan hij er twee tegelijk kan gebruiken. ISDN-lijn bestaat uit 3 kanalen: basis- of signaalkanaal van 16 000 bit/sec dat altijd beschikbaar (=D-kanaal); twee B-Kanalen ofte communicatiekanalen van elk 64 000 bit/sec. Deze opstelling wordt “basistoegang” genoemd.
Voor grote datagebruikers: PRA-mogelijkheid (=Primary Rate Acces), of ISDN-30. Dit is een 2 Mbit/sec verbinding met 30 B-kanalen en 1 D-kanaaal.
Mogelijkheden: tele-gestuurde diensten zoals telemetrie (=het op afstand lezen van b.v. gas- en elektriciteitsmeters); telecontrole; op afstand activeren of uitschakelen van allerlei toestellen; tele-alarm; automatisch verwittigen van hulpdiensten na detectie van een bepaald noodsignaal; telebankieren.
Sommige moderne telecommunicatievormen vragen nog grotere bandbreedte, b.v. ontvangst van radio- en tv-programma’s en teleconferenties. -> op lange termijn: Broadband ISDN (B-ISDN): lijnen van 140Mbit/sec. Dan zou men via ISDN ook aan tv)distributie kunnen doen. Nu gebeurt dit nog via een speciale coax-kabel.
Nieuwe techniek voor versturen van grote hoeveelheden digitale informatie over breedband: ATM = Asynchronous Transfer Mode: informatie wordt in stukjes van gelijke lengte geknipt en afzonderlijk verstuurd (packet-switching)
Vlaanderen 1996: Telenet: telefonie en multimediatoepassingen via de kabelnetten van de intercommunales. Kostprijs om het kabelnet aan te passen voor deze nieuwe toepassingen bedroeg ongeveer 50 miljard fr. Hiervoor werkten de GIMV en de Vlaamse bedrijven samen met Amerikaanse partners. Ook VUM, Persgroep, Concentra, De Vlijt, Roularta en De Tijd zouden participatie in het project nemen, maar haakten later af.
NMBS heeft telefoonnet liggen langs alle spoorlijnen -> wil dit optimaliseren en door derden laten gebruiken voor commerciële toepassingen.
Door ADSL-techniek (Asymmetric Digital Subscriber Line) kan men enorme hoeveelheden bits over een klassieke koperen telefoonlijn sturen. Ook doorsturen van video is mogelijkheid. ADSL is een ontwikkeling van Alcatel Bell.


b. Glasvezelkabel
klassiek = coaxkabel: bevat 6 tot 30 cilindervormige koperen geleiders, per 2 gegroepeerd. Bandbreedte varieert van 50 (baseband) tot 500 (broadband) Mhz. Interzonale verbindingen: capaciteit van coax kan gaan tot meer dan 10 000 telefoongesprekken per geleiderpaar.
Breedbandcoaxkabels: voor tv-distributie. Via 1 kabel kan men 10-tallen tv-programma’s naar de abonnee sturen.
Glasvezelkabel = kabel met meeste toekomstperspectieven. Transmissie van data gebeurt door lichtimpulsen. Elektrische impulsen worden via een laserstraal omgezet in lichtimpulsen en door de glasvezelkabel gestuurd, met lichtsnelheid. Bij de ontvanger worden de lichtimpulsen dan terug omgezet in elektrische impulsen. Lichtflits = waarde 1, geen flits = 0. Lichtflitsen met verschillende kleuren door zelfde kabel => volledige bandbreedte benutten.
Voordelen glasvezelkabel:
Enorme bandbreedte (van 400 Mhz tot 2 Ghz)
Grote hoeveelheden gegevens kunnen doorgestuurd tegen hoge snelheid (miljarden bits/seconde, limiet nog niet ontdekt)
Zeer kleine verzwakking van het signaal: kwaliteit vermindert ook over heel grote afstanden nauwelijks.
Signalen kunnen niet elektromagnetisch gestoord worden.
Nadelen glasvezelkabel
Moeilijk te lassen => breuk moeilijk te herstellen
Hoge kostprijs
Prijs glasvezelkabel is laatste jaren sterk gedaald, idem voor nodige apparatuur.M



Gebruik van ISDN en glasvezelkabel verhoogt mogelijkheden op redactie. De fotodienst van Belga wordt via een ISDN-net aan de krantenredacties digitaal geleverd. Voordeel is de snelheid + beter kwaliteit van foto’s bij ontvangst + redacties kunnen foto’s opzoeken in digitaal Belga-fotoarchief en deze foto’s opvragen.

c. Satellietcommunicatie
principe: zender ergens op aardbol straalt signaal in de ruimte naar een kunstmaan. Die ontvangt het signaal en zendt het terug naar de aarde. Daar wordt het door een ontvanger opgevangen. Satelliet = relaisstation bij de transmissie van signalen over zeer grote afstanden.
3 soorten kunstmanen:
- ruimtestations: vooral gebruikt voor militaire doeleinden (killer satellites & solar satellite power system)
- observatiesatellieten: militaire spionage + wetenschappelijke kunstmanen (b.v. weersatellieten en geologische stations)
- communicatiesatellieten: telecommunicatiesatellieten (voor telefoon, fax, datacommunicatie, teleconferencing, uitwisseling van radio- en tv-signalen) + omroepsatellieten (voor uitzenden van signalen naar individuele gebruikers, die deze signalen kunnen opvangen via individuele paraboolantenne)
Eind jaren ’40: experimenten
Juli 1962: lancering Telstar-1: 1 televisieprogramma of 600 kanalen gebruiken. -> Telstar = lange-baansatelliet die door elk volgstation op aarde bij elke omloop gedurende ½ uur gezien kon worden
Februari 1963: lancering Syncom-1 = 1ste geostationaire satelliet in een baan om de aarde gebracht.
Principe geostationaire baan = stilstaan t.o.v. de aarde. Op 35 786km hoogte draait een kunstmaan in 23u 56 minuten en 4 seconden rond de aarde. Dit is exact de tijd die de aarde nodig heeft om eenmaal rond haar as te draaien. Deze satellieten beschrijven een baan rond de aarde net boven de evenaar. Satelliet legt dagelijks 264 000km met een snelheid van 3km/sec. Kunstmanen bevinden zich daardoor op een vast punt boven de evenaar.
Voordeel geostationaire satelliet: met 3 kunstmanen kan met het hele aardoppervlak bereiken. Elke satelliet neemt +/- 42% van het hele oppervlak voor zijn rekening. Men kan de signalen van zo’n satelliet ook op een bepaald land of continent richting (gebeurt meestal).
Sturen + ontvangen signalen naar en van de kunstmanen: grondstations. In België zijn die in Lessive, Liedekerke, Brussel. Voor de overwaking van de goede werking van de statellieten zijn er controlestations. De Europese Communicatiesatellieten (ESC) wordt daarvoor gevolgd vanuit het station in Rendu in België.
Bij bepaalde satellieten: mogelijk signalen rechtstreeks te capteren via eigen schotelantenne.
GEO’s = Geostationary Earth Orbit Satellites = geostationaire satellieten: voordeel = hangen op vast punt t.o.v. aarde; nadeel = doorgestuurde signalen moeten steeds 2x 36 000 km overbruggen => delay, kan probleem zijn voor interactieve toepassingen.
Oplossing daarvoor: LEO’s = Low Earth Orbit Satellites: wegen tssn 500 en 800 kg, zweven +/- 1000 km boven aarde, zijn minder duur en signalen kunnen door mobiele telefoons gecapteerd worden. Spinnen rond de aarde = voor wereldnetwerk zijn ongeveer 48 tot 66 satellieten nodig. Nu: meer dan 100 LEO’s actief. Tegen 2001: 1000.
MEO’s = Medium Earth Orbit Satellites: zweven tussen 8 000 en 20 000 km boven aarde, tussenoplossing.
Organisatie: 1963: oprichting COMSAT (Communication Satellite Corporation) in de VSK. AT1T, ITT en RCA leverden helft beginkapitaal.
Nu: organisaties opgericht voor exploitatie kunstmanen b.v. Intelsat, Intersputnik en Inmarsat.
Intersputnik = organisatie opgezet in de Oostbloklanden, dient voor communicatie in scheepvaart en boorplatformen.
Reactie op dominerende rol VS: 20 West-Europese PTTs richten in 1977 Eutelsat (European Telecommunications Satellite Organization) op. Europese ruimteorganisatie ESA staat in voor bouw en lancering eigen Europese Ariane-raket. Verder: eigen ECS-satellieten. British Telecom en France Télécom zijn grootste aandeelhouders. Lanceringen gebeuren vanuit Kourou in Frans-Guyana.
Groot # landen heeft eigen satelliet en ook eigen nationale organisatie.
Satellietcommunicatie grensoverschrijdend => internationale afspraken. Aantal landen maakt zich vooral zorgen over propagandamogelijkheden via kunstmanen. Dit internationaal overleg voor het eerst georganiseerd in 1977 door ITU (International Telecommunications Union) van de VN op de WARC ’77 (World Administrative Radio Conference).
Vandaag: internationale persagentschappen sturen foto’s, teksten en grafische illustraties via satellietcommunicatie naar hun cliënten. Dat is goedkoper dan via binnenlandse telefoonlijnen + kwaliteit doorgestuurd foto’s met satellietcommunicatie veel beter dan overseining via analoge telefoonlijnen.
Satellietcommunicatie heeft op reacties ook belangrijke rol gespeeld bij internationale telefoonverbindingen. Technische ontwikkelingen vorderen => satelliettelefoon zal voor redacties nog belangrijker worden. B.v. Alfonso Rojo mocht tijdens golfoorlog satelliettelefoon van Peter Arnett van CNN niet gebruiken om concurrentie te dwarsbomen.
Mobiele communicatie: verder nog gebruikt voor navigatie en communicatie van vliegtuigen, schepen en vrachtwagens.

d. Telefoon
1 v/d meest gebruikte communicatiemiddelen. Telefoonnetwerk = 1 v/d best uitgebouwde communicatienetwerken ter wereld.
1876: principe telefoon uitgevonden door Alexander Graham Bell: geluidsgolven worde via trilplaatje in microfoon van de hoorn omgezet in een elektrische stroom die door de lijn wordt gestuurd en bij de ontvanger terug een plaatje aan het trillen brengt dat na versterking de spraak hoorbaar maakt. Telefoon oorspronkelijk enkel bestemd voor doorsturen van spraak: frequentie tssn 300 en 3400 HZ voldoende en analoog signaal.
Nu: telefoon meer en meer gebruikt voor dataverkeer => communicatiemiddel moet aangepast worden, daarom wordt netwerk systematisch gedigitaliseerd.

- telefax
= fax = facsimile = telekopie
Functioneert vooral met openbaar telefoonnet. Systeem om documenten via telefoonlijn te versturen, fotokopiëren op afstand. Principe ontwikkeld in 1843 door Alexander Bain.
Ook geschreven boodschappen kunnen overgeseind worden => toestel populair in Japan. Echte doorbraak: jaren ’60: CCITT (Comité Consultatif International Téléphonique et Télégraphique) ontwikkelt internationale standaard. Bij ontvanger: gedecompresseerd en via drukeenheid afgedrukt.
Document dat doorgestuurd moet worden wordt lijn per lijn afgetast door scanner. Verschillen in helderheid worden door fotocel omgezet in elektrisch signaal. Dit analoge signaal wordt omgezet in een digitaal en gecomprimeerd om het sneller te kunnen sturen.
Nu : 4de generatie faxtoestellen. CCITT legde in 1972 specificaties vast voor 1ste generatie faxtoestellen, in 1976 voor 2de, in 1980 voor 3de en in 1984 voor 4de. Faxtoestellen van 1ste 2 generaties worden bijna niet meer gebruikt en zijn niet compatibel met die van latere generaties.
Nu ook draagbare faxtoestellen: kunnen gecombineerd met mobilofoon in auto gebruikt worden. Op komst: fax-conferencing: interactieve fax waarbij ontvanger op een beeldscherm het document kan zien, zodat er voor het versturen van de definitieve versie nog wijzigingen kunnen aangebracht.

- mobilofoon
-> kan ook draagbare pc op aangesloten worden.
België: vanaf jaren 60, maar 1ste automatische netwerk werd in 1977 in gebruik genomen. Gebruik: omslachtig: oproeper diende te weten in welke telefoonzonde zijn respondent zich bevond. 21 radiozenders nodig, die elk zone met straal van 30 tot 40 km hadden. Geen hand-over-faciliteit: van het bereik van de ene naar de andere zender rijden => verbinding verbroken. Capaciteit: 4500 abonnees => in 1986 verzadiging
Om capaciteit te kunnen verhogen: netwerk uitgebouw van kleine, op elkaar aansluitende radiozones = cellulair net: bestaat uit zeshoekige radiozones, waarvan de grootte functie is van het # communicaties in de zones. Landelijke zones: celen met een straal van 20km; centra van grote steden: cellen met straal van 5km of minder. Dit net werd in juni 1987 in België in gebruik genomen.
Kleinere radiozondes => mobilofoongesprekken moeten van de ene cel overgenomen worden door de volgende. # beschikbare frequenties voor mobilofonie is beperkt. Als men dezelfde frequentie zou gebruiken in aanpalende cellen, zou er interferentie optreden => aanpalende cellen: andere frequenties. Er moet dus tijdens gesprek door andere zone overgenomen worden + gewisseld worden van frequentie.
Veel landen eigen standaard. 1991: uitbouw Europees digitaal netwerk met GSM-norm (Global System for Mobile Communications), het systeem 900. Later, ook Systeem 1800.
GSM = rage. Eind 2000: ½ Belgen belt mobiel, begin 2001: meer gsm-abonnees dan vaste telefoonlijnen. 3 operatoren: Proximus, Mobistar, Base.
GSM toestellen kan je gebruiken in meeste landen in Europa en Australië, Hong Kong en Zuid-Afrika maar niet in VS (eigen standaard).
Wereldvlak: nog geen eensgezindheid voor standaard voor mobiele telefonie. Hier: gsm, VS: CDMA (Code Division Multiple Access). CDMA: frequenties d.m.v. codering gedeeld; TDMA (Time Division Multiple Access): frequenties worden in minuscule tijdschijfjes opgedeeld (dit wordt gebruikt bij GSM).
Gsm wordt vandaag in alledaagse gebruiksvoorwerpen ingebouwd.
Technologie van gsm is gebaseerd op gesprekken voeren en niet op massaal data versturen. Door WAP-technologie (Wireless Apllication Protocol) kan men surfen op internet, maar met beperkte mogelijkheden.
Behoorlijk mobiel surfen: mobilofonie van de 3de generatie, UMTS (Universal Mobile Telecom System). Met een snelheid van 2000 kbps binnen, 384 kbps buiten en 144 kbps in een rijdend voertuig => gegevens 15 tot 200 x sneller verstuurd dan bij huidige gsm’s. België: in 2001 3 licenties voor UMTS geveild.
Concurrent voor gsm: draadloze telefoon met grote reikwijdte, gebaseerd op DECT-techniek (Digital Extended Cordless Telephone): men is in volledige stad bereikbaar.
Inmarsat wil systeem van draagbare telefonie opzetten dat wereldwijd te gebruiken is via satellieten.

- videofoon
= beeldtelefoon
+/- 20 jaar oud, geen grote doorbraak door beperkte mogelijkheden huidige telefoonnet.
Problemen ivm privacy
Met doorbraak ISDN krijgt professioneel gebruik een stimulans. Nu al: experimenten: in multimediaprojecten videofoon gecombineerd met radio, tv, elektronisch documentbeheer enz.

e. Telex
voorloper telex = telegraaf (1837).
Telex komt van TELeprinter EXchange. Telex is een soort tikmachine, waarbij nadat men via een net vergbinding heeft gemaakt met een ander telextoestel de boodschap bij de zender intikt en bij de ontvanger uittikt.
1930 VS: aanleg nationaal telexnet, 10 jaar later in Europa. In België: in 1946 met telex begonnen, midden jaren 50 waren vrijwel alle Europese hoofdsteden met elkaar verbonden.
Klavier telex = beperkt: accenten of hoofdletters gaan niet. Maar telex is een betrouwbaar communicatiemiddel en vaak het enige communicatiemiddel met ontwikkelingslanden. In meer dan 200 landen staan meer dan 1,2 miljoen telextoestellen. Uitgetikte tekst van een telex heeft rechtsgeldigheid. Verwachtingen voor telex zijn toch niet rooskleurig: verwachting = daling telexverkeer en vervanging door andere vormen van telecommunicatie.
Communicatie tussen redacties en van persagentschappen naar de media is jarenlang via telex gegaan. Wel speciale redactieploeg nodig om ontbrekende leestekens en hoofdletters aan te brengen.
Evolutie telexverkeer: via telextoestel een ponsband kon aanmaken op eigen tempo en deze aan topsnelheid kunnen doorsturen. Latere evoluties: telexapparaten elektronisch en ze werkten meer als pc’s dan als mechanische telextoestellen. Vandaag: functie kan in pc geïntegreerd worden.

f. Databanken
Moderne journalist heeft op redactie via zijn scherm toegang tot een waaier aan bronnen. Via analoge telefoonlijnen, satellietcommunicatie en ISDN-lijnen beschik hij op de centrale redactie over teksten van binnen- en buitenlandse medewerkers, collega’s en persagentschappen. De redacteur kan ook radio- en tv-nieuws volgen, teletekst, kranten ten tijdschriften en grasduinen in databanken.
Dit kan op 2 manieren: Consulteren van data bij een apparaat waar deze gegevens zijn op geslagen. Zijn deze elektronisch opgeslagen, heet het offline-databestand. Zijn gegevens opgeborgen in centrale computer en dient men via modem de gegevens via het scherm ergens op afstand te raadplegen, heet het online-systeem of online-information retrieval systeem.

- online-databanken
Onderscheid databases (verwijsbestanden) en databanken (bronbestanden):
Databases bevatten niet de uiteindelijke info die de gebruiker zoekt, maar verwijzen naar bronnen waar deze info te vinden is. Men kan onderverdelen in bibliografische databases en elektronische gidsen.
Databanken bevatten gegevens zelf over een bepaald maatschappelijk domein. Onderverdeling:
- numerieke databanken: bevatten enkel cijfermatig materiaal
- excerptendatabanken: samenvattingen van oorspronkelijke documenten
- fulltext-databanken
- documentbanken: gedigitaliseerde versie van originele documenten met oorspronkelijke vormgeving
Er bestaan ook mengvormen. Ook onderscheid historische databanken (wijzigingen na invoering bijna niet meer) of real-time databanken (dienen bestendig aangepast aan gewijzigde omstandigheden)
Raadplegen online-databestanden: men kan gebruik maken van analoge telefoonlijnen, maar is niet ideaal => openbaar datanet in België: DCS( Data Communication Service) = naast telefoon- en telexnet het 3de openbare communicatienetwerk in België. Werkt volledig digitaal en is internationaal gestandaardiseerd volgens het X25-protocol, zodat ook internationale uitwisseling van gegevens probleemloos kan. Meer en meer echter gebruikt met ISDN-lijnen.
Online-databestanden raadplegen: betalen per prestatie ifv de tijd v/h raadplegen en/of het volume dat men opvraagt.
Nu: duizenden online-databestanden, grootste gedeelte Amerikaans. 1 v/d grootste Europese is dat van Reuter. Bij Reuter zijn er +/- 70 000 abonnees die actueel nieuws krijgen, met accent op financiële berichtgeving. Meer en meer databanken kan je raadplegen via het www.

*Internet
= bekendste on-line-databank momenteel. Internet = wereldomspannend netwerk van netwerken.
Via internet liggen enorme verzamelingen info en computerprogramma’s binnen handbereik. Er is geen centrale plaats van waaruit internet wordt bestuurd en beheerd.
Ontstaan: jaren ’60 als experimenteel project van het Amerikaans ministerie van Defensie. Doel: wetenschappers de mogelijkheid geven met mekaar via een computernetwerk te communiceren over hun wetenschappelijk onderzoek. Project werd opgezet door het Advanced Research Project Agency (APRA) -> APRA-net. Snel bleek dat het niet enkel voor wetenschappelijke doeleinden werd gebruikt. Steeds meer verzoeken kwamen binnen van mensen en instellingen die ook wilden aangesloten worden.
Jaren ’80: National Science Foundation (NSF) ontwikkelt netwerk waarin een aantal supercomputers met elkaar verbonden werden. Dit moest toegankelijk zijn voor wetenschappers en onderzoekers. Eerst werd getracht APRA-net te gebruiken, maar die samenwerking verzandde. NSF besloot dan eigen netwerk te ontwikkelen. Er werden regionale netwerken opgericht en universiteiten en onderzoeksinstellingen konden via het regionale netwerk gebruik maken van de diensten van NSF-net.
Spoedig werden andere computers en netwerken ook op NSF-net aangesloten en werd het voor particulieren mogelijk het te gebruiken. NSF-net werd door tal van netwerken gevormd => internet.
Al deze computers kunnen met elkaar communiceren omdat ze gebruik maken van eenzelfde computerprotocol: TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol).
Elke computer die deel uitmaakt van Internet heeft een naam en adres waaraan men hem kan identificeren. Op laag niveau worden naam en adres (IP-naam) gevormd door cijfers. Op gebruikersniveau worden computers aangeduid met namen, de URL (Universal Resource Locator). Elke gebruiker heeft ook eigen e-mailadres.
URL’s en e-mailadressen zijn uniek, over de naamgeving wordt gewaakt door de DNS (Domain Name System).
Belangrijkste mogelijkheden van internet:
- e-mail
- netnews
- chat
- telnet
- ftp (file transport protocol)
- searching
Voordelen van online-bestanden tegenover andere systemen:
- actualiteit
- selectiviteit
- manipuleerbaar
- toegankelijkheid

*Videotex
voorheen viewdata = communicatiemiddel dat gebruiker toelaat op eenvoudige wijze over het telefoonnet met computers en databanken te dialogeren. Men gebruikt een videotexterminal om via de telefoon info op te vragen, transacties uit te voeren, berichten uit te wisselen.
Midden jaren ’70 ontwikkeld in UK. Systeem moest databank voor iedereen worden: goedkoop en gebruiksvriendelijk. Televisiescherm diende als basis. Verder zou er een eenvoudige zoekprodcedure moeten zijn en kleurgebruik en grafische voorstellingen moesten mogelijk zijn.
1979: Britse PTT begint 1ste openbare videotexdienst ter wereld, nl. Prestel.
1986: RTT start in België met openbare videotexdienst. Voor het gebruik moest men een aangepast scherm hebben of pc met aangepaste software.
Via de telefoon wordt men automatisch verbonden met een lokaal Videotex Toeganspunt (VTP). Dit zorgt ervoor dat de gebruiker automatisch doorgeschakeld wordt op het DCS-net. Dit heeft vooral gevolgen voor de kosten. De tarieven van DCS zijn nl. voor interzonaal verkeer gunstiger dan telefoontarieven.
Op videotexnetwerk kunnen verschillende informatieleveranciers geschakeld worden:
- externe videotexdiensten
- OVDC (Openbare Dienstverlenende Computer)
- buitenlandse openbare VTX-diensten.
Meest succesvol: Télétel in Frankrijk, meestal Minitel genoemd. In 1980 begon de Franse PTT met een kleinschalig project met een elektronische telefoongids. In 1985 was de gids op nationaal vlak uitgebouwd. Nu zijn er meer dan 27 miljoen abonnees in het bestand, per dag worden 40 000 wijzigingen aangebracht.
De telefoonabonnees in de regio’s met elektronische gids kregen gratis een Miniteltoestel. Sinds 1984 werden dus 80% van deze Minitels gratis uitgedeeld. Bedoeling: meeruitgave door gratis verstrekken videotextoestellen compenseren door inkomsten uit groter telefoonverkeer. De helft van de investering (12 mld FF) werd al teruggewonnen.
Rond de elektronische telefoongids hebben zich 1000den andere VTX-bestanden ontwikkeld, gesitueerd rond Télétel-Kiosk. Kiosk bevat nieuws, spelletjes, toeristische info, tuin- en keukentips en elektronische post (erotische “messagerie rose” is rage).
Frankrijk: meer dan 5 miljoen videotexabonnees, men kan meer dan 14 000 bestanden raadplegen, er zijn 8000 informatieleveranciers. In 1989: Télétel 86,5 miljoen uren gebruikt.
Toch slaat ook hier internet toe. 1989: beslist op termijn Minitel op te doeken en te vervangen door internettoepassingen.
Videotex kan ook gebruikt worden voor openbare elektronische informatiezuilen.

- offline-databanken
Elke redactie moet uitgebreide documentatiedienst hebben. Vroeger: knippen en plakken en in mappen, dan op microfiches en/of microfilm. Op elektronische redactie: teksten elektronisch opslaan.
Daarvoor kan b.v. gebruik gemaakt worden van magnetische opslagelementen. Vormen: band (bandgeheugen), trommel (trommelgeheugen), schijf (schijvengeheugen), ring (kernengeheugen).
Mogelijkheid dat elke redacteur vanop zijn werkstation alle artikels uit het documentatiebestand integraal gaat opvragen. Handige zoekmethode: combinatie trefwoorden.

*CD-Rom
= Compact disc – Read Only Memory = cd die vooral gebruikt wordt voor opslag van digitale alfanumerieke informatie.
Apparatuur: CD-ROM-speler en een pc.
Opslagcapaciteit: 600 Mbyte, +/- 200 000 A4-bladen, 20 000 zwart-wittekeningen, 2000 kleurenbeelden, 1 tot 14 uren geluid, 800 diskettes.
Voordelen: grote betrouwbaarheid, geen beïnvloeding van magnetisme, bestand tegen mechanische trillingen, haast onverslijtbaar, krasbestendig. Je kan een cd-rom off-line raadplegen: vermijdt dure telecommunicatiekosten.
CD-technologie is resultaat van samenwerking van vooral Philips en Sony. Standaardisatie was noodzaak. Daarvoor werd High Sierra-standaard gebruikt, ook ISO 9660 genoemd.
ISO 600 maakt het mogelijk tegelijkertijd geluid, beeld en tekst weer te geven. Daarom ontwikkelden Philips, Sony en Microsoft in 1988 de cd-rom Extended Architecture (CD-ROM-XA), waardoor gelijktijdige overdracht van gegevens werd opgelost.
CD-ROM-toepassingen worden vooral gebruikt voor opslag van massale hoeveelheden gegevens met vrij beperkte actualiteitswaarde. Er bestaat ook een netwerkversie voor de CD-ROM en verder is er de CD-ROM-juke-box waarin tot +/- 100 CD-ROMs kunnen afgespeeld.

*CD
= Compact Disc = optische plaat, ontwikkeld door Philips en Sony, waarop test en/of audio en/of video digitaal kan worden opgeslagen.
De info wordt op een cd vastgelegd in een spiraalvormig spoor van kuiltjes (de pits). Een laserstraal tast de cd af. Waar geen kuiltjes zijn (bij de lands) wordt de laserstraal gereflecteerd. Teruggekaatste licht wordt door een fotodiode omgezet in elektrische pulsen. Het wel/niet doorgeven van pulsen maakt binaire informatie mogelijk.
Elke cd heeft een doorsnede van 5,25 inch (12 cm) en een capaciteit van +/- 600 Mbyte. Afhankelijk van de cd-versie kan de capaciteit benut worden voor audio, teksten, tekeningen en/of beelden.
Bij alle cd’s worden data opgeslagen volgens de CLV-methode: gegevens worden in spiraalvormig spoor van binnen naar buiten afgetast.
Omdat afbeeldingen op een cd meer ruimte in beslag nemen dan b.v. geluid, gebruikt men hier compressie en decompressietechnieken. Beelden bevatten vaak datasegmenten met een uniform patroon. Ipv elke pixel (picture elements = beeldelement) afzonderlijk te bepalen, is het mogelijk groepen pixels te beschrijven. Tijdens het afspelen dienen de gecomprimeerde gegevens dan door de cd-speler gedecompresseerd.
Aftasting cd: draaisnelheid varieert naargelang het deel van de plaat dat wordt afgetast. Het spiraalvormig spoor loopt van binnen naar buiten. Bij een cd-audio draait de laat 500 toeren/minuut bij aftasting aan de binnenkant en 200 toeren a/d buitenkant. De aftastsnelheid (= snelheid waarmee info o/d plaat wordt afgetast door de laserstraal) wordt constant gehouden, zodat gegevens op de schijf met constante snelheid uitgelezen worden.

*CD-I
= Compact Disc-Interactive = cd waarop tegelijkertijd tekst, geluid en bewegende beelden kunnen opgeslagen worden. Voordeel: men kan gegevens op interactieve wijze raadplegen.
Kijker bepaalt zelf wat hij wil zien en gebruikt de info op het plaatje interactief. Zowel het plaatje als de afspeelapparatuur zien eruit als bij een gewone cd. Bij de cd-i-speler wordt wel een muis geleverd of een afstandsbediening. Ook gewone cd’s kunnen in deze speler beluisterd worden. De speler koste tussen 10 en 40 000 BEF en kan aangesloten worden op elke hifiketen of tv-toestel. Een CD-I-plaatje kost +/- 2000 BEF.
Op een aantal CD-I-platen is bewegend beeld (Full Motion Video – FMV) te vinden. De standaard voor FMV werd in 1991 vastgelegd door Philips, Sony en Matsushita. Een eerste toepassing ervan kwam van JVC (samen met Philips) voor karaoke op CD)-I.
Een CD-I-straalplaat kan 250 000 getikte pagina’s bevatten of 5500 statische beelden (indien gecompresseerd: x 10) of 100 tot 800 foto’s of 72 minuten dynamisch beeld (FMV). Bovendien zijn er tot 8 stereo-kanalen mogelijk.
CD-I-speler moet gekoppeld worden aan tv-toestel. Men kan een CD-I-plaat eens opgenomen ook niet wijzigen.
Succes CD-I was afhankelijk van # titels: Philips investeerde zwaar in softwarehuizen maar CD-I mislukte toch, net zoals het superieure videosysteem Philips V2000.

*CD-R (recordable)
= beschrijfbare cd.
Daarmee is de ontwikkeling van de cd nog niet ten einde. Verwachting: harde schijven in pc’s vervangen door cd’s. Eind 1996: nieuwe standaard voor cd’s, bedoeld voor het opslaan van computergegevens, nl. CD-rw (CD-rewritable). Dit wordt waarschijnlijk de opvolger van de floppy-disk want kan 650 Mbyte info opslaan, 450x meer dan een 3,5inch-diskette. CD-rw is gezamenlijk initiatief van Hewlett-Packard, Mitsubishi, Philips, Ricoh en Sony. Ze is compatibel met de klassieke cd en dvd-rom-drives.

*DVD
1997: Japanse elektronicagroep Matshushita brengt 1ste dvd-speler op Europese markt (merk: Panasonic). DVD (Digital Video Disc) is opvolger CD: opslagcapaciteit is 13x die van de CD.
1995: standaard DVD vastgelegd door grote maatschappijen uit de elektronica. Heeft hetzelfde formaat als CD, kan tot 4 uur bewegende beelden opslaan.
Later: DVD-R (kan 1x beschreven worden) en DVD-rw (kan eindeloos beschreven en gewist). Strijd op wereldvalk om hiervoor 1 standaard te gebruiken tussen Matsushita en Toshiba (DVD-Ram) enerzijds en Sony, Philips en Pioneer (DVD-rw) anderzijds.

*WORM
= Write Once Read Many = optische schijf waarop de gebruiker zelf zijn info wegschrijft, maar de eenmaal weggeschreven info niet meer kan uitwissen.
Behoort samen met de E.O.D. (Erasable Optical Disc) tot de familie van de D.O.R.-platen (Digital Optical Recording)
Massale opslagmogelijheid => vooral voor elektronisch archiveren van documenten.
Geen standaard formaat, opslagcapaciteit varieert ifv de grootte v/d plaat: van 350 MB tot 4 GB (3GB = +/- 500 000 vellen A4). Op termijn: WORM vervangen door DVD.

B/Illustraties doorsturen en opslaan

a. Foto’s en dia’s
1839: Franse Kamer van Volksvertegenwoordigers neemt voorstel aan om fotograaf van Daguerre door de staat te laten aankopen. Daguerrotype kent groot succes.
1880: 1ste persfoto’s afgedrukt, met halftone-techniek (uitgewerkt door Ives)
20 juli 1902: 1ste foto in Neue Zürcher Zeitung: foto werd afzonderlijk gedrukt en dan met de hand in 12 000 exemplaren geplakt.
1903: ontdekking Belinograaf of fototelegrafie door Edouard Belin: foto wordt op rol gemonteerd, lijn per lijn afgetast, telegrafisch overgeseind en op een ontvangsttoestel weer samengebracht tot een afdruk van het origineel.
1936: De Dag beschikt als 1ste Belgische krant over een belinograaf. Belino-overseining bleef in het begin beperkt tot kabeloverseining, later was ook overseinen via radiogolven mogelijk.
Vandaag: mogelijkheid per dag 100den foto’s via ISDN-lijnen of satelliet digitaal te ontvangen. Op het scherm kunnen afdrukken bewerkt worden. Een afdruk maken is niet nodig, de digitale foto kan zo gebruikt worden bij elektronische opmaak. Illustraties die als afdruk de redacties binnenkomen worden digitaal ingescand => verdere bewerkingen kunnen op scherm.
Laatste schakel in fotograferen die nog moet gedigitaliseerd worden: foto’s maken zelf. Dit kan door still video-camera’s te gebruiken. De techniek is vergelijkbaar met die van video-opnamen. De stilstaande videobeelden kunnen afgelezen worden op tv-toestellen. Ipv een filmrolletje bevat de camera een floppy disk waarop beelden worden opgeslagen. Still video werd voor het 1st toegepast door Japanse persfotografen op de Olympische Spelen in LA.
Veel voordelen: resultaten onmiddellijk beschikbaar, geen wachttijden voor ontwikkelen, afdrukken kunnen via grafische computers bewerkt worden, rechtstreeks gebruikt worden in elektronische opmaak of via telecommunicatie doorgestuurd.
In dezelfde lijn: capteren tv-beelden en die weergeven in een krant. Meestal worden tv-beelden 1st opgenomen op band en dan via een videoprinter afgedrukt. Kwaliteit is niet optimaal voor krantenfoto + er moeten hoge rechten betaald worden aan tv-stations.

b. Nieuwsgrafieken
= illustraties die een nieuwsverhaal al tekenend “vertellen”.
Naarmate tv lezers meer en meer beelden liet zien, hebben ook kranten zich aangepast USA Today (°1982)van de Gannettgroep heeft hierin baanbrekend werk verricht.
Oorspronkelijk: illustraties getekend en als lijncliché in de bladzijden verwerkt. Vandaag: gebruik gemaakt van grafische computers om nieuwsgrafieken te maken. Via internationale persagentschappen kunnen ze ook dagelijks bekomen worden. Er bestaan ook bestanden met figuurtjes voor nieuwsgrafieken. Zo kan heel snel gewerkt worden. Nieuwsgrafieken kunnen ook direct gebruikt worden in de elektronische opmaak.

c. Lay Out
Voorlopig laatste fase van de evolutie: Desktop Publishing (DTP) = het op scherm elektronisch opmaken en drukklaar maken van pagina’s. Bij kranten heet elektronische lay out EPC (Electronic Page Composition).
WYSIWYG-concept (What You See Is What You Get) is zeer succesvol.
Voordelen: sneller wijzigingen aanbrengen, productieproces versnellen, kosten drukken. Manuele opmaakafdelingen en reproafdelingen verdwijnen. Het is immers mogelijk kant en klare elektronisch opgemaakte bladzijden rechtstreeks naar de drukplaten te sturen of (in de toekomst) rechtstreeks naar de juiste plaats op de rotatiepersen => drukplaten overbodig.

C/Drukken, verzenden en distribueren
Elektronica heeft flink terrein gewonnen.
Rotatiepersen: aansturing, inktregeling, papierdruk, rollen wisselen, controle en snelheid worden volledig elektronisch geregeld en bijgestuurd.
Verzending: # exemplaren/winkel of postkantoor wordt elektronisch ingelezen en klaargemaakt voor verzending.
Drukken, verzenden, distribueren blijft cruciale, duurste, moeilijkste deel v/d productiecyclus + tegenkanting vanuit milieuhoek (berg oud papier). Wel: experimenten met ander materiaal. Scandinavië: bossen speciaal voor kranten, gebruik vandaag is kleiner dan productie.
Er wordt al jaren gezocht naar wegen om de ingewikkelde distributie te vervangen door een systeem van elektronische verdeling. Krant verdelen via kabel is geen probleem: oprichting Databel in 1993 om dergelijke toepassingen te onderzoeken. Wat ontbreekt, is een degelijke grote kleurenprinter aan een concurrentiele prijs met de huidige productiekost.
Dit systeem maakt ook een krant-op-maat mogelijk.
Knight-Ridder = Amerikaans krantenconcern: 2de grootste dagbladconcern in de VS met 30 kranten en 25 zondagskranten, dagelijkse oplage van 3,8 miljoen exemplaren (4,6 op zondag) -> denkt al lang aan elektronische krant. Men gelooft in draagbaar elektronisch scherm met interactieve krant (1ste blz. = menu) en speciale features voor slechtzienden. De krant is volledig up-to-date en heeft een archief. Dergelijke toepassingen zouden grote gevolgen hebben voor tewerkstelling (bij post, distributiebedrijven en krantenwinkels) + reacties advertentiemarkt niet in te schatten.

2. Printing in the Global Village
Komst nieuwe media => situatie gedrukte media grondig gewijzigd: monopolie als informatiedrager kwijt + vermindering drukmonopolie. Ook mediagebruik is drastisch gewijzigd.
Vrees: reclame-inkomsten van kranten zullen afvloeien naar nieuwe media. Advertentie-inkomsten moeten ook gedeeld worden, zonder dat totale advertentie-inkomsten stijgen.
Verwachting: meeste publicaties zullen nog jaren in gedrukte vorm verschijnen. Maar: geen zekerheid over de evolutie op vlak van technologie, nieuwe markten + weinig kijk op toekomst informatie-industrie.
Traditionele uitgevers voelen zich sterk door hun lange ervaring, vakmanschap en relatie met hun lezers, maar weinig uitgevers weten hoe deze punten te gebruiken bij de nieuwe media.
Consulting Trust zegt: Japan sterk in hardware, VS in software, Europa in inhoud. Maar: groot aantal inhoudelijke aspecten is gebaseerd op tekst en niet geschikt voor multimediatoepassingen + grootste film- en muziekproducers zijn niet-Europeanen.
Geen globale strategie voor succes in de toekomst. Uitgevers zijn conservatief en sceptisch over nieuwe media, niet op de hoogte van nieuwe mogelijkheden en zien ze als bedreiging. => geneigd elektronisch uitgeven over te laten aan anderen -> uitgevers moeten investeren in elektronisch uitgeven in hun specifieke markt. Daarvoor moeten z strategische allianties aangaan en zich nieuwe technieken eigen maken (ervaring opdoen).

3. Diversificatie
probleem vandaag = kostenstijgingen -> mogelijkheden zoeken om te kunnen investeren + zoeken hoe men de info meer keren kan gebruiken. Men wil ook door diversificatie bij versnippering advertentie-inkomsten, de globale inkomsten in het eigen concern te houden.
- huis-aan-huisbladen
- magazines
- sponsored magazines =volledig betaald door een bedrijf(ssector) en gratis verspreid naar specifieke doelgroep
- cassettenieuws
- audiotex-diensten
- participaties van uitgevers in lokale radio’s
- (nieuws aan lokale radio’s aanbieden via) videotex
- elektronische databank (b.v. Tijd Electronic Services)
- cd-rom met jaargangen van b.v. FET en Roularta-tijdschriften
- commercialiseren van documentatiediensten
- faxkranten
- deelname aan radio en televisie
- deelnemen aan regionale televisie en de daaraan verbonden regionale teletekst en regionale kabelkranten
- elektronische kranten, databroadcasting


4. Is er nog een toekomst voor kranten?
Kranten zijn onderworpen a/d economische wet v/d product-levenscyclus. Deze cyclus volgt gewoonlijk een s-curve: 1st langzame groei, dan expansie, periode van rijpheid, marktverzadiging of terugval. Kranten zitten nu in de periode va stagnatie. Wat nu?
3 mogelijkheden: stabilisatie op huidige niveau in verzadigde markt; terugval tot zelfs het verdwijnen van oude media; door vernieuwing in product en distributie en door het product krant van nieuwe eigenschappen te voorzien kan er een nieuwe s-curve worden opgebouwd.
4 scenario’s (door ANPA, American Newspaper Publisher Association):
- Mass Appeal: zoveel mogelijk lezers vasthouden bij huidige krantenproduct: kostenbeheersing belangrijk + krant moet makkelijker bereikbaar zijn voor adverteerders en wie op advertentie wil reageren.
- Class Appeal: krant richt zich op hoge inkomens- en opleidingsgroepen: kan meer betalen en is interessantst voor adverteerders. Krant moet ondersteund door audiotexdiensten, fax en on-line databases voor lezers en adverteerders.
- Individual Appeal: doelgericht product wordt aangeboden: brede waaier van nieuwe producten wordt aan de krant toegevoegd ter versterking van haar positie + aangevuld met elektronische informatiediensten
- Direct Appeal: krantenbedrijf wordt een soort direct mail-onderneming -> concurrentie direct marketing.
Op korte termijn levert Class Appeal het meeste rendement op.
Tendens: krant op maat, b.v. 1 of meer katernen waarop men zich afzonderlijk kan abonneren. Dit is ook interessant voor de advertentiemarkt: doelgerichte campagnes voor bepaalde lezersgroepen.
Toch kan het hier niet bij blijven: krantenbedrijven moeten zich omvormen tot informatiebedrijven. Diversificatie van het product krant + info via multimediagebeuren meer keren ten gelde maken: “one source, multiple use”.
Er zijn geen pasklare oplossingen. Ook overheid heeft een rol.

5. Online kranten
jaren ’80: Belgische dagbladuitgevers experimenteren met videotex -> faalt
jaren ’90: kranten in VS willen op online markt komen en kiezen voor bestaande netwerken. Elk netwerk gebruikt eigen platform => # abonnees voor elektronische kranten was beperkt en uitgevers krijgen maar percentage v/h bedrag dat a/d gebruikers wordt aangerekend.
Internet haalt deze evolutie door elkaar (vanaf 1993). Ook Belgische uitgevers hebben zich op internet en online-kranten gegooid. Reden: “Dabei zein ist alles”, of “fear, uncertainty, doubt” + het werkt imago-ondersteunend.
Motieven van uitgevers om online te gaan, van belangrijk naar minder belangrijk:
- Remain the number 1 information source
- Provide additional reader service
- Create new/additional advertising opportunities
- Generate new revenu/profit sources
- Improve customer service
- Preempt competition
- Acquire experience in electronic delivery
- Generate increased publicity/promotion
Ondertussen: www-kranten hebben evolutie ondergaan. Nu zijn het belangrijkste: promotiemiddel, inhoud recycleren, extra dienst voor de lezer.
Voordelen tegenover traditionele krant:
- permanente actualiteit
- relatief onbeperkte ruimte
- mogelijkheden tot individualisering van de inhoud – The Daily Me
- snellere en goedkopere distributie
- aanbieden van zoekfuncties
- interactie met de lezer
Probleem: hoe online-kranten rendabel maken? Opbrengsten uit website: promotie, advertenties, abonnementsgeld, consultatietarieven.


B. Audio-visuele media

1. Audio-toepassingen
A/Radio
Radio = resultaat van een reeks doorbraken: ontdekking elektromagnetische golven in de ether door Maxwell en Hertz (2de helft 19de eeuw); draadloze telegrafie door Marconi (eind 19de eeuw); draadloze telefonie door De Forest en Fessenden (begin 20ste eeuw). => schepen, vliegtuigen en militairen konden met mekaar en met hun basis communiceren.
1920: Davis beseft dat radio een groot publiek kan bereiken. 2 november 1920 start Westinghouse het 1ste commerciële radiostation – KDKA in Pittsburgh. Hij hoopte te verdienen a/d verkoop van radio’s die nodig waren om zulke stations te beluisteren.
Eind 1922: 576 dergelijke stations in de VS en er werden dat jaar 100 000 radio’s verkocht. In 1925 waren er in de VS 5,5 radiotoestellen, bijna 1/2 van alle toestellen ter wereld.
1914: 1ste radioproeven in België: uitzending concert vanuit paleis te Laken.
Lange weg afgelegd: kwaliteit is dankzij FM (frekwentiemodulatie) en stereo verbeterd. Kant van de zender: bijna hele proces gedigitaliseerd; ontvanger: kwaliteit opgevoerd, miniaturisering slaat toe.
Investeringskost voor het uitrusten van een station is erg gedaald (lokale radio’s).
Robotradio’s = werken volledig computergestuurd zonder enige menselijke tussenkomst. Enkel rondrijdende reporter kan per telefoon tussenkomen (programma wordt onderbroken). Reporter spreekt zijn nieuwsitem in over de telefoon voor de micro, nadien neemt de computer de sturen v/h radiostation weer over.
Mogelijkheden van radio zijn wereldwijd via satelliet. Volgende stap = digitale radio.

B/RDS – Radio Data System
Samen met gewoon radioprogramma kunnen “in de marge” andere gegevens verstuurd worden. Met RDS kunnen digitale data dmv radiogolven verstuurd worden via de fm-band en met een (aangepast) radiotoestel ontvangen worden. De technologie is gestandaardiseerd door de European Broadcasting Union (EBU).
Met RDS kan een radiotoestel automatisch zoeken naar de krachtigste frequentie en men kan onderbreken voor verkeersinformatie. Andere mogelijkheden: nieuws en/of financiële informatie.
Via een decoder zou men RDS-boodschappen zelfs kunnen personaliseren (men kan gebruiker individueel oproepen of bepaalde info doorsturen).

C/Geluidsopnamen
Meeste radionieuws werd in het begin rechtstreeks uitgezonden. Toen geallieerden Berlijn binnenvielen zagen ze bandrecorder. Jarenlang heeft men zich moeten behelpen met mangnetische dragers voor opname van auditieve gegevens. De analoge cassette dateert van 1962. Vandaag: opname-apparatuur volledig gedigitaliseerd.

a. DAT-speler
1986: ontwikkeling DAT-speler (Digital Audio Tape) in Japan. Digitale info wordt opgeslagen op een magneetband. Voordeel: kwaliteit verhoogt en men kan het opgenomene weer wissen. Nadeel: magneetband kan niet contactloos worden afgelezen -> slijtage v/d band.
Platenindustrie probeerde introductie van de DAT-speler te verhinderen omdat je met DAT-speler cd kon kopiëren zonder kwaliteitsverlies.
Juli 1989: compromis: invoering SCMS-systeem = Serial Copy Management System, laat toe slechts 1 kopie te maken van een ander digitaal medium.
DAT-speler wordt vandaag vooral in professionele uitvoeringen in studio’s gebruikt.

b. Mini-Disc
1993: Sony brengt Mini-Disc (MD) o/d markt. Ziet eruit als een diskette met een zijde van 6,4 cm. Met de MD kan men digitale muziek weergeven en opnemen. Dankzij compressietechnieken kan er evenveel muziek op als op een cd. Prijs MD is ook competitief met die v/d CED. Voordeel MD: opnamemogelijkheid (zonder slijtage); schokbestendig.
1993: Philips tegenaanval: DCC (Digitale Compact Cassette) = opvolger analoge cassette: kan geluid opnemen, wissen en weergeven. Voordeel: oude analoge cassette kan afgespeeld worden op DCC-speler. Systeem faalde: hoogwaardige cassette diende meestal afgespeeld met minderwaardige leeskoppen.

2. Visuele toepassingen
A/ Televisie
= kijken op afstand

a. De opbouw van het beeld
1883: Nipkow: beelden kunnen ontrafeld worden in lijnen en punten. Proefopstelling: voorwerp wordt geprojecteerd op roterende schijf waarin (in spiraalvorm) oorspronkelijk 30 gaatjes zitten. Het licht v/h voorwerp dat weerkaatst werd, kan alleen door de gaatjes vallen. Het weerkaatste licht valt (vanwege de spiraalvorm) beeldlijn na beeldlijn doorheen de schijf. Het volledige object wordt ontleed in 30 lijnen. Het licht dat door de gaatjes valt wordt opgevangen door een fotocel en omgezet in een elektrisch signaal. Aan de ontvangstzijde staat een gelijksoortige schijf, die aan dezelfde snelheid ronddraait. Voor deze schijf bevindt zich een lamp. De spanningsvariaties van de fotocel worden door deze lamp omgezet in lichtvariaties. Doorheen de gaatjes v/d draaiende schijf ontstaat op het ontvangsttoestel een reproductie v/h opgenomen object. Opeenvolging beeldpunten- en lijnen snel genoeg => door menselijk oog als 1 beeld ervaren.
1928: 1ste tv-toestel o.b.v. Nipkow-schijf ontwikkeld door Mikaly-Telehor. Kwaliteit 1ste beelden was slecht. Baird verhoogde de kwaliteit door # gaatjes en toerental te verhogen.
1923: Baird realiseert 1ste draadloze uitzending met bewegende beelden.
1987: Braun vindt kathodestraalbuis of CRT (Cathode Ray Tube) uit -> van mechanische naar elektronische beeldproductie. Werking CRT berust op principe dat elektronen worden opgewekt door een kathode of elektronenkanon => een lichtgevoelig scherm kan opgelicht worden. Dit principe samen met dat van Nipkow leidde tot het systeem v/d huidige schermen.
CRT werd 1st toegepast voor de weergave v/d beelden bij de ontvanger. Pas in 1935 werd door RCA (VS) een elektronische beeldopnamebuis, die ionoscoop, geïntroduceerd.
Voor beeldaftasting en –wederopbouw werden internationaal standaarden vastgelegd door de CCIR (Comité Consultatif International de Radiodiffusion). Beeld wordt afgetast van boven naar onder en van links naar rechts en bestaat uit 625 lijnen. Elke lijn: 700 beeldpunten. Beeldfrequentie: 25 beelden ver seconden = 25 Hertz.
Kleurentelevisie: signaal opgedeeld in 3 signalen (met de basiskleuren). Meeste kleurencamera’s: 3 opnamebuizen.
Toenemende digitalisering: klassieke opnamebuis vervangen door CCD-chip: maakt kleinere camera’s mogelijk; heeft 10x langere levensduur; geen onderhoud nodig; geen probleem van inbranding; schokbestendig; geen opwarmtijd; laag stroomverbruik.

b. De weergave van het beeld

- MAC-norm
Weergave televisiebeelden: 3 standaarden:
- NTSC (National Television System Committee): 525 lijnen, 30 beelden/sec. Toegepast in de VS, Canada, Mexico, Cuba, Japan, Zuid-Korea en een aantal Zuid-Amerikaanse landen. Kleurkwaliteit is slechter dan bij PAL en SECAM
- PAL (Phase Alternating Line): andere techniek voor kleurweergave. 625 lijnen, 25 beelden/sec. Toepassing: alle West-Europese landen behalve Griekenland en Frankrijk, Australië, China, landen in Zuid-Amerika, het Midden-Oosten en Afrika.
Sinds 1995: aantal Europese tv-stations zendt uit in PAL-plus = nieuwe versie van PAL-standaard met verbeterde beeldkwaliteit en scherm met verhouding 16:9.
- SECAM (Sequentiel Couleur A Memoire) = Franse standaard om kleurafwijkingen van NTSC op te lossen. 625 lijnen en 25 beelden/sec. Gebruikt in Frankrijk, Griekenland, Libië, Egypte, Israël, Irak, Iran, Saoedi-Arabië en meeste Oost-Europese landen. Er is een afwijkende Russische SECAM-norm.
Gevolgen voor gebruik videorecorders. Om verschillende standaarden aan te kunnen moet men multi-standaard tv-toestel en/of multi-standaard videorecorder hebben. Soms: problemen oplossen door verschillende decoders te gebruiken. Bij kabelontvangst zorgen kabelmaatschappijen voor de conversie.
Op zoek naar nieuwe internationale televisiestandaard: MAC-norm (Multiple Analogue Component) -> noodzakelijk i.v.m. multinationale satellietprogramma’s + men wil kwaliteit televisiegeluid verbeteren tot cd-kwaliteit; voorbereiding van High Definition Television (HDTV) maakt andere standaard noodzakelijk; decoderen van bepaalde programma’s van betaaltelevisie is met bestaande tv-normen kinderspel en men wil dat voorkomen.
MAC-norm ontwikkeld in 1981 door IBA (Independent Broadcasting Authority).
Bij PAL, SECAM en NTSC worden kleur- helderheids- en geluidsinfo tegelijk maar op een verschillende freqentie doorgestuurd (frequentiemultiplexing) <-> MAC: deze info wordt na elkaar doorgestuurd (tijdmultiplexing) => bij MAC kan men digitaal geluid of ondertiteling en nasynchronisatie in verschillende talen aanbieden.
Maar: er gaat niet 1 wereldwijde tv-standaard komen. Nu al 4 MAC-versies: B-MAC, C-MAC (oorspronkelijke), D-MAC en D2-MAC (meest gebruikt).
Geen problemen voor gebruiker want kabelmaatschappij zet alles om. Wie MAC-satellietzenders wil ontvangen moet een MAC-convertor aanschaffen. Op termijn: MAC moet wijken voor digitale televisie

- HDTV
Start in Japan, Japanse omroep NHK zendt al regelmatig in HDTV uit.
In Europa spreekt men van HD-MAC want er worden ook 625 lijnen doorgestuurd. Bij HDTV wel men in Europa 1250 beeldlijnen van elk 1920 punten, in Japan 1125 lijnen van 1920 punten en in de VS 1050 lijnen.
De Motion Picture Experts Group (MPEG) wil toch 1 internationale standaard: MPEG2. Pas in 996: wereldstandaard uitgewerkt en aanvaard.
Bij HDTV: andere schermverhouding: hoogte-breedte 9 tot 16 <-> nu: 3 toto 4.
Perspectieven: interactieve televisie met enorme commerciële mogelijkheden.

c. Het doorsturen van beelden
Elektrisch signaal nodig. Korte afstand: kabel; lange afstand: ether of kabeldistributie.
Televisiesignalen worden verzonden via krachtige draaggolven met zeer hoge frequentie (=trillingen/sec). De draaggolven bevinden zich in VHF- (Very High Frequency) of UHF-band (Ultra High Frequency). Deze banden zijn onderverdeeld in kanalen. Via elk kanaal kan een videosignaal uitgezonden worden.
Voor tv-uitzendingen gebruikt men banden I (kanalen 2 t.e.m. 4), III (kanalen 5 t.e.m. 11), IV (kanalen 21 t.e.m. 37) en V (kanalen 38 t.e.m. 60). Voor FM-radio-uitzendingen: band II.
Nicam-systeem verhoogt kwaliteit van geluid bij televisie-uitzendingen (vergelijkbaar met een CD). Het tv-toestel moet wel een nicam-decoder hebben.
Meer uit tv halen? Paar 100 zenders via schotelantenne.

d. Het opnemen van beelden
1950: men kan beelden op magneetband vastleggen (pellicule bestond al vroeger). Mettertijd: streven naar digitale videorecorders.
1981: EBU (European Broadcasting Union) en SMPTE (Society for Motion Picture and Television Engineers) bereiken Digital Component Coding Standard Proposal => D-1 DTTR-standaard (Digital Television Tape Recorder), kortweg D-standaard. Ondertussen al 3 D-standaarden: D-1, D-2 en D-3. 1988: D-2 door EBU en SMPTE als norm aanvaard.

B/ Teletekst
= medium waarbij gegevens in gedigitaliseerde vorm en geënt – op de rug van – een videosignaal cyclisch en constant worden uitgezonden. Gegevens kunnen op televisietoestel met teletekstdecoder geselecteerd worden en weergegeven.
Begin jaren ’70: naam Ceefax, geïntroduceerd door BBC. Men gebruikt voor de teletekstgegevens 4 tv-lijnen (v/d 625) die niet gebruikt worden voor normale tv-uitzendingen. De gegevens worden meegestuurd tijdens de uitzendingen => men kan teletekst raadplegen wanneer een tv-station uitzendt.
Het gaat om teksten en grafische voorstelingen. Het teletekstbestand heeft genummerde schermpagina’s die via de afstandsbediening kunnen opgeroepen worden. Het totale teletekstbestand wordt tijdens de uitzenduren permanent en cyclisch verdeeld. De gebruiker capteert enkel de bladzijde die hij wil bekijken => wachten tot de gevraagde pagina wordt uitgezonden. Voor 100 bladzijden is de maximum wachttijd 24 seconden, gemiddelde wachttijd 12 seconden. O.w.v. wachttijd breiden tv-stations # teletekstpagina’s niet erg ver uit.
Net na Ceefax van BBC kwam IBA met Oracle (Optional Reception of Announcements by Coded Line Electronics). 1973: gezamelijke standaard: Teletext.
1977: Franse omroeporganisatie TDF (Télédiffusion de France) begint met eigen teletekstexperiment, Antiope (Acquisition Numérique et Télévisionalisation d’Images Organisées en Pages d’Ecriture). RTBF en Frankrijk gebruiken dit <-> meeste landen kiezen Brits systeem. Wegens geringe belangstelling stopzetting in 1988 (TDF ook Brits systeem).
Nu: Ceefaxnorm/niveau 1, maar Ceefaxnorm/niveau 2 is op komst: meer mogelijkheden i.v.m. karakters en grafieken. Televisietoestellen moeten wel nieuwe decoders hebben.
Andere toepassing: VPS (Video Program System): elke televisie-uitzending krijgt speciale teletekstcode mee. Deze kan een videorecorder opdracht geven opname te starten of stoppen.
Variant: full-chanel teletekst: volledig kanaal (625 lijnen) wordt gebruikt => capaciteit tekst kan opgedreven worden. Teletekst wordt dan als volwaardig kanaal uitgezonden.
Voor internationale satellietzenders: facultatieve ondertiteling in verschillende talen.

C/ Databroadcast
= massale hoeveelheden digitale gegevens worden “in bulk” naar alle abonnee-gebruikers verzonden. Deze kunnen de data met behulp van pc met decoder ontvangen.
Gegevens worden verzonden zoals teletekst of via satellietverbindingen => pc dient verbonden met kabel of tv-antenne.
Voordeel: zeer geringe communicatiekost

D/ Kabelkrant
Teletekstsignaal omgezet in videosignaal => je kan teletekst ontvangen zonder decoder. De info wordt dan uitgezonden als een gewoon tv-beeld: netteletekst of kabelkrant. De gebruiker kan niet zelf de info selecteren. Bladzijden worden 1 per 1 weergegeven, afgestemd op leessnelheid gebruiker. Vaak: cyclus van 15 tot 25 minuten, info en advertenties wisselen af.



C. Virtuele realiteit

= VR = Artificiële Realiteit = nieuw medium dat de gebruiker de illusie geeft zich in een driedimensionele en interactieve werkelijkheid te bevinden. Gebruiker zit “in” de computer: helm met stereolenzen, 2 LCD-schermpjes die de ogen visuele info geven, quadrofonische koptelefoon en handschoen die de muis vervangt.
Eventueel: elektronisch voelpak, het sensorpak.
Eindeloze mogelijkheden.

1. Het ontstaan van Virtuele Realiteit
Voorvaders: simulatie-industrie, van toen de USAF (United States Air Force) na WOII vluchtsimulatoren ontwikkelde en de ontspanningsindustrie.
Jaren ’50: driedimensionale B-films (rood-groen brilletje)
1962: Heilig ontwerpt Sensorama-stimulator = éénpersoons demonstratiekabine die 3D-film combineert met stereogeluid, mechanische trillingen, ventilatoren en aroma’s. Toeschouwer ging zitten op motorzetel, nam stuur vast en tuurde en Viewmaster-achtige bril.
Sutherland introduceert computergebruik voor designwerk. Hij ontwikkelt ook een kijkhelm (headmounted display) voor grafische computertoepassingen.
1970: Krueger bedenkt de term “artificial reality”
Massachusetts Institute of Technology (MIT) ontwikkelt het Movie Map-project: rondreizen door bepaalde delen van een videoscherm aan te raken.
1981: namaakcockpit van USAF. Later: Virtual Interface Environment Workstation (VIEW)

2. Definitie
Robinson en Tamosaitis: “Virtual Reality is the creation of new universes form computer graphics and sounds; worlds where you can be and do whatever you want.”
Belangrijke karakteristieken van VR:
- VR is een kunstmatige realiteit die tot stand komt m.b.v. computerbeelden- en geluid
- Het is een illusie die via een beeldscherm wordt opgewekt
- Het is een multimedia-omgeving
- De gebruiker neemt deel aan zijn virtuele omgeving
- Deze omgeving staat open voor menselijke manipulatie, is interactief
- Het betreft interfaces tussen mens en computer
- De illusie van volledige onderdompeling is overtuigend
Definitie van Peter Staes: “Virtuele realiteiten zijn interactieve illusies van nieuwe werelden, waarin de gebruiker volledig is ondergedompeld en waarvan hij gelooft dat het realiteiten betreft. Deze illusies worden gegenereerd in multimedia-omgevingen via computerbeelden en -geluiden, en worden weergegeven op een beeldscherm dat met het hoofd verbonden is.”
Kenmerken van VR volgens Austakalnis en Blatner:

A/ Simulatie
Realiteitsgehalte van grafische beelden en geluid

B/ Interactiviteit
Graad van interactiviteit:
- Passieve VR: basisstadium, gebruiker = passieve toeschouwer zonder enige controle over zijn virtuele omgeving
- Exploratieve VR: controle uitoefenen op eigen bewegingen maar niet op omgeving
- Interactieve VR: volledige controle over zijn virtuele omgeving

C/ Kunstmatigheid
Virtuele omgevingen zijn gecreëerd door computers via technologische media.

D/ Onderdompeling
Illusie is te danken aan de onderdompeling.

E/ Telepresence
Het “aanwezig zijn vanop afstand”: taak vanop afstand uitvoeren of met andere op verschillende locaties in dezelfde virtuele ruimte zijn.

F/ Full-body immersion
Onderdompeling in virtuele omgevingen zonder technologische apparatuur aan te trekken.

G/ Netwerk-communicatie
Communicatie via netwerken essentieel.


3. Basistechnologie
A/ Grafische computers
2 elementen bepalen mogelijkheden v/d grafische computer voor VR: snelheid en capaciteit.
- Snelheid: VR-systemen trachten zo dicht mogelijk bij real time-werking te komen: tijdsverschil tussen werkelijke en weergegeven acties tot minimum beperkt. Snelheid van real-time weergave: 30 beelden/sec.
- Capaciteit: moet ruim genoeg zijn: waarheidsgetrouwheid en mogelijkheid tot interactiviteit belangrijk. Driedimensionaal: beelden volgen elkaar dynamisch op telkens de gebruiker beweegt en zijn blik wendt + beelden dienen 2x berekend te worden, voor de linker- en rechterdisplay. Nu: nog geen computers met zulke capaciteit => beelden ruw.
IBM Watson research Center ontwikkelt techniek om tijdsverschil merkelijk terug te brengen: computer voorspelt bewegingen van de elektronische handschoen (dataglove) => lag-time (verschil reële beweging – computerbeweging) 12 milliseconden.
Om VR tot bij groot publiek te brengen: on line-systemen.

B/ Visuele interfaces
Eenvoudig: beeldscherm. Gecombineerd met speciale bril = desktopsystemen.
Uitgebreider: headmounted display (ofte headset of eyephone) = helm met visuele schermpjes die verbonden is met computer. (°1968)

C/ Oriëntatie- en positieregistratie
Headtracking-mechanisme geeft computer virtueel beeld van positie en oriëntering gebruiker.
Toen headmounted displays nog vast verbonden waren met computer: mechanisch headtrackingsmechanisme.
Dan experimenten met akoestisch systeem (teruggekaatste geluidsgolven: nauwkeurig maar niet geschikt voor kleine ruimtes); headtracking o.b.v. elektro-magnetische sensoren (bevestigd aan display en lokaliseren hoofd gebruiker in magnetisch veld: heel nauwkeurig maar sensoren kunnen beïnvloed door metalen voorwerpen); lichtje op headmounted display (toestel meet veranderingen in hoofd en externe camera’s registreren licht op display -> niet nauwkeurig genoeg).
Daarom: systeem omgedraaid: plafond v/d reële ruimte wordt van lichtjes voorzien en op de headmounted display komen 3 camera’s. Het systeem is nauwkeurig, werkt met een snelheid van 215 correcties per seconde, bereik is ongeveer 3 kubieke meter. Nadeel: camera’s bezwaren de headmounted display.

D/ Interactietechnieken
a. Inputs van de gebruiker naar de computer
- De muis: gewerkt aan muis die driedimensionele virtuele realiteit aankan.
- Handschoenen: sturen elektronische signalen naar de computer. Die berekent positie en bewegingen v/d hand. Onder andere:
Dataglove: gemaakt van een soort nylon, strak rond de hand. Bewegingen van vinger en hand worden opgemeten door een positie- en oriëntatiesensor en een aantal glasvezelkabels dat over de rug van elke vinger loopt. Deze meten buiging en strekking.
Dexterous Hand Master: aluminium skelet. Meet zijdelingse bewegingen v/d vingers, houdt rekening met de 4 vingers (duim niet) en meet 3 gewrichten v/d vingers.
- Virutele pakken: datasuit: bedekt hele lichaam en zit vol sensoren.
- De treadmill: rolband waarop de gebruiker zo lang en ver kan stappen als hij wil. Vooraan zit een stuur om de bewegingsrichting door te sturen naar de computer.
- Spraakherkenning: vaak in combinatie met registreren van positie en oriëntatie, mondelinge bevelen geven a/d computer. Meeste systemen zijn nog beperkt. At&T zegt dat men tegen 2010 real time gesprekken kan omzetten in een andere taal.
- Liplezen: vaak ter ondersteuning van spraakherkenningssystemen. MIT’s Media Lab in UK werkt aan computer die kan liplezen. Probleem: spreker moet met hoofd naar camera staan.
- Oogbewegingen (Eye Tracking): kan men samen met spraakherkenningssystemen gebruiken. Basisopstelling: set camera’s die het oog voortdurend filmen: fijne filmstraal wordt op oog gericht en de camera’s registreren de richting waarin het licht weerkaatst wordt. Men kan ook buitenlijn van pupil of iris registreren, of contactlens aanbrengen die oogbewegingen meet.
Men kan ook bevelen geven aan de computer door blik te fixeren op een functie op het scherm of een toets, zo kan men sneller bevelen dat met de handen.
Voordeel: kan oplossing bieden voor onvoldoende geheugencapaciteit v/d grafische computers: beeldkwaliteit virtuele omgeving rudimentair houden totdat gebruiker geconcentreerd kijkt naar een bepaald virtueel object.
NASA ontwikkelde o.a. OASIS (Ocular Attention Sensing Interface System) = eyetracking-systeem dat auditieve en visuele inputs combineert.
- Directe zenuw-input: meer droom dan realiteit, menselijk brein is te complex.
- Gedachtenherkenning: veronderstel dat onderzoekers in staat zullen zijn elektromagnetische golven v/de hersenen op te meten. Men gaat ervan uit dat bepaalde gedachten in de hersenen specifieke patronen veroorzaken die door een computer gelezen kunnen worden.

b. Inputs van de computer naar de gebruiker
- Visuele inputs
- Auditieve inputs: ingebouwde koptelefoons in headmounted displays. Nasa ontwikkelde systeem dat driedimensionaal geluid weergeeft in overeenkomst met virtuele omgeving.
- Oleofactische inputs: genereren geuren is geen probleem, verwijderen wel + geurenspectrum bestaat niet
- Tactiele inputs: VPL Researchontwikkelde dataglove met force feedback: als gebruiker virtueel object vastneemt, wordt zijn hand beroerd en zijn bewegingsvrijheid beperkt => illusie dat hij effectief iets vasthoudt.

4. De sociale gevolgen van Virtuele Realiteit
A/Cybersex, telesex en teledildonics
1974: dildonics: toestel, uitgevonden door How Wachspress, dat geluid kan omzetten in tactiel gevoel. Erotisch effect was afhankelijk van waar de gebruiker de tactiele simulator op het lichaam aanbracht. Ontstaan VR => deze erotisch-technologische fantasieën kregen namen als Cybersex, teledildonics of virtual sex.
Veel technische obstakels te overwinnen.
Onderscheid:
- cybersex = vrijen met virtuele partners (voorkomen/uitzicht door gebruiker bepaald)
- telesex = vrijen met anderen in een virtuele ruimte of over een afstand.
VR-sex wordt nieuwe markt voor porno-markt.

B/ Virtuele realiteit als drug
Virtuele realiteit kan dienst doen als een drug, want brengt immers – net als een drug – de gebruiker buiten de realiteit.
Rheingold is overtuigd dat VR als drug gebruikt kan worden: verbreken band met realiteit, veel auditieve en visuele ervaringen mogelijk -> gebruikers “out of their minds as well as out of their bodies”.
Brainmachines = elektronische apparaten, bestaande uit een zetel, lichtgenererende bril en driedimensionale koptelefoon. Gebruiker neemt plaats, lichtvlekken worden op gesloten oogleden geprojecteerd + begeleid door muziek => na kwartier gebruiker volledig ontspannen.
Als dit al een dergelijk effect heeft, wat dan met overweldigende, multisensoriële onderdompeling van VR-systemen i/d toekomst.
McLuhan: VR-ervaringen kunnen trip zijn, maar geen drug: drugsloze innerlijke trips.

C/ Virtuele realiteit en verslaving
-> kan het tot psychische verslaving lijden?
Sherman & Judkins: 2 kenmerken van verslaving: voorspelbaarheid of veiligheid + de drang om een bepaald trauma te overwinnen => actieve en passieve verslaving
Passieve verslaving = vereist weinig of geen inspanning, is ontspannend want doet opgebouwde innerlijke spanning verminderen.
Actieve verslaving = actief zoeken naar meer en betere kicks, amusement.
J. M. Peters: onderscheid ontspanning - amusement.
VR: veel kans om passieve verslaving i/d hand te werken: sommige mensen leven liever in ideële virtuele wereld. Ook kans op actieve verslaving: computerspel wordt beleefd.
Vraag: verkiezen mensen VR boven echte realiteit?
Nozick: elke mens keert tot echte realiteit weer o.w.v. drang concreet te realiseren (inherent menselijk)

D/ Virtuele realiteit en psychologie
Positieve visie op mogelijkheden van VR: traumaverwerking; fobieën overwinnen; behandeling van depressieven, schizofrenen en andere vormen van sociale afwijking.

5. Besluit
Telepresence = VR-aanwezigheid op lange afstand.
We blijven nood hebben aan band met realiteit: - basisbehoeften
- ontbreken fysisch gevaar in VR
Austakalnis & Blatner: we kunnen nooit virtuele realiteiten creëren die zo complex en duidelijk zijn dat we ze niet van de echte kunnen onderscheiden. Realiteit heeft complexiteit, onvoorspelbaarheid en onzekerheid.
Vraag: willen gebruikers niet liever geloven in die VR dan in de gewone realiteit?

Hoofdstuk IV: Een analyse van globalisering
Vrije markt: kapitalistische structuur: concurrentie => prijzen laag, kwaliteit hoog.
Werkelijkheid: vrije markt meestal beperking aantal spelers en “cross-ownership” = mediabedrijf legt zich niet langer toe op 1 tak, maar tracht brede waaier van media te bezitten.
Marx 1860: competitie leidt tot centralisatie. In Das Kapital 2 gevolgen:
- Onbeperkte concurrentie stimuleert de groei van grote bedrijven want innovaties worden gestimuleerd, prijzen gedrukt en minder efficiënte mediabedrijven uit de markt geprezen.
- Verdwijnen van individuele eigenaars van media leidt tot versnippering v/d eigendom, maar: tendens om kapitaal te centraliseren.
3 fasen i/d evolutie naar oligopolies:
- innovatie => verschillende bedrijven trachten marktaandeel te verwerven. Als bedrijven groeien en competitie stijgt: aantal firma’s worden uit de markt gewerkt of opgekocht.
- Aantal spelers op de markt daalt, paar grote bedrijven worden marktleider.
- Markt stabiliseert zich, trend naar grootschaligheid en centralisatie blijft.
Trend naar globalisering kan door overheidsmaatregelen gestopt worden of door evolutie v/e bepaalde technologie. Maar dan nog trachten bedrijven zich aan te passen aan wisselende omstandigheden.

1. Culturele en functionele integratie
1 v/d basisvoorwaarden voor ontstaan en floreren van globale media: snelle mogelijkheid tot communicatie over de hele wereld + “global village” creëren waarbij de relaties tussen landen kunnen verbeterd worden en de gevaren voor militaire en sociale conflicten kunnen vermeden.
Concept werelddorp: Marshall McLuhan: elektronische media kunnen wereld veranderen in een gemeenschap. Mensen leren (indiviueel) de wereld kennen door hun zintuigen, zeker door zicht een geluid. Elektronische media maken van de moderne samenleving een stam.
“The medium is the message”
Tekortkomingen bij de visie van McLuhan: lokaal nieuws in kranten is een belangrijk element i/h socialiseringsproces i/e gemeenschap en boekenclubs zijn effectief om mensen het gevoel te geven dat ze bij een groep horen; elektronisch werelddorp is minder effectief i/e proces van integratie dan interpersoonlijke communicatie.
Gruning: mogelijkheid van gespecialiseerde info versnippert de wereld meer dan het er een dorp van maakt. Belangrijk is hoe mensen met media omgaan. Invloed van 1 medium daalt.
Toch leeft idee van McLuhan nog: globale media helpen mensen van verschillende culturen dichter bijeen te brengen.
Ook ontspanningsprogramma’s zijn belangrijk om bepaalde waarden en normen te versterken.
Gerbner: mensen die veel tv kijken ontwikkelen “mean world syndrome”.
Toch zou de wereld niet meer degelijk kunnen functioneren zonder globale media.
2 categorieën van effecten van sociale integratie v/d media:
- bij culturele integratie versterken media een aantal ideeën, normen en waarden; meestal Westerse. Probleem als 2 blokken met andere waarden met elkaar geconfronteerd worden en daardoor de spanning vergroot. Voorstanders zeggen: op termijn is het effect van globale media eerder een vermindering dan een vergroting van spanningen.
- functionele afhankelijkheid: globale media brengen mensen en organisaties samen om hun doeleinden (vooral economische) te bereiken. Voorstanders zeggen: globale media stimuleren mensenrechten, vergroten intercultureel begrip en beperken sociale conflicten.

2. Niet iedereen gelukkig
Tegenstanders globale media: Frankfurter School: globale media zijn instrument van politieke en economische instellingen om voor burgers de gevaren v/h kapitalisme te verbergen.
Critici van globale media zullen nooit aan bod kunnen komen in die media en zullen over geen media kunnen beschikken om hun ideeën te verkondigen => geen verscheidenheid van ideeën meer => mensen gaan in fantasiewereld leven en elite controleert.
Bekende aanhanger: Chomsky: media zijn zeer efficiënte en sterke ideologische instellingen geworden, met propagandafunctie:
- basisgedachte: globale media bekommeren zich om de winst eerder dan om de mensen (en medium dat winst- en marktgedreven is verraadt openbare functie).
Seldes noemt in 1930 leden van de American Newspaper Publishers Association “the house of lords” en beschuldigt hen ervan hun kranten te gebruiken voor persoonlijk geldgewin en politieke invloed. Bagdikian voorspelt eind jaren ’80 dat in de jaren ’90 1 groot bedrijf de controle zou hebben over alle grote media.
- McChesney: mediaconglomeraten bedreigen democratie. Democratie functioneert best als er geen al te grote welvaartsverschillen zijn, ongeveer consensus is over wat goed is voor de gemeenschap en er een efficiënt systeem van beleidscommunicatie is. Mediasituatie in de VS staat hier haaks op. Bovendien verschrompelen mediaconglomeraten verscheidenheid van ideeën.
- Bagdikian geeft 2 redenen voor het verdwijnen van de diversiteit: concentratie + mediagiganten stellen winst boven kwaliteit of diversiviteit.
- Globale media zijn conservatief en streven naar een status quo => staan sociale veranderingen in de weg. Mediagiganten zijn instituten die gezag, macht en privileges v/e bepaalde politieke en economische elite bestendigen.
- Media-imperialisme. Chin-Chuan Lee: 4 elementen van media-imperialisme: export van televisieprogramma’s naar andere landen; buitenlandse eigendom of controle over de mediakalen; overbrengen dominante normen in uitzendingen en v/d commercialisering v/d media; kapitalistische wereldvisie binnenbrengen ten koste van autochtone levenswijze. Soms zelfs: cultuurimperialisme of cultuurhegemonie.
Globale media zouden ook meer aliënatie/vervreemding veroorzaken bij werknemers + relaties in grote media-organisaties zijn zo complex dat interpersoonlijke relaties tussen top en basis bureaucratisch/koel is.
Er zijn wel oplossingen aangereikt:
- verstrengen en versterken antitrustwetten
- beperking v/h aantal mediakanalen in handen van 1 persoon of een bedrijf
- beperking v/h bezig van verschillende soorten media
- meer overheidsgeld voor niet-commerciële, openbare media
- belastingstegemoetkomingen voor onafhankelijke media.
Radicalere oplossingen: verbieden privé-bezit van media of kapitalisme afschaffen.
Probleem: voor- en tegenstanders ongenuanceerd + media kunnen niet los van samenleving.

3. De toekomst van mediaconglomeraten
Trends die maken dat mediaconglomeraten nog drastisch zullen veranderen:

A/ Structurele differentiatie
Meer differentiatie => nood aan info stijgt. Organisaties complexer => info moet gespecialiseerder: marktsegmentering & doelgroepenbenadering
Meer en meer landen: kapitalistisch of vrijemarktmodel.
Markt van individuele staten zal afnemen door globalisering v/d economie



B/ Groei en differentiatie van globale media
# mediagiganten gaat afnemen en overblijvende conglomeraten worden groter en leveren brede waaier aan mediadiensten. Wel: opportuniteiten voor kleine, gespecialiseerde spelers.

C/ Grotere en minder machtige mediagroepen
Mediagiganten zullen voor groot deel blijven instaan voor informatievoorziening van grote groepen, maar gespecialiseerde info kan ook door kleine bedrijven aangeleverd worden => mediagiganten moeten deel macht inleveren. Mediaconcerns blijven door grootschaligheid competitief voordeel hebben.

D/ Convergentie van technologie
Media zullen diensten blijven aanleveren via verschillende kanalen maar meer info zal via internet bezorgd worden. Scheiding gedrukte - elektronische media wordt opgeblazen.

E/ Groeiende diversiviteit van ideeën
Veel geproduceerd

F/ Verdere verspreiding van Westerse Waarden
Globale media zijn producten v/e Westers politiek – economisch systeem en hebben winst nodig om te overleven => informatie- en ontspanningsprogramma’s blijven Westerse waarden vooropstellen.

G/ Een groeiende kenniskloof
Groeiende kenniskloof tussen landen en tussen bewoners van landen. Informatierijke landen worden informatierijker en informatie-arme landen worden informatie-armer.




Hoofdstuk V: Geo-Informatie

Mediagiganten: Westerse omgeving -> Global news of geonieuws.
Van Ginniken: Alle nieuws heeft een bepaald kader, uitgaande v/e wereldvisie op het nieuws en deze visie wordt bepaald door journalisten, persagentschappen, media. Dit kader wordt gevormd door veel sociale en psychologische mechanismen (wereldvisie v/d journalist).
Probleem: meeste journalisten ontkennen dat ze werken vanuit een bepaalde visie o/d wereld + meeste feiten gekleurd door de media. Onze meest fundamentele wereldvisies zijn ook meestal gebaseerd op zwart-witbeelden of goed-kwaadideeën => gekleurde selectie van bepaalde aspecten v/d werkelijkheid.
Media helpen ons bepaalde aspecten onder ogen te brengen en ander niet of in veel mindere mate. ‘Objectiviteit’ hangt altijd samen met ‘relevante doelgroepen’: objectief voor een Westers publiek, kan subjectief zijn voor niet-Westerse doelgroepen. Idem met begrip ‘neutraal’.
Westerse media – actief op wereldschaal – houden op de 1ste plaats rekening met doelgroepen en hun waarden i/h westen, daarna met rijke Oosterse klanten en nauwelijks met doelgroepen i/d Derde Wereld.
Van Ginniken: economische regel: de sterkste mediagroepen hebben hun thuisbasis i/d grootste en rijkste regio’s (6 i/d VS, 1 Canada, 1 UK, 1 Duitsland, 1 Frankrijk, 1 Japan).
Voornaamste inkomsten van media: subsidies, abonnementen en verkopen, advertentie-inkomsten. Laatste = belangrijkste. Adverteerders kiezen o.b.v. 4 criteria: grootte v/h mediapubliek; macht v/h bereikte publiek; specifieke interesse van dit publiek; omgeving binnen media waarin de advertentie geplaatst kan worden. Aan deze wordt voldaan bij media met groot bereik, voldoende kapitaalkrachtig publiek en aanbod dat zich vooral op ontspanningsvlak situeert (<-> politieke en sociale debat).
Belang adverteerders beïnvloedt model, organisatie, formats en soort nieuws dat Westerse media brengen. Basiswaarden Westers mediamodel: op economisch vlak de vrije concurrentie en vrije markt, op sociaal vlak individualisme en sociale mobiliteit, op politiek vlak pragmatisme en gematigdheid, op lifestyle-vlak materialisme en autonomie, op ideologisch vlak de idee dat Westerse media geen ideologie hebben.
Mensen (ook journalisten) vinden de betekenis van gebeurtenissen, feiten en relaties vanzelfsprekend, door proces van socialisering.
Journalisten worden wereldwijd beïnvloed bij het feiten beoordelen, bronnen v/d journalisten ook.
Ignacio Ramonet: “Globalisering en chaos”: ‘modern’ wordt als alibi gebruikt om dankzij globalisering een steriele uniformiteit te kweken. Dankzij geonieuws triomfeert wereldcultuur.
Een cultuur heeft zich in de geschiedenis nog nooit zo snel als wereldmodel verspreid als nu. Dit heeft ook politieke en economische gevolgen: parlementaire democratie en markteconomie worden overal als verstandig en natuurlijk beschouwt en dragen bij tot verwestersing. Er ontstaan traditionalistische, individualistische en fundamentalistische strekkingen als reactie op de nivellering en de moderniteit.
Globale markt: geen scheidsrechter. Enorme macht v/d financiële markten betekent einde v/h politiek bestel. Concurrentie i/h bedrijfsleven is enige drijvende kracht. Grootste economische markten ter wereld zijn bedrijven i.p.v. landen; meest invloedrijke mensen zijn geen staats- of regeringsleiders.
‘Communicatie’ en ‘markt’ zijn de nieuwe sleutelwoorden v/h huidig wereldmodel: slechts plaats voor ontwikkelingen die voldoen aan 4 basisprincipes: planetair, permanent, onmiddellijk en immaterieel: het PPOI-systeem.
Zenuwstelsel van dit systeem, v/d moderne maatschappij zijn de financiële markten e/d informatienetwerken. Via deze 2 wordt wereldwijd een razzia uitgevoerd o/h grootste goed v/d democratie: informatie.


Gebruik van ISDN en glasvezelkabel verhoogt mogelijkheden op redactie. De fotodienst van Belga wordt via een ISDN-net aan de krantenredacties digitaal geleverd. Voordeel is de snelheid + beter kwaliteit van foto’s bij ontvangst + redacties kunnen foto’s opzoeken in digitaal Belga-fotoarchief en deze foto’s opvragen.

c. Satellietcommunicatie
principe: zender ergens op aardbol straalt signaal in de ruimte naar een kunstmaan. Die ontvangt het signaal en zendt het terug naar de aarde. Daar wordt het door een ontvanger opgevangen. Satelliet = relaisstation bij de transmissie van signalen over zeer grote afstanden.
3 soorten kunstmanen:
- ruimtestations: vooral gebruikt voor militaire doeleinden (killer satellites & solar satellite power system)
- observatiesatellieten: militaire spionage + wetenschappelijke kunstmanen (b.v. weersatellieten en geologische stations)
- communicatiesatellieten: telecommunicatiesatellieten (voor telefoon, fax, datacommunicatie, teleconferencing, uitwisseling van radio- en tv-signalen) + omroepsatellieten (voor uitzenden van signalen naar individuele gebruikers, die deze signalen kunnen opvangen via individuele paraboolantenne)
Eind jaren ’40: experimenten
Juli 1962: lancering Telstar-1: 1 televisieprogramma of 600 kanalen gebruiken. -> Telstar = lange-baansatelliet die door elk volgstation op aarde bij elke omloop gedurende ½ uur gezien kon worden
Februari 1963: lancering Syncom-1 = 1ste geostationaire satelliet in een baan om de aarde gebracht.
Principe geostationaire baan = stilstaan t.o.v. de aarde. Op 35 786km hoogte draait een kunstmaan in 23u 56 minuten en 4 seconden rond de aarde. Dit is exact de tijd die de aarde nodig heeft om eenmaal rond haar as te draaien. Deze satellieten beschrijven een baan rond de aarde net boven de evenaar. Satelliet legt dagelijks 264 000km met een snelheid van 3km/sec. Kunstmanen bevinden zich daardoor op een vast punt boven de evenaar.
Voordeel geostationaire satelliet: met 3 kunstmanen kan met het hele aardoppervlak bereiken. Elke satelliet neemt +/- 42% van het hele oppervlak voor zijn rekening. Men kan de signalen van zo’n satelliet ook op een bepaald land of continent richting (gebeurt meestal).
Sturen + ontvangen signalen naar en van de kunstmanen: grondstations. In België zijn die in Lessive, Liedekerke, Brussel. Voor de overwaking van de goede werking van de statellieten zijn er controlestations. De Europese Communicatiesatellieten (ESC) wordt daarvoor gevolgd vanuit het station in Rendu in België.
Bij bepaalde satellieten: mogelijk signalen rechtstreeks te capteren via eigen schotelantenne.
GEO’s = Geostationary Earth Orbit Satellites = geostationaire satellieten: voordeel = hangen op vast punt t.o.v. aarde; nadeel = doorgestuurde signalen moeten steeds 2x 36 000 km overbruggen => delay, kan probleem zijn voor interactieve toepassingen.
Oplossing daarvoor: LEO’s = Low Earth Orbit Satellites: wegen tssn 500 en 800 kg, zweven +/- 1000 km boven aarde, zijn minder duur en signalen kunnen door mobiele telefoons gecapteerd worden. Spinnen rond de aarde = voor wereldnetwerk zijn ongeveer 48 tot 66 satellieten nodig. Nu: meer dan 100 LEO’s actief. Tegen 2001: 1000.
MEO’s = Medium Earth Orbit Satellites: zweven tussen 8 000 en 20 000 km boven aarde, tussenoplossing.
Organisatie: 1963: oprichting COMSAT (Communication Satellite Corporation) in de VSK. AT1T, ITT en RCA leverden helft beginkapitaal.
Nu: organisaties opgericht voor exploitatie kunstmanen b.v. Intelsat, Intersputnik en Inmarsat.
Intersputnik = organisatie opgezet in de Oostbloklanden, dient voor communicatie in scheepvaart en boorplatformen.
Reactie op dominerende rol VS: 20 West-Europese PTTs richten in 1977 Eutelsat (European Telecommunications Satellite Organization) op. Europese ruimteorganisatie ESA staat in voor bouw en lancering eigen Europese Ariane-raket. Verder: eigen ECS-satellieten. British Telecom en France Télécom zijn grootste aandeelhouders. Lanceringen gebeuren vanuit Kourou in Frans-Guyana.
Groot # landen heeft eigen satelliet en ook eigen nationale organisatie.
Satellietcommunicatie grensoverschrijdend => internationale afspraken. Aantal landen maakt zich vooral zorgen over propagandamogelijkheden via kunstmanen. Dit internationaal overleg voor het eerst georganiseerd in 1977 door ITU (International Telecommunications Union) van de VN op de WARC ’77 (World Administrative Radio Conference).
Vandaag: internationale persagentschappen sturen foto’s, teksten en grafische illustraties via satellietcommunicatie naar hun cliënten. Dat is goedkoper dan via binnenlandse telefoonlijnen + kwaliteit doorgestuurd foto’s met satellietcommunicatie veel beter dan overseining via analoge telefoonlijnen.
Satellietcommunicatie heeft op reacties ook belangrijke rol gespeeld bij internationale telefoonverbindingen. Technische ontwikkelingen vorderen => satelliettelefoon zal voor redacties nog belangrijker worden. B.v. Alfonso Rojo mocht tijdens golfoorlog satelliettelefoon van Peter Arnett van CNN niet gebruiken om concurrentie te dwarsbomen.
Mobiele communicatie: verder nog gebruikt voor navigatie en communicatie van vliegtuigen, schepen en vrachtwagens.

d. Telefoon
1 v/d meest gebruikte communicatiemiddelen. Telefoonnetwerk = 1 v/d best uitgebouwde communicatienetwerken ter wereld.
1876: principe telefoon uitgevonden door Alexander Graham Bell: geluidsgolven worde via trilplaatje in microfoon van de hoorn omgezet in een elektrische stroom die door de lijn wordt gestuurd en bij de ontvanger terug een plaatje aan het trillen brengt dat na versterking de spraak hoorbaar maakt. Telefoon oorspronkelijk enkel bestemd voor doorsturen van spraak: frequentie tssn 300 en 3400 HZ voldoende en analoog signaal.
Nu: telefoon meer en meer gebruikt voor dataverkeer => communicatiemiddel moet aangepast worden, daarom wordt netwerk systematisch gedigitaliseerd.

- telefax
= fax = facsimile = telekopie
Functioneert vooral met openbaar telefoonnet. Systeem om documenten via telefoonlijn te versturen, fotokopiëren op afstand. Principe ontwikkeld in 1843 door Alexander Bain.
Ook geschreven boodschappen kunnen overgeseind worden => toestel populair in Japan. Echte doorbraak: jaren ’60: CCITT (Comité Consultatif International Téléphonique et Télégraphique) ontwikkelt internationale standaard. Bij ontvanger: gedecompresseerd en via drukeenheid afgedrukt.
Document dat doorgestuurd moet worden wordt lijn per lijn afgetast door scanner. Verschillen in helderheid worden door fotocel omgezet in elektrisch signaal. Dit analoge signaal wordt omgezet in een digitaal en gecomprimeerd om het sneller te kunnen sturen.
Nu : 4de generatie faxtoestellen. CCITT legde in 1972 specificaties vast voor 1ste generatie faxtoestellen, in 1976 voor 2de, in 1980 voor 3de en in 1984 voor 4de. Faxtoestellen van 1ste 2 generaties worden bijna niet meer gebruikt en zijn niet compatibel met die van latere generaties.
Nu ook draagbare faxtoestellen: kunnen gecombineerd met mobilofoon in auto gebruikt worden. Op komst: fax-conferencing: interactieve fax waarbij ontvanger op een beeldscherm het document kan zien, zodat er voor het versturen van de definitieve versie nog wijzigingen kunnen aangebracht.

- mobilofoon
-> kan ook draagbare pc op aangesloten worden.
België: vanaf jaren 60, maar 1ste automatische netwerk werd in 1977 in gebruik genomen. Gebruik: omslachtig: oproeper diende te weten in welke telefoonzonde zijn respondent zich bevond. 21 radiozenders nodig, die elk zone met straal van 30 tot 40 km hadden. Geen hand-over-faciliteit: van het bereik van de ene naar de andere zender rijden => verbinding verbroken. Capaciteit: 4500 abonnees => in 1986 verzadiging
Om capaciteit te kunnen verhogen: netwerk uitgebouw van kleine, op elkaar aansluitende radiozones = cellulair net: bestaat uit zeshoekige radiozones, waarvan de grootte functie is van het # communicaties in de zones. Landelijke zones: celen met een straal van 20km; centra van grote steden: cellen met straal van 5km of minder. Dit net werd in juni 1987 in België in gebruik genomen.
Kleinere radiozondes => mobilofoongesprekken moeten van de ene cel overgenomen worden door de volgende. # beschikbare frequenties voor mobilofonie is beperkt. Als men dezelfde frequentie zou gebruiken in aanpalende cellen, zou er interferentie optreden => aanpalende cellen: andere frequenties. Er moet dus tijdens gesprek door andere zone overgenomen worden + gewisseld worden van frequentie.
Veel landen eigen standaard. 1991: uitbouw Europees digitaal netwerk met GSM-norm (Global System for Mobile Communications), het systeem 900. Later, ook Systeem 1800.
GSM = rage. Eind 2000: ½ Belgen belt mobiel, begin 2001: meer gsm-abonnees dan vaste telefoonlijnen. 3 operatoren: Proximus, Mobistar, Base.
GSM toestellen kan je gebruiken in meeste landen in Europa en Australië, Hong Kong en Zuid-Afrika maar niet in VS (eigen standaard).
Wereldvlak: nog geen eensgezindheid voor standaard voor mobiele telefonie. Hier: gsm, VS: CDMA (Code Division Multiple Access). CDMA: frequenties d.m.v. codering gedeeld; TDMA (Time Division Multiple Access): frequenties worden in minuscule tijdschijfjes opgedeeld (dit wordt gebruikt bij GSM).
Gsm wordt vandaag in alledaagse gebruiksvoorwerpen ingebouwd.
Technologie van gsm is gebaseerd op gesprekken voeren en niet op massaal data versturen. Door WAP-technologie (Wireless Apllication Protocol) kan men surfen op internet, maar met beperkte mogelijkheden.
Behoorlijk mobiel surfen: mobilofonie van de 3de generatie, UMTS (Universal Mobile Telecom System). Met een snelheid van 2000 kbps binnen, 384 kbps buiten en 144 kbps in een rijdend voertuig => gegevens 15 tot 200 x sneller verstuurd dan bij huidige gsm’s. België: in 2001 3 licenties voor UMTS geveild.
Concurrent voor gsm: draadloze telefoon met grote reikwijdte, gebaseerd op DECT-techniek (Digital Extended Cordless Telephone): men is in volledige stad bereikbaar.
Inmarsat wil systeem van draagbare telefonie opzetten dat wereldwijd te gebruiken is via satellieten.

- videofoon
= beeldtelefoon
+/- 20 jaar oud, geen grote doorbraak door beperkte mogelijkheden huidige telefoonnet.
Problemen ivm privacy
Met doorbraak ISDN krijgt professioneel gebruik een stimulans. Nu al: experimenten: in multimediaprojecten videofoon gecombineerd met radio, tv, elektronisch documentbeheer enz.

e. Telex
voorloper telex = telegraaf (1837).
Telex komt van TELeprinter EXchange. Telex is een soort tikmachine, waarbij nadat men via een net vergbinding heeft gemaakt met een ander telextoestel de boodschap bij de zender intikt en bij de ontvanger uittikt.
1930 VS: aanleg nationaal telexnet, 10 jaar later in Europa. In België: in 1946 met telex begonnen, midden jaren 50 waren vrijwel alle Europese hoofdsteden met elkaar verbonden.
Klavier telex = beperkt: accenten of hoofdletters gaan niet. Maar telex is een betrouwbaar communicatiemiddel en vaak het enige communicatiemiddel met ontwikkelingslanden. In meer dan 200 landen staan meer dan 1,2 miljoen telextoestellen. Uitgetikte tekst van een telex heeft rechtsgeldigheid. Verwachtingen voor telex zijn toch niet rooskleurig: verwachting = daling telexverkeer en vervanging door andere vormen van telecommunicatie.
Communicatie tussen redacties en van persagentschappen naar de media is jarenlang via telex gegaan. Wel speciale redactieploeg nodig om ontbrekende leestekens en hoofdletters aan te brengen.
Evolutie telexverkeer: via telextoestel een ponsband kon aanmaken op eigen tempo en deze aan topsnelheid kunnen doorsturen. Latere evoluties: telexapparaten elektronisch en ze werkten meer als pc’s dan als mechanische telextoestellen. Vandaag: functie kan in pc geïntegreerd worden.

f. Databanken
Moderne journalist heeft op redactie via zijn scherm toegang tot een waaier aan bronnen. Via analoge telefoonlijnen, satellietcommunicatie en ISDN-lijnen beschik hij op de centrale redactie over teksten van binnen- en buitenlandse medewerkers, collega’s en persagentschappen. De redacteur kan ook radio- en tv-nieuws volgen, teletekst, kranten ten tijdschriften en grasduinen in databanken.
Dit kan op 2 manieren: Consulteren van data bij een apparaat waar deze gegevens zijn op geslagen. Zijn deze elektronisch opgeslagen, heet het offline-databestand. Zijn gegevens opgeborgen in centrale computer en dient men via modem de gegevens via het scherm ergens op afstand te raadplegen, heet het online-systeem of online-information retrieval systeem.

- online-databanken
Onderscheid databases (verwijsbestanden) en databanken (bronbestanden):
Databases bevatten niet de uiteindelijke info die de gebruiker zoekt, maar verwijzen naar bronnen waar deze info te vinden is. Men kan onderverdelen in bibliografische databases en elektronische gidsen.
Databanken bevatten gegevens zelf over een bepaald maatschappelijk domein. Onderverdeling:
- numerieke databanken: bevatten enkel cijfermatig materiaal
- excerptendatabanken: samenvattingen van oorspronkelijke documenten
- fulltext-databanken
- documentbanken: gedigitaliseerde versie van originele documenten met oorspronkelijke vormgeving
Er bestaan ook mengvormen. Ook onderscheid historische databanken (wijzigingen na invoering bijna niet meer) of real-time databanken (dienen bestendig aangepast aan gewijzigde omstandigheden)
Raadplegen online-databestanden: men kan gebruik maken van analoge telefoonlijnen, maar is niet ideaal => openbaar datanet in België: DCS( Data Communication Service) = naast telefoon- en telexnet het 3de openbare communicatienetwerk in België. Werkt volledig digitaal en is internationaal gestandaardiseerd volgens het X25-protocol, zodat ook internationale uitwisseling van gegevens probleemloos kan. Meer en meer echter gebruikt met ISDN-lijnen.
Online-databestanden raadplegen: betalen per prestatie ifv de tijd v/h raadplegen en/of het volume dat men opvraagt.
Nu: duizenden online-databestanden, grootste gedeelte Amerikaans. 1 v/d grootste Europese is dat van Reuter. Bij Reuter zijn er +/- 70 000 abonnees die actueel nieuws krijgen, met accent op financiële berichtgeving. Meer en meer databanken kan je raadplegen via het www.

*Internet
= bekendste on-line-databank momenteel. Internet = wereldomspannend netwerk van netwerken.
Via internet liggen enorme verzamelingen info en computerprogramma’s binnen handbereik. Er is geen centrale plaats van waaruit internet wordt bestuurd en beheerd.
Ontstaan: jaren ’60 als experimenteel project van het Amerikaans ministerie van Defensie. Doel: wetenschappers de mogelijkheid geven met mekaar via een computernetwerk te communiceren over hun wetenschappelijk onderzoek. Project werd opgezet door het Advanced Research Project Agency (APRA) -> APRA-net. Snel bleek dat het niet enkel voor wetenschappelijke doeleinden werd gebruikt. Steeds meer verzoeken kwamen binnen van mensen en instellingen die ook wilden aangesloten worden.
Jaren ’80: National Science Foundation (NSF) ontwikkelt netwerk waarin een aantal supercomputers met elkaar verbonden werden. Dit moest toegankelijk zijn voor wetenschappers en onderzoekers. Eerst werd getracht APRA-net te gebruiken, maar die samenwerking verzandde. NSF besloot dan eigen netwerk te ontwikkelen. Er werden regionale netwerken opgericht en universiteiten en onderzoeksinstellingen konden via het regionale netwerk gebruik maken van de diensten van NSF-net.
Spoedig werden andere computers en netwerken ook op NSF-net aangesloten en werd het voor particulieren mogelijk het te gebruiken. NSF-net werd door tal van netwerken gevormd => internet.
Al deze computers kunnen met elkaar communiceren omdat ze gebruik maken van eenzelfde computerprotocol: TCP/IP (Transmission Control Protocol/Internet Protocol).
Elke computer die deel uitmaakt van Internet heeft een naam en adres waaraan men hem kan identificeren. Op laag niveau worden naam en adres (IP-naam) gevormd door cijfers. Op gebruikersniveau worden computers aangeduid met namen, de URL (Universal Resource Locator). Elke gebruiker heeft ook eigen e-mailadres.
URL’s en e-mailadressen zijn uniek, over de naamgeving wordt gewaakt door de DNS (Domain Name System).
Belangrijkste mogelijkheden van internet:
- e-mail
- netnews
- chat
- telnet
- ftp (file transport protocol)
- searching
Voordelen van online-bestanden tegenover andere systemen:
- actualiteit
- selectiviteit
- manipuleerbaar
- toegankelijkheid

*Videotex
voorheen viewdata = communicatiemiddel dat gebruiker toelaat op eenvoudige wijze over het telefoonnet met computers en databanken te dialogeren. Men gebruikt een videotexterminal om via de telefoon info op te vragen, transacties uit te voeren, berichten uit te wisselen.
Midden jaren ’70 ontwikkeld in UK. Systeem moest databank voor iedereen worden: goedkoop en gebruiksvriendelijk. Televisiescherm diende als basis. Verder zou er een eenvoudige zoekprodcedure moeten zijn en kleurgebruik en grafische voorstellingen moesten mogelijk zijn.
1979: Britse PTT begint 1ste openbare videotexdienst ter wereld, nl. Prestel.
1986: RTT start in België met openbare videotexdienst. Voor het gebruik moest men een aangepast scherm hebben of pc met aangepaste software.
Via de telefoon wordt men automatisch verbonden met een lokaal Videotex Toeganspunt (VTP). Dit zorgt ervoor dat de gebruiker automatisch doorgeschakeld wordt op het DCS-net. Dit heeft vooral gevolgen voor de kosten. De tarieven van DCS zijn nl. voor interzonaal verkeer gunstiger dan telefoontarieven.
Op videotexnetwerk kunnen verschillende informatieleveranciers geschakeld worden:
- externe videotexdiensten
- OVDC (Openbare Dienstverlenende Computer)
- buitenlandse openbare VTX-diensten.
Meest succesvol: Télétel in Frankrijk, meestal Minitel genoemd. In 1980 begon de Franse PTT met een kleinschalig project met een elektronische telefoongids. In 1985 was de gids op nationaal vlak uitgebouwd. Nu zijn er meer dan 27 miljoen abonnees in het bestand, per dag worden 40 000 wijzigingen aangebracht.
De telefoonabonnees in de regio’s met elektronische gids kregen gratis een Miniteltoestel. Sinds 1984 werden dus 80% van deze Minitels gratis uitgedeeld. Bedoeling: meeruitgave door gratis verstrekken videotextoestellen compenseren door inkomsten uit groter telefoonverkeer. De helft van de investering (12 mld FF) werd al teruggewonnen.
Rond de elektronische telefoongids hebben zich 1000den andere VTX-bestanden ontwikkeld, gesitueerd rond Télétel-Kiosk. Kiosk bevat nieuws, spelletjes, toeristische info, tuin- en keukentips en elektronische post (erotische “messagerie rose” is rage).
Frankrijk: meer dan 5 miljoen videotexabonnees, men kan meer dan 14 000 bestanden raadplegen, er zijn 8000 informatieleveranciers. In 1989: Télétel 86,5 miljoen uren gebruikt.
Toch slaat ook hier internet toe. 1989: beslist op termijn Minitel op te doeken en te vervangen door internettoepassingen.
Videotex kan ook gebruikt worden voor openbare elektronische informatiezuilen.

- offline-databanken
Elke redactie moet uitgebreide documentatiedienst hebben. Vroeger: knippen en plakken en in mappen, dan op microfiches en/of microfilm. Op elektronische redactie: teksten elektronisch opslaan.
Daarvoor kan b.v. gebruik gemaakt worden van magnetische opslagelementen. Vormen: band (bandgeheugen), trommel (trommelgeheugen), schijf (schijvengeheugen), ring (kernengeheugen).
Mogelijkheid dat elke redacteur vanop zijn werkstation alle artikels uit het documentatiebestand integraal gaat opvragen. Handige zoekmethode: combinatie trefwoorden.

*CD-Rom
= Compact disc – Read Only Memory = cd die vooral gebruikt wordt voor opslag van digitale alfanumerieke informatie.
Apparatuur: CD-ROM-speler en een pc.
Opslagcapaciteit: 600 Mbyte, +/- 200 000 A4-bladen, 20 000 zwart-wittekeningen, 2000 kleurenbeelden, 1 tot 14 uren geluid, 800 diskettes.
Voordelen: grote betrouwbaarheid, geen beïnvloeding van magnetisme, bestand tegen mechanische trillingen, haast onverslijtbaar, krasbestendig. Je kan een cd-rom off-line raadplegen: vermijdt dure telecommunicatiekosten.
CD-technologie is resultaat van samenwerking van vooral Philips en Sony. Standaardisatie was noodzaak. Daarvoor werd High Sierra-standaard gebruikt, ook ISO 9660 genoemd.
ISO 600 maakt het mogelijk tegelijkertijd geluid, beeld en tekst weer te geven. Daarom ontwikkelden Philips, Sony en Microsoft in 1988 de cd-rom Extended Architecture (CD-ROM-XA), waardoor gelijktijdige overdracht van gegevens werd opgelost.
CD-ROM-toepassingen worden vooral gebruikt voor opslag van massale hoeveelheden gegevens met vrij beperkte actualiteitswaarde. Er bestaat ook een netwerkversie voor de CD-ROM en verder is er de CD-ROM-juke-box waarin tot +/- 100 CD-ROMs kunnen afgespeeld.

*CD
= Compact Disc = optische plaat, ontwikkeld door Philips en Sony, waarop test en/of audio en/of video digitaal kan worden opgeslagen.
De info wordt op een cd vastgelegd in een spiraalvormig spoor van kuiltjes (de pits). Een laserstraal tast de cd af. Waar geen kuiltjes zijn (bij de lands) wordt de laserstraal gereflecteerd. Teruggekaatste licht wordt door een fotodiode omgezet in elektrische pulsen. Het wel/niet doorgeven van pulsen maakt binaire informatie mogelijk.
Elke cd heeft een doorsnede van 5,25 inch (12 cm) en een capaciteit van +/- 600 Mbyte. Afhankelijk van de cd-versie kan de capaciteit benut worden voor audio, teksten, tekeningen en/of beelden.
Bij alle cd’s worden data opgeslagen volgens de CLV-methode: gegevens worden in spiraalvormig spoor van binnen naar buiten afgetast.
Omdat afbeeldingen op een cd meer ruimte in beslag nemen dan b.v. geluid, gebruikt men hier compressie en decompressietechnieken. Beelden bevatten vaak datasegmenten met een uniform patroon. Ipv elke pixel (picture elements = beeldelement) afzonderlijk te bepalen, is het mogelijk groepen pixels te beschrijven. Tijdens het afspelen dienen de gecomprimeerde gegevens dan door de cd-speler gedecompresseerd.
Aftasting cd: draaisnelheid varieert naargelang het deel van de plaat dat wordt afgetast. Het spiraalvormig spoor loopt van binnen naar buiten. Bij een cd-audio draait de laat 500 toeren/minuut bij aftasting aan de binnenkant en 200 toeren a/d buitenkant. De aftastsnelheid (= snelheid waarmee info o/d plaat wordt afgetast door de laserstraal) wordt constant gehouden, zodat gegevens op de schijf met constante snelheid uitgelezen worden.

*CD-I
= Compact Disc-Interactive = cd waarop tegelijkertijd tekst, geluid en bewegende beelden kunnen opgeslagen worden. Voordeel: men kan gegevens op interactieve wijze raadplegen.
Kijker bepaalt zelf wat hij wil zien en gebruikt de info op het plaatje interactief. Zowel het plaatje als de afspeelapparatuur zien eruit als bij een gewone cd. Bij de cd-i-speler wordt wel een muis geleverd of een afstandsbediening. Ook gewone cd’s kunnen in deze speler beluisterd worden. De speler koste tussen 10 en 40 000 BEF en kan aangesloten worden op elke hifiketen of tv-toestel. Een CD-I-plaatje kost +/- 2000 BEF.
Op een aantal CD-I-platen is bewegend beeld (Full Motion Video – FMV) te vinden. De standaard voor FMV werd in 1991 vastgelegd door Philips, Sony en Matsushita. Een eerste toepassing ervan kwam van JVC (samen met Philips) voor karaoke op CD)-I.
Een CD-I-straalplaat kan 250 000 getikte pagina’s bevatten of 5500 statische beelden (indien gecompresseerd: x 10) of 100 tot 800 foto’s of 72 minuten dynamisch beeld (FMV). Bovendien zijn er tot 8 stereo-kanalen mogelijk.
CD-I-speler moet gekoppeld worden aan tv-toestel. Men kan een CD-I-plaat eens opgenomen ook niet wijzigen.
Succes CD-I was afhankelijk van # titels: Philips investeerde zwaar in softwarehuizen maar CD-I mislukte toch, net zoals het superieure videosysteem Philips V2000.

*CD-R (recordable)
= beschrijfbare cd.
Daarmee is de ontwikkeling van de cd nog niet ten einde. Verwachting: harde schijven in pc’s vervangen door cd’s. Eind 1996: nieuwe standaard voor cd’s, bedoeld voor het opslaan van computergegevens, nl. CD-rw (CD-rewritable). Dit wordt waarschijnlijk de opvolger van de floppy-disk want kan 650 Mbyte info opslaan, 450x meer dan een 3,5inch-diskette. CD-rw is gezamenlijk initiatief van Hewlett-Packard, Mitsubishi, Philips, Ricoh en Sony. Ze is compatibel met de klassieke cd en dvd-rom-drives.

*DVD
1997: Japanse elektronicagroep Matshushita brengt 1ste dvd-speler op Europese markt (merk: Panasonic). DVD (Digital Video Disc) is opvolger CD: opslagcapaciteit is 13x die van de CD.
1995: standaard DVD vastgelegd door grote maatschappijen uit de elektronica. Heeft hetzelfde formaat als CD, kan tot 4 uur bewegende beelden opslaan.
Later: DVD-R (kan 1x beschreven worden) en DVD-rw (kan eindeloos beschreven en gewist). Strijd op wereldvalk om hiervoor 1 standaard te gebruiken tussen Matsushita en Toshiba (DVD-Ram) enerzijds en Sony, Philips en Pioneer (DVD-rw) anderzijds.

*WORM
= Write Once Read Many = optische schijf waarop de gebruiker zelf zijn info wegschrijft, maar de eenmaal weggeschreven info niet meer kan uitwissen.
Behoort samen met de E.O.D. (Erasable Optical Disc) tot de familie van de D.O.R.-platen (Digital Optical Recording)
Massale opslagmogelijheid => vooral voor elektronisch archiveren van documenten.
Geen standaard formaat, opslagcapaciteit varieert ifv de grootte v/d plaat: van 350 MB tot 4 GB (3GB = +/- 500 000 vellen A4). Op termijn: WORM vervangen door DVD.

B/Illustraties doorsturen en opslaan

a. Foto’s en dia’s
1839: Franse Kamer van Volksvertegenwoordigers neemt voorstel aan om fotograaf van Daguerre door de staat te laten aankopen. Daguerrotype kent groot succes.
1880: 1ste persfoto’s afgedrukt, met halftone-techniek (uitgewerkt door Ives)
20 juli 1902: 1ste foto in Neue Zürcher Zeitung: foto werd afzonderlijk gedrukt en dan met de hand in 12 000 exemplaren geplakt.
1903: ontdekking Belinograaf of fototelegrafie door Edouard Belin: foto wordt op rol gemonteerd, lijn per lijn afgetast, telegrafisch overgeseind en op een ontvangsttoestel weer samengebracht tot een afdruk van het origineel.
1936: De Dag beschikt als 1ste Belgische krant over een belinograaf. Belino-overseining bleef in het begin beperkt tot kabeloverseining, later was ook overseinen via radiogolven mogelijk.
Vandaag: mogelijkheid per dag 100den foto’s via ISDN-lijnen of satelliet digitaal te ontvangen. Op het scherm kunnen afdrukken bewerkt worden. Een afdruk maken is niet nodig, de digitale foto kan zo gebruikt worden bij elektronische opmaak. Illustraties die als afdruk de redacties binnenkomen worden digitaal ingescand => verdere bewerkingen kunnen op scherm.
Laatste schakel in fotograferen die nog moet gedigitaliseerd worden: foto’s maken zelf. Dit kan door still video-camera’s te gebruiken. De techniek is vergelijkbaar met die van video-opnamen. De stilstaande videobeelden kunnen afgelezen worden op tv-toestellen. Ipv een filmrolletje bevat de camera een floppy disk waarop beelden worden opgeslagen. Still video werd voor het 1st toegepast door Japanse persfotografen op de Olympische Spelen in LA.
Veel voordelen: resultaten onmiddellijk beschikbaar, geen wachttijden voor ontwikkelen, afdrukken kunnen via grafische computers bewerkt worden, rechtstreeks gebruikt worden in elektronische opmaak of via telecommunicatie doorgestuurd.
In dezelfde lijn: capteren tv-beelden en die weergeven in een krant. Meestal worden tv-beelden 1st opgenomen op band en dan via een videoprinter afgedrukt. Kwaliteit is niet optimaal voor krantenfoto + er moeten hoge rechten betaald worden aan tv-stations.

b. Nieuwsgrafieken
= illustraties die een nieuwsverhaal al tekenend “vertellen”.
Naarmate tv lezers meer en meer beelden liet zien, hebben ook kranten zich aangepast USA Today (°1982)van de Gannettgroep heeft hierin baanbrekend werk verricht.
Oorspronkelijk: illustraties getekend en als lijncliché in de bladzijden verwerkt. Vandaag: gebruik gemaakt van grafische computers om nieuwsgrafieken te maken. Via internationale persagentschappen kunnen ze ook dagelijks bekomen worden. Er bestaan ook bestanden met figuurtjes voor nieuwsgrafieken. Zo kan heel snel gewerkt worden. Nieuwsgrafieken kunnen ook direct gebruikt worden in de elektronische opmaak.

c. Lay Out
Voorlopig laatste fase van de evolutie: Desktop Publishing (DTP) = het op scherm elektronisch opmaken en drukklaar maken van pagina’s. Bij kranten heet elektronische lay out EPC (Electronic Page Composition).
WYSIWYG-concept (What You See Is What You Get) is zeer succesvol.
Voordelen: sneller wijzigingen aanbrengen, productieproces versnellen, kosten drukken. Manuele opmaakafdelingen en reproafdelingen verdwijnen. Het is immers mogelijk kant en klare elektronisch opgemaakte bladzijden rechtstreeks naar de drukplaten te sturen of (in de toekomst) rechtstreeks naar de juiste plaats op de rotatiepersen => drukplaten overbodig.

C/Drukken, verzenden en distribueren
Elektronica heeft flink terrein gewonnen.
Rotatiepersen: aansturing, inktregeling, papierdruk, rollen wisselen, controle en snelheid worden volledig elektronisch geregeld en bijgestuurd.
Verzending: # exemplaren/winkel of postkantoor wordt elektronisch ingelezen en klaargemaakt voor verzending.
Drukken, verzenden, distribueren blijft cruciale, duurste, moeilijkste deel v/d productiecyclus + tegenkanting vanuit milieuhoek (berg oud papier). Wel: experimenten met ander materiaal. Scandinavië: bossen speciaal voor kranten, gebruik vandaag is kleiner dan productie.
Er wordt al jaren gezocht naar wegen om de ingewikkelde distributie te vervangen door een systeem van elektronische verdeling. Krant verdelen via kabel is geen probleem: oprichting Databel in 1993 om dergelijke toepassingen te onderzoeken. Wat ontbreekt, is een degelijke grote kleurenprinter aan een concurrentiele prijs met de huidige productiekost.
Dit systeem maakt ook een krant-op-maat mogelijk.
Knight-Ridder = Amerikaans krantenconcern: 2de grootste dagbladconcern in de VS met 30 kranten en 25 zondagskranten, dagelijkse oplage van 3,8 miljoen exemplaren (4,6 op zondag) -> denkt al lang aan elektronische krant. Men gelooft in draagbaar elektronisch scherm met interactieve krant (1ste blz. = menu) en speciale features voor slechtzienden. De krant is volledig up-to-date en heeft een archief. Dergelijke toepassingen zouden grote gevolgen hebben voor tewerkstelling (bij post, distributiebedrijven en krantenwinkels) + reacties advertentiemarkt niet in te schatten.

2. Printing in the Global Village
Komst nieuwe media => situatie gedrukte media grondig gewijzigd: monopolie als informatiedrager kwijt + vermindering drukmonopolie. Ook mediagebruik is drastisch gewijzigd.
Vrees: reclame-inkomsten van kranten zullen afvloeien naar nieuwe media. Advertentie-inkomsten moeten ook gedeeld worden, zonder dat totale advertentie-inkomsten stijgen.
Verwachting: meeste publicaties zullen nog jaren in gedrukte vorm verschijnen. Maar: geen zekerheid over de evolutie op vlak van technologie, nieuwe markten + weinig kijk op toekomst informatie-industrie.
Traditionele uitgevers voelen zich sterk door hun lange ervaring, vakmanschap en relatie met hun lezers, maar weinig uitgevers weten hoe deze punten te gebruiken bij de nieuwe media.
Consulting Trust zegt: Japan sterk in hardware, VS in software, Europa in inhoud. Maar: groot aantal inhoudelijke aspecten is gebaseerd op tekst en niet geschikt voor multimediatoepassingen + grootste film- en muziekproducers zijn niet-Europeanen.
Geen globale strategie voor succes in de toekomst. Uitgevers zijn conservatief en sceptisch over nieuwe media, niet op de hoogte van nieuwe mogelijkheden en zien ze als bedreiging. => geneigd elektronisch uitgeven over te laten aan anderen -> uitgevers moeten investeren in elektronisch uitgeven in hun specifieke markt. Daarvoor moeten z strategische allianties aangaan en zich nieuwe technieken eigen maken (ervaring opdoen).

3. Diversificatie
probleem vandaag = kostenstijgingen -> mogelijkheden zoeken om te kunnen investeren + zoeken hoe men de info meer keren kan gebruiken. Men wil ook door diversificatie bij versnippering advertentie-inkomsten, de globale inkomsten in het eigen concern te houden.
- huis-aan-huisbladen
- magazines
- sponsored magazines =volledig betaald door een bedrijf(ssector) en gratis verspreid naar specifieke doelgroep
- cassettenieuws
- audiotex-diensten
- participaties van uitgevers in lokale radio’s
- (nieuws aan lokale radio’s aanbieden via) videotex
- elektronische databank (b.v. Tijd Electronic Services)
- cd-rom met jaargangen van b.v. FET en Roularta-tijdschriften
- commercialiseren van documentatiediensten
- faxkranten
- deelname aan radio en televisie
- deelnemen aan regionale televisie en de daaraan verbonden regionale teletekst en regionale kabelkranten
- elektronische kranten, databroadcasting


4. Is er nog een toekomst voor kranten?
Kranten zijn onderworpen a/d economische wet v/d product-levenscyclus. Deze cyclus volgt gewoonlijk een s-curve: 1st langzame groei, dan expansie, periode van rijpheid, marktverzadiging of terugval. Kranten zitten nu in de periode va stagnatie. Wat nu?
3 mogelijkheden: stabilisatie op huidige niveau in verzadigde markt; terugval tot zelfs het verdwijnen van oude media; door vernieuwing in product en distributie en door het product krant van nieuwe eigenschappen te voorzien kan er een nieuwe s-curve worden opgebouwd.
4 scenario’s (door ANPA, American Newspaper Publisher Association):
- Mass Appeal: zoveel mogelijk lezers vasthouden bij huidige krantenproduct: kostenbeheersing belangrijk + krant moet makkelijker bereikbaar zijn voor adverteerders en wie op advertentie wil reageren.
- Class Appeal: krant richt zich op hoge inkomens- en opleidingsgroepen: kan meer betalen en is interessantst voor adverteerders. Krant moet ondersteund door audiotexdiensten, fax en on-line databases voor lezers en adverteerders.
- Individual Appeal: doelgericht product wordt aangeboden: brede waaier van nieuwe producten wordt aan de krant toegevoegd ter versterking van haar positie + aangevuld met elektronische informatiediensten
- Direct Appeal: krantenbedrijf wordt een soort direct mail-onderneming -> concurrentie direct marketing.
Op korte termijn levert Class Appeal het meeste rendement op.
Tendens: krant op maat, b.v. 1 of meer katernen waarop men zich afzonderlijk kan abonneren. Dit is ook interessant voor de advertentiemarkt: doelgerichte campagnes voor bepaalde lezersgroepen.
Toch kan het hier niet bij blijven: krantenbedrijven moeten zich omvormen tot informatiebedrijven. Diversificatie van het product krant + info via multimediagebeuren meer keren ten gelde maken: “one source, multiple use”.
Er zijn geen pasklare oplossingen. Ook overheid heeft een rol.

5. Online kranten
jaren ’80: Belgische dagbladuitgevers experimenteren met videotex -> faalt
jaren ’90: kranten in VS willen op online markt komen en kiezen voor bestaande netwerken. Elk netwerk gebruikt eigen platform => # abonnees voor elektronische kranten was beperkt en uitgevers krijgen maar percentage v/h bedrag dat a/d gebruikers wordt aangerekend.
Internet haalt deze evolutie door elkaar (vanaf 1993). Ook Belgische uitgevers hebben zich op internet en online-kranten gegooid. Reden: “Dabei zein ist alles”, of “fear, uncertainty, doubt” + het werkt imago-ondersteunend.
Motieven van uitgevers om online te gaan, van belangrijk naar minder belangrijk:
- Remain the number 1 information source
- Provide additional reader service
- Create new/additional advertising opportunities
- Generate new revenu/profit sources
- Improve customer service
- Preempt competition
- Acquire experience in electronic delivery
- Generate increased publicity/promotion
Ondertussen: www-kranten hebben evolutie ondergaan. Nu zijn het belangrijkste: promotiemiddel, inhoud recycleren, extra dienst voor de lezer.
Voordelen tegenover traditionele krant:
- permanente actualiteit
- relatief onbeperkte ruimte
- mogelijkheden tot individualisering van de inhoud – The Daily Me
- snellere en goedkopere distributie
- aanbieden van zoekfuncties
- interactie met de lezer
Probleem: hoe online-kranten rendabel maken? Opbrengsten uit website: promotie, advertenties, abonnementsgeld, consultatietarieven.


B. Audio-visuele media

1. Audio-toepassingen
A/Radio
Radio = resultaat van een reeks doorbraken: ontdekking elektromagnetische golven in de ether door Maxwell en Hertz (2de helft 19de eeuw); draadloze telegrafie door Marconi (eind 19de eeuw); draadloze telefonie door De Forest en Fessenden (begin 20ste eeuw). => schepen, vliegtuigen en militairen konden met mekaar en met hun basis communiceren.
1920: Davis beseft dat radio een groot publiek kan bereiken. 2 november 1920 start Westinghouse het 1ste commerciële radiostation – KDKA in Pittsburgh. Hij hoopte te verdienen a/d verkoop van radio’s die nodig waren om zulke stations te beluisteren.
Eind 1922: 576 dergelijke stations in de VS en er werden dat jaar 100 000 radio’s verkocht. In 1925 waren er in de VS 5,5 radiotoestellen, bijna 1/2 van alle toestellen ter wereld.
1914: 1ste radioproeven in België: uitzending concert vanuit paleis te Laken.
Lange weg afgelegd: kwaliteit is dankzij FM (frekwentiemodulatie) en stereo verbeterd. Kant van de zender: bijna hele proces gedigitaliseerd; ontvanger: kwaliteit opgevoerd, miniaturisering slaat toe.
Investeringskost voor het uitrusten van een station is erg gedaald (lokale radio’s).
Robotradio’s = werken volledig computergestuurd zonder enige menselijke tussenkomst. Enkel rondrijdende reporter kan per telefoon tussenkomen (programma wordt onderbroken). Reporter spreekt zijn nieuwsitem in over de telefoon voor de micro, nadien neemt de computer de sturen v/h radiostation weer over.
Mogelijkheden van radio zijn wereldwijd via satelliet. Volgende stap = digitale radio.

B/RDS – Radio Data System
Samen met gewoon radioprogramma kunnen “in de marge” andere gegevens verstuurd worden. Met RDS kunnen digitale data dmv radiogolven verstuurd worden via de fm-band en met een (aangepast) radiotoestel ontvangen worden. De technologie is gestandaardiseerd door de European Broadcasting Union (EBU).
Met RDS kan een radiotoestel automatisch zoeken naar de krachtigste frequentie en men kan onderbreken voor verkeersinformatie. Andere mogelijkheden: nieuws en/of financiële informatie.
Via een decoder zou men RDS-boodschappen zelfs kunnen personaliseren (men kan gebruiker individueel oproepen of bepaalde info doorsturen).

C/Geluidsopnamen
Meeste radionieuws werd in het begin rechtstreeks uitgezonden. Toen geallieerden Berlijn binnenvielen zagen ze bandrecorder. Jarenlang heeft men zich moeten behelpen met mangnetische dragers voor opname van auditieve gegevens. De analoge cassette dateert van 1962. Vandaag: opname-apparatuur volledig gedigitaliseerd.

a. DAT-speler
1986: ontwikkeling DAT-speler (Digital Audio Tape) in Japan. Digitale info wordt opgeslagen op een magneetband. Voordeel: kwaliteit verhoogt en men kan het opgenomene weer wissen. Nadeel: magneetband kan niet contactloos worden afgelezen -> slijtage v/d band.
Platenindustrie probeerde introductie van de DAT-speler te verhinderen omdat je met DAT-speler cd kon kopiëren zonder kwaliteitsverlies.
Juli 1989: compromis: invoering SCMS-systeem = Serial Copy Management System, laat toe slechts 1 kopie te maken van een ander digitaal medium.
DAT-speler wordt vandaag vooral in professionele uitvoeringen in studio’s gebruikt.

b. Mini-Disc
1993: Sony brengt Mini-Disc (MD) o/d markt. Ziet eruit als een diskette met een zijde van 6,4 cm. Met de MD kan men digitale muziek weergeven en opnemen. Dankzij compressietechnieken kan er evenveel muziek op als op een cd. Prijs MD is ook competitief met die v/d CED. Voordeel MD: opnamemogelijkheid (zonder slijtage); schokbestendig.
1993: Philips tegenaanval: DCC (Digitale Compact Cassette) = opvolger analoge cassette: kan geluid opnemen, wissen en weergeven. Voordeel: oude analoge cassette kan afgespeeld worden op DCC-speler. Systeem faalde: hoogwaardige cassette diende meestal afgespeeld met minderwaardige leeskoppen.

2. Visuele toepassingen
A/ Televisie
= kijken op afstand

a. De opbouw van het beeld
1883: Nipkow: beelden kunnen ontrafeld worden in lijnen en punten. Proefopstelling: voorwerp wordt geprojecteerd op roterende schijf waarin (in spiraalvorm) oorspronkelijk 30 gaatjes zitten. Het licht v/h voorwerp dat weerkaatst werd, kan alleen door de gaatjes vallen. Het weerkaatste licht valt (vanwege de spiraalvorm) beeldlijn na beeldlijn doorheen de schijf. Het volledige object wordt ontleed in 30 lijnen. Het licht dat door de gaatjes valt wordt opgevangen door een fotocel en omgezet in een elektrisch signaal. Aan de ontvangstzijde staat een gelijksoortige schijf, die aan dezelfde snelheid ronddraait. Voor deze schijf bevindt zich een lamp. De spanningsvariaties van de fotocel worden door deze lamp omgezet in lichtvariaties. Doorheen de gaatjes v/d draaiende schijf ontstaat op het ontvangsttoestel een reproductie v/h opgenomen object. Opeenvolging beeldpunten- en lijnen snel genoeg => door menselijk oog als 1 beeld ervaren.
1928: 1ste tv-toestel o.b.v. Nipkow-schijf ontwikkeld door Mikaly-Telehor. Kwaliteit 1ste beelden was slecht. Baird verhoogde de kwaliteit door # gaatjes en toerental te verhogen.
1923: Baird realiseert 1ste draadloze uitzending met bewegende beelden.
1987: Braun vindt kathodestraalbuis of CRT (Cathode Ray Tube) uit -> van mechanische naar elektronische beeldproductie. Werking CRT berust op principe dat elektronen worden opgewekt door een kathode of elektronenkanon => een lichtgevoelig scherm kan opgelicht worden. Dit principe samen met dat van Nipkow leidde tot het systeem v/d huidige schermen.
CRT werd 1st toegepast voor de weergave v/d beelden bij de ontvanger. Pas in 1935 werd door RCA (VS) een elektronische beeldopnamebuis, die ionoscoop, geïntroduceerd.
Voor beeldaftasting en –wederopbouw werden internationaal standaarden vastgelegd door de CCIR (Comité Consultatif International de Radiodiffusion). Beeld wordt afgetast van boven naar onder en van links naar rechts en bestaat uit 625 lijnen. Elke lijn: 700 beeldpunten. Beeldfrequentie: 25 beelden ver seconden = 25 Hertz.
Kleurentelevisie: signaal opgedeeld in 3 signalen (met de basiskleuren). Meeste kleurencamera’s: 3 opnamebuizen.
Toenemende digitalisering: klassieke opnamebuis vervangen door CCD-chip: maakt kleinere camera’s mogelijk; heeft 10x langere levensduur; geen onderhoud nodig; geen probleem van inbranding; schokbestendig; geen opwarmtijd; laag stroomverbruik.

b. De weergave van het beeld

- MAC-norm
Weergave televisiebeelden: 3 standaarden:
- NTSC (National Television System Committee): 525 lijnen, 30 beelden/sec. Toegepast in de VS, Canada, Mexico, Cuba, Japan, Zuid-Korea en een aantal Zuid-Amerikaanse landen. Kleurkwaliteit is slechter dan bij PAL en SECAM
- PAL (Phase Alternating Line): andere techniek voor kleurweergave. 625 lijnen, 25 beelden/sec. Toepassing: alle West-Europese landen behalve Griekenland en Frankrijk, Australië, China, landen in Zuid-Amerika, het Midden-Oosten en Afrika.
Sinds 1995: aantal Europese tv-stations zendt uit in PAL-plus = nieuwe versie van PAL-standaard met verbeterde beeldkwaliteit en scherm met verhouding 16:9.
- SECAM (Sequentiel Couleur A Memoire) = Franse standaard om kleurafwijkingen van NTSC op te lossen. 625 lijnen en 25 beelden/sec. Gebruikt in Frankrijk, Griekenland, Libië, Egypte, Israël, Irak, Iran, Saoedi-Arabië en meeste Oost-Europese landen. Er is een afwijkende Russische SECAM-norm.
Gevolgen voor gebruik videorecorders. Om verschillende standaarden aan te kunnen moet men multi-standaard tv-toestel en/of multi-standaard videorecorder hebben. Soms: problemen oplossen door verschillende decoders te gebruiken. Bij kabelontvangst zorgen kabelmaatschappijen voor de conversie.
Op zoek naar nieuwe internationale televisiestandaard: MAC-norm (Multiple Analogue Component) -> noodzakelijk i.v.m. multinationale satellietprogramma’s + men wil kwaliteit televisiegeluid verbeteren tot cd-kwaliteit; voorbereiding van High Definition Television (HDTV) maakt andere standaard noodzakelijk; decoderen van bepaalde programma’s van betaaltelevisie is met bestaande tv-normen kinderspel en men wil dat voorkomen.
MAC-norm ontwikkeld in 1981 door IBA (Independent Broadcasting Authority).
Bij PAL, SECAM en NTSC worden kleur- helderheids- en geluidsinfo tegelijk maar op een verschillende freqentie doorgestuurd (frequentiemultiplexing) <-> MAC: deze info wordt na elkaar doorgestuurd (tijdmultiplexing) => bij MAC kan men digitaal geluid of ondertiteling en nasynchronisatie in verschillende talen aanbieden.
Maar: er gaat niet 1 wereldwijde tv-standaard komen. Nu al 4 MAC-versies: B-MAC, C-MAC (oorspronkelijke), D-MAC en D2-MAC (meest gebruikt).
Geen problemen voor gebruiker want kabelmaatschappij zet alles om. Wie MAC-satellietzenders wil ontvangen moet een MAC-convertor aanschaffen. Op termijn: MAC moet wijken voor digitale televisie

- HDTV
Start in Japan, Japanse omroep NHK zendt al regelmatig in HDTV uit.
In Europa spreekt men van HD-MAC want er worden ook 625 lijnen doorgestuurd. Bij HDTV wel men in Europa 1250 beeldlijnen van elk 1920 punten, in Japan 1125 lijnen van 1920 punten en in de VS 1050 lijnen.
De Motion Picture Experts Group (MPEG) wil toch 1 internationale standaard: MPEG2. Pas in 996: wereldstandaard uitgewerkt en aanvaard.
Bij HDTV: andere schermverhouding: hoogte-breedte 9 tot 16 <-> nu: 3 toto 4.
Perspectieven: interactieve televisie met enorme commerciële mogelijkheden.

c. Het doorsturen van beelden
Elektrisch signaal nodig. Korte afstand: kabel; lange afstand: ether of kabeldistributie.
Televisiesignalen worden verzonden via krachtige draaggolven met zeer hoge frequentie (=trillingen/sec). De draaggolven bevinden zich in VHF- (Very High Frequency) of UHF-band (Ultra High Frequency). Deze banden zijn onderverdeeld in kanalen. Via elk kanaal kan een videosignaal uitgezonden worden.
Voor tv-uitzendingen gebruikt men banden I (kanalen 2 t.e.m. 4), III (kanalen 5 t.e.m. 11), IV (kanalen 21 t.e.m. 37) en V (kanalen 38 t.e.m. 60). Voor FM-radio-uitzendingen: band II.
Nicam-systeem verhoogt kwaliteit van geluid bij televisie-uitzendingen (vergelijkbaar met een CD). Het tv-toestel moet wel een nicam-decoder hebben.
Meer uit tv halen? Paar 100 zenders via schotelantenne.

d. Het opnemen van beelden
1950: men kan beelden op magneetband vastleggen (pellicule bestond al vroeger). Mettertijd: streven naar digitale videorecorders.
1981: EBU (European Broadcasting Union) en SMPTE (Society for Motion Picture and Television Engineers) bereiken Digital Component Coding Standard Proposal => D-1 DTTR-standaard (Digital Television Tape Recorder), kortweg D-standaard. Ondertussen al 3 D-standaarden: D-1, D-2 en D-3. 1988: D-2 door EBU en SMPTE als norm aanvaard.

B/ Teletekst
= medium waarbij gegevens in gedigitaliseerde vorm en geënt – op de rug van – een videosignaal cyclisch en constant worden uitgezonden. Gegevens kunnen op televisietoestel met teletekstdecoder geselecteerd worden en weergegeven.
Begin jaren ’70: naam Ceefax, geïntroduceerd door BBC. Men gebruikt voor de teletekstgegevens 4 tv-lijnen (v/d 625) die niet gebruikt worden voor normale tv-uitzendingen. De gegevens worden meegestuurd tijdens de uitzendingen => men kan teletekst raadplegen wanneer een tv-station uitzendt.
Het gaat om teksten en grafische voorstelingen. Het teletekstbestand heeft genummerde schermpagina’s die via de afstandsbediening kunnen opgeroepen worden. Het totale teletekstbestand wordt tijdens de uitzenduren permanent en cyclisch verdeeld. De gebruiker capteert enkel de bladzijde die hij wil bekijken => wachten tot de gevraagde pagina wordt uitgezonden. Voor 100 bladzijden is de maximum wachttijd 24 seconden, gemiddelde wachttijd 12 seconden. O.w.v. wachttijd breiden tv-stations # teletekstpagina’s niet erg ver uit.
Net na Ceefax van BBC kwam IBA met Oracle (Optional Reception of Announcements by Coded Line Electronics). 1973: gezamelijke standaard: Teletext.
1977: Franse omroeporganisatie TDF (Télédiffusion de France) begint met eigen teletekstexperiment, Antiope (Acquisition Numérique et Télévisionalisation d’Images Organisées en Pages d’Ecriture). RTBF en Frankrijk gebruiken dit <-> meeste landen kiezen Brits systeem. Wegens geringe belangstelling stopzetting in 1988 (TDF ook Brits systeem).
Nu: Ceefaxnorm/niveau 1, maar Ceefaxnorm/niveau 2 is op komst: meer mogelijkheden i.v.m. karakters en grafieken. Televisietoestellen moeten wel nieuwe decoders hebben.
Andere toepassing: VPS (Video Program System): elke televisie-uitzending krijgt speciale teletekstcode mee. Deze kan een videorecorder opdracht geven opname te starten of stoppen.
Variant: full-chanel teletekst: volledig kanaal (625 lijnen) wordt gebruikt => capaciteit tekst kan opgedreven worden. Teletekst wordt dan als volwaardig kanaal uitgezonden.
Voor internationale satellietzenders: facultatieve ondertiteling in verschillende talen.

C/ Databroadcast
= massale hoeveelheden digitale gegevens worden “in bulk” naar alle abonnee-gebruikers verzonden. Deze kunnen de data met behulp van pc met decoder ontvangen.
Gegevens worden verzonden zoals teletekst of via satellietverbindingen => pc dient verbonden met kabel of tv-antenne.
Voordeel: zeer geringe communicatiekost

D/ Kabelkrant
Teletekstsignaal omgezet in videosignaal => je kan teletekst ontvangen zonder decoder. De info wordt dan uitgezonden als een gewoon tv-beeld: netteletekst of kabelkrant. De gebruiker kan niet zelf de info selecteren. Bladzijden worden 1 per 1 weergegeven, afgestemd op leessnelheid gebruiker. Vaak: cyclus van 15 tot 25 minuten, info en advertenties wisselen af.



C. Virtuele realiteit

= VR = Artificiële Realiteit = nieuw medium dat de gebruiker de illusie geeft zich in een driedimensionele en interactieve werkelijkheid te bevinden. Gebruiker zit “in” de computer: helm met stereolenzen, 2 LCD-schermpjes die de ogen visuele info geven, quadrofonische koptelefoon en handschoen die de muis vervangt.
Eventueel: elektronisch voelpak, het sensorpak.
Eindeloze mogelijkheden.

1. Het ontstaan van Virtuele Realiteit
Voorvaders: simulatie-industrie, van toen de USAF (United States Air Force) na WOII vluchtsimulatoren ontwikkelde en de ontspanningsindustrie.
Jaren ’50: driedimensionale B-films (rood-groen brilletje)
1962: Heilig ontwerpt Sensorama-stimulator = éénpersoons demonstratiekabine die 3D-film combineert met stereogeluid, mechanische trillingen, ventilatoren en aroma’s. Toeschouwer ging zitten op motorzetel, nam stuur vast en tuurde en Viewmaster-achtige bril.
Sutherland introduceert computergebruik voor designwerk. Hij ontwikkelt ook een kijkhelm (headmounted display) voor grafische computertoepassingen.
1970: Krueger bedenkt de term “artificial reality”
Massachusetts Institute of Technology (MIT) ontwikkelt het Movie Map-project: rondreizen door bepaalde delen van een videoscherm aan te raken.
1981: namaakcockpit van USAF. Later: Virtual Interface Environment Workstation (VIEW)

2. Definitie
Robinson en Tamosaitis: “Virtual Reality is the creation of new universes form computer graphics and sounds; worlds where you can be and do whatever you want.”
Belangrijke karakteristieken van VR:
- VR is een kunstmatige realiteit die tot stand komt m.b.v. computerbeelden- en geluid
- Het is een illusie die via een beeldscherm wordt opgewekt
- Het is een multimedia-omgeving
- De gebruiker neemt deel aan zijn virtuele omgeving
- Deze omgeving staat open voor menselijke manipulatie, is interactief
- Het betreft interfaces tussen mens en computer
- De illusie van volledige onderdompeling is overtuigend
Definitie van Peter Staes: “Virtuele realiteiten zijn interactieve illusies van nieuwe werelden, waarin de gebruiker volledig is ondergedompeld en waarvan hij gelooft dat het realiteiten betreft. Deze illusies worden gegenereerd in multimedia-omgevingen via computerbeelden en -geluiden, en worden weergegeven op een beeldscherm dat met het hoofd verbonden is.”
Kenmerken van VR volgens Austakalnis en Blatner:

A/ Simulatie
Realiteitsgehalte van grafische beelden en geluid

B/ Interactiviteit
Graad van interactiviteit:
- Passieve VR: basisstadium, gebruiker = passieve toeschouwer zonder enige controle over zijn virtuele omgeving
- Exploratieve VR: controle uitoefenen op eigen bewegingen maar niet op omgeving
- Interactieve VR: volledige controle over zijn virtuele omgeving

C/ Kunstmatigheid
Virtuele omgevingen zijn gecreëerd door computers via technologische media.

D/ Onderdompeling
Illusie is te danken aan de onderdompeling.

E/ Telepresence
Het “aanwezig zijn vanop afstand”: taak vanop afstand uitvoeren of met andere op verschillende locaties in dezelfde virtuele ruimte zijn.

F/ Full-body immersion
Onderdompeling in virtuele omgevingen zonder technologische apparatuur aan te trekken.

G/ Netwerk-communicatie
Communicatie via netwerken essentieel.


3. Basistechnologie
A/ Grafische computers
2 elementen bepalen mogelijkheden v/d grafische computer voor VR: snelheid en capaciteit.
- Snelheid: VR-systemen trachten zo dicht mogelijk bij real time-werking te komen: tijdsverschil tussen werkelijke en weergegeven acties tot minimum beperkt. Snelheid van real-time weergave: 30 beelden/sec.
- Capaciteit: moet ruim genoeg zijn: waarheidsgetrouwheid en mogelijkheid tot interactiviteit belangrijk. Driedimensionaal: beelden volgen elkaar dynamisch op telkens de gebruiker beweegt en zijn blik wendt + beelden dienen 2x berekend te worden, voor de linker- en rechterdisplay. Nu: nog geen computers met zulke capaciteit => beelden ruw.
IBM Watson research Center ontwikkelt techniek om tijdsverschil merkelijk terug te brengen: computer voorspelt bewegingen van de elektronische handschoen (dataglove) => lag-time (verschil reële beweging – computerbeweging) 12 milliseconden.
Om VR tot bij groot publiek te brengen: on line-systemen.

B/ Visuele interfaces
Eenvoudig: beeldscherm. Gecombineerd met speciale bril = desktopsystemen.
Uitgebreider: headmounted display (ofte headset of eyephone) = helm met visuele schermpjes die verbonden is met computer. (°1968)

C/ Oriëntatie- en positieregistratie
Headtracking-mechanisme geeft computer virtueel beeld van positie en oriëntering gebruiker.
Toen headmounted displays nog vast verbonden waren met computer: mechanisch headtrackingsmechanisme.
Dan experimenten met akoestisch systeem (teruggekaatste geluidsgolven: nauwkeurig maar niet geschikt voor kleine ruimtes); headtracking o.b.v. elektro-magnetische sensoren (bevestigd aan display en lokaliseren hoofd gebruiker in magnetisch veld: heel nauwkeurig maar sensoren kunnen beïnvloed door metalen voorwerpen); lichtje op headmounted display (toestel meet veranderingen in hoofd en externe camera’s registreren licht op display -> niet nauwkeurig genoeg).
Daarom: systeem omgedraaid: plafond v/d reële ruimte wordt van lichtjes voorzien en op de headmounted display komen 3 camera’s. Het systeem is nauwkeurig, werkt met een snelheid van 215 correcties per seconde, bereik is ongeveer 3 kubieke meter. Nadeel: camera’s bezwaren de headmounted display.

D/ Interactietechnieken
a. Inputs van de gebruiker naar de computer
- De muis: gewerkt aan muis die driedimensionele virtuele realiteit aankan.
- Handschoenen: sturen elektronische signalen naar de computer. Die berekent positie en bewegingen v/d hand. Onder andere:
Dataglove: gemaakt van een soort nylon, strak rond de hand. Bewegingen van vinger en hand worden opgemeten door een positie- en oriëntatiesensor en een aantal glasvezelkabels dat over de rug van elke vinger loopt. Deze meten buiging en strekking.
Dexterous Hand Master: aluminium skelet. Meet zijdelingse bewegingen v/d vingers, houdt rekening met de 4 vingers (duim niet) en meet 3 gewrichten v/d vingers.
- Virutele pakken: datasuit: bedekt hele lichaam en zit vol sensoren.
- De treadmill: rolband waarop de gebruiker zo lang en ver kan stappen als hij wil. Vooraan zit een stuur om de bewegingsrichting door te sturen naar de computer.
- Spraakherkenning: vaak in combinatie met registreren van positie en oriëntatie, mondelinge bevelen geven a/d computer. Meeste systemen zijn nog beperkt. At&T zegt dat men tegen 2010 real time gesprekken kan omzetten in een andere taal.
- Liplezen: vaak ter ondersteuning van spraakherkenningssystemen. MIT’s Media Lab in UK werkt aan computer die kan liplezen. Probleem: spreker moet met hoofd naar camera staan.
- Oogbewegingen (Eye Tracking): kan men samen met spraakherkenningssystemen gebruiken. Basisopstelling: set camera’s die het oog voortdurend filmen: fijne filmstraal wordt op oog gericht en de camera’s registreren de richting waarin het licht weerkaatst wordt. Men kan ook buitenlijn van pupil of iris registreren, of contactlens aanbrengen die oogbewegingen meet.
Men kan ook bevelen geven aan de computer door blik te fixeren op een functie op het scherm of een toets, zo kan men sneller bevelen dat met de handen.
Voordeel: kan oplossing bieden voor onvoldoende geheugencapaciteit v/d grafische computers: beeldkwaliteit virtuele omgeving rudimentair houden totdat gebruiker geconcentreerd kijkt naar een bepaald virtueel object.
NASA ontwikkelde o.a. OASIS (Ocular Attention Sensing Interface System) = eyetracking-systeem dat auditieve en visuele inputs combineert.
- Directe zenuw-input: meer droom dan realiteit, menselijk brein is te complex.
- Gedachtenherkenning: veronderstel dat onderzoekers in staat zullen zijn elektromagnetische golven v/de hersenen op te meten. Men gaat ervan uit dat bepaalde gedachten in de hersenen specifieke patronen veroorzaken die door een computer gelezen kunnen worden.

b. Inputs van de computer naar de gebruiker
- Visuele inputs
- Auditieve inputs: ingebouwde koptelefoons in headmounted displays. Nasa ontwikkelde systeem dat driedimensionaal geluid weergeeft in overeenkomst met virtuele omgeving.
- Oleofactische inputs: genereren geuren is geen probleem, verwijderen wel + geurenspectrum bestaat niet
- Tactiele inputs: VPL Researchontwikkelde dataglove met force feedback: als gebruiker virtueel object vastneemt, wordt zijn hand beroerd en zijn bewegingsvrijheid beperkt => illusie dat hij effectief iets vasthoudt.

4. De sociale gevolgen van Virtuele Realiteit
A/Cybersex, telesex en teledildonics
1974: dildonics: toestel, uitgevonden door How Wachspress, dat geluid kan omzetten in tactiel gevoel. Erotisch effect was afhankelijk van waar de gebruiker de tactiele simulator op het lichaam aanbracht. Ontstaan VR => deze erotisch-technologische fantasieën kregen namen als Cybersex, teledildonics of virtual sex.
Veel technische obstakels te overwinnen.
Onderscheid:
- cybersex = vrijen met virtuele partners (voorkomen/uitzicht door gebruiker bepaald)
- telesex = vrijen met anderen in een virtuele ruimte of over een afstand.
VR-sex wordt nieuwe markt voor porno-markt.

B/ Virtuele realiteit als drug
Virtuele realiteit kan dienst doen als een drug, want brengt immers – net als een drug – de gebruiker buiten de realiteit.
Rheingold is overtuigd dat VR als drug gebruikt kan worden: verbreken band met realiteit, veel auditieve en visuele ervaringen mogelijk -> gebruikers “out of their minds as well as out of their bodies”.
Brainmachines = elektronische apparaten, bestaande uit een zetel, lichtgenererende bril en driedimensionale koptelefoon. Gebruiker neemt plaats, lichtvlekken worden op gesloten oogleden geprojecteerd + begeleid door muziek => na kwartier gebruiker volledig ontspannen.
Als dit al een dergelijk effect heeft, wat dan met overweldigende, multisensoriële onderdompeling van VR-systemen i/d toekomst.
McLuhan: VR-ervaringen kunnen trip zijn, maar geen drug: drugsloze innerlijke trips.

C/ Virtuele realiteit en verslaving
-> kan het tot psychische verslaving lijden?
Sherman & Judkins: 2 kenmerken van verslaving: voorspelbaarheid of veiligheid + de drang om een bepaald trauma te overwinnen => actieve en passieve verslaving
Passieve verslaving = vereist weinig of geen inspanning, is ontspannend want doet opgebouwde innerlijke spanning verminderen.
Actieve verslaving = actief zoeken naar meer en betere kicks, amusement.
J. M. Peters: onderscheid ontspanning - amusement.
VR: veel kans om passieve verslaving i/d hand te werken: sommige mensen leven liever in ideële virtuele wereld. Ook kans op actieve verslaving: computerspel wordt beleefd.
Vraag: verkiezen mensen VR boven echte realiteit?
Nozick: elke mens keert tot echte realiteit weer o.w.v. drang concreet te realiseren (inherent menselijk)

D/ Virtuele realiteit en psychologie
Positieve visie op mogelijkheden van VR: traumaverwerking; fobieën overwinnen; behandeling van depressieven, schizofrenen en andere vormen van sociale afwijking.

5. Besluit
Telepresence = VR-aanwezigheid op lange afstand.
We blijven nood hebben aan band met realiteit: - basisbehoeften
- ontbreken fysisch gevaar in VR
Austakalnis & Blatner: we kunnen nooit virtuele realiteiten creëren die zo complex en duidelijk zijn dat we ze niet van de echte kunnen onderscheiden. Realiteit heeft complexiteit, onvoorspelbaarheid en onzekerheid.
Vraag: willen gebruikers niet liever geloven in die VR dan in de gewone realiteit?

Hoofdstuk IV: Een analyse van globalisering
Vrije markt: kapitalistische structuur: concurrentie => prijzen laag, kwaliteit hoog.
Werkelijkheid: vrije markt meestal beperking aantal spelers en “cross-ownership” = mediabedrijf legt zich niet langer toe op 1 tak, maar tracht brede waaier van media te bezitten.
Marx 1860: competitie leidt tot centralisatie. In Das Kapital 2 gevolgen:
- Onbeperkte concurrentie stimuleert de groei van grote bedrijven want innovaties worden gestimuleerd, prijzen gedrukt en minder efficiënte mediabedrijven uit de markt geprezen.
- Verdwijnen van individuele eigenaars van media leidt tot versnippering v/d eigendom, maar: tendens om kapitaal te centraliseren.
3 fasen i/d evolutie naar oligopolies:
- innovatie => verschillende bedrijven trachten marktaandeel te verwerven. Als bedrijven groeien en competitie stijgt: aantal firma’s worden uit de markt gewerkt of opgekocht.
- Aantal spelers op de markt daalt, paar grote bedrijven worden marktleider.
- Markt stabiliseert zich, trend naar grootschaligheid en centralisatie blijft.
Trend naar globalisering kan door overheidsmaatregelen gestopt worden of door evolutie v/e bepaalde technologie. Maar dan nog trachten bedrijven zich aan te passen aan wisselende omstandigheden.

1. Culturele en functionele integratie
1 v/d basisvoorwaarden voor ontstaan en floreren van globale media: snelle mogelijkheid tot communicatie over de hele wereld + “global village” creëren waarbij de relaties tussen landen kunnen verbeterd worden en de gevaren voor militaire en sociale conflicten kunnen vermeden.
Concept werelddorp: Marshall McLuhan: elektronische media kunnen wereld veranderen in een gemeenschap. Mensen leren (indiviueel) de wereld kennen door hun zintuigen, zeker door zicht een geluid. Elektronische media maken van de moderne samenleving een stam.
“The medium is the message”
Tekortkomingen bij de visie van McLuhan: lokaal nieuws in kranten is een belangrijk element i/h socialiseringsproces i/e gemeenschap en boekenclubs zijn effectief om mensen het gevoel te geven dat ze bij een groep horen; elektronisch werelddorp is minder effectief i/e proces van integratie dan interpersoonlijke communicatie.
Gruning: mogelijkheid van gespecialiseerde info versnippert de wereld meer dan het er een dorp van maakt. Belangrijk is hoe mensen met media omgaan. Invloed van 1 medium daalt.
Toch leeft idee van McLuhan nog: globale media helpen mensen van verschillende culturen dichter bijeen te brengen.
Ook ontspanningsprogramma’s zijn belangrijk om bepaalde waarden en normen te versterken.
Gerbner: mensen die veel tv kijken ontwikkelen “mean world syndrome”.
Toch zou de wereld niet meer degelijk kunnen functioneren zonder globale media.
2 categorieën van effecten van sociale integratie v/d media:
- bij culturele integratie versterken media een aantal ideeën, normen en waarden; meestal Westerse. Probleem als 2 blokken met andere waarden met elkaar geconfronteerd worden en daardoor de spanning vergroot. Voorstanders zeggen: op termijn is het effect van globale media eerder een vermindering dan een vergroting van spanningen.
- functionele afhankelijkheid: globale media brengen mensen en organisaties samen om hun doeleinden (vooral economische) te bereiken. Voorstanders zeggen: globale media stimuleren mensenrechten, vergroten intercultureel begrip en beperken sociale conflicten.

2. Niet iedereen gelukkig
Tegenstanders globale media: Frankfurter School: globale media zijn instrument van politieke en economische instellingen om voor burgers de gevaren v/h kapitalisme te verbergen.
Critici van globale media zullen nooit aan bod kunnen komen in die media en zullen over geen media kunnen beschikken om hun ideeën te verkondigen => geen verscheidenheid van ideeën meer => mensen gaan in fantasiewereld leven en elite controleert.
Bekende aanhanger: Chomsky: media zijn zeer efficiënte en sterke ideologische instellingen geworden, met propagandafunctie:
- basisgedachte: globale media bekommeren zich om de winst eerder dan om de mensen (en medium dat winst- en marktgedreven is verraadt openbare functie).
Seldes noemt in 1930 leden van de American Newspaper Publishers Association “the house of lords” en beschuldigt hen ervan hun kranten te gebruiken voor persoonlijk geldgewin en politieke invloed. Bagdikian voorspelt eind jaren ’80 dat in de jaren ’90 1 groot bedrijf de controle zou hebben over alle grote media.
- McChesney: mediaconglomeraten bedreigen democratie. Democratie functioneert best als er geen al te grote welvaartsverschillen zijn, ongeveer consensus is over wat goed is voor de gemeenschap en er een efficiënt systeem van beleidscommunicatie is. Mediasituatie in de VS staat hier haaks op. Bovendien verschrompelen mediaconglomeraten verscheidenheid van ideeën.
- Bagdikian geeft 2 redenen voor het verdwijnen van de diversiteit: concentratie + mediagiganten stellen winst boven kwaliteit of diversiviteit.
- Globale media zijn conservatief en streven naar een status quo => staan sociale veranderingen in de weg. Mediagiganten zijn instituten die gezag, macht en privileges v/e bepaalde politieke en economische elite bestendigen.
- Media-imperialisme. Chin-Chuan Lee: 4 elementen van media-imperialisme: export van televisieprogramma’s naar andere landen; buitenlandse eigendom of controle over de mediakalen; overbrengen dominante normen in uitzendingen en v/d commercialisering v/d media; kapitalistische wereldvisie binnenbrengen ten koste van autochtone levenswijze. Soms zelfs: cultuurimperialisme of cultuurhegemonie.
Globale media zouden ook meer aliënatie/vervreemding veroorzaken bij werknemers + relaties in grote media-organisaties zijn zo complex dat interpersoonlijke relaties tussen top en basis bureaucratisch/koel is.
Er zijn wel oplossingen aangereikt:
- verstrengen en versterken antitrustwetten
- beperking v/h aantal mediakanalen in handen van 1 persoon of een bedrijf
- beperking v/h bezig van verschillende soorten media
- meer overheidsgeld voor niet-commerciële, openbare media
- belastingstegemoetkomingen voor onafhankelijke media.
Radicalere oplossingen: verbieden privé-bezit van media of kapitalisme afschaffen.
Probleem: voor- en tegenstanders ongenuanceerd + media kunnen niet los van samenleving.

3. De toekomst van mediaconglomeraten
Trends die maken dat mediaconglomeraten nog drastisch zullen veranderen:

A/ Structurele differentiatie
Meer differentiatie => nood aan info stijgt. Organisaties complexer => info moet gespecialiseerder: marktsegmentering & doelgroepenbenadering
Meer en meer landen: kapitalistisch of vrijemarktmodel.
Markt van individuele staten zal afnemen door globalisering v/d economie



B/ Groei en differentiatie van globale media
# mediagiganten gaat afnemen en overblijvende conglomeraten worden groter en leveren brede waaier aan mediadiensten. Wel: opportuniteiten voor kleine, gespecialiseerde spelers.

C/ Grotere en minder machtige mediagroepen
Mediagiganten zullen voor groot deel blijven instaan voor informatievoorziening van grote groepen, maar gespecialiseerde info kan ook door kleine bedrijven aangeleverd worden => mediagiganten moeten deel macht inleveren. Mediaconcerns blijven door grootschaligheid competitief voordeel hebben.

D/ Convergentie van technologie
Media zullen diensten blijven aanleveren via verschillende kanalen maar meer info zal via internet bezorgd worden. Scheiding gedrukte - elektronische media wordt opgeblazen.

E/ Groeiende diversiviteit van ideeën
Veel geproduceerd

F/ Verdere verspreiding van Westerse Waarden
Globale media zijn producten v/e Westers politiek – economisch systeem en hebben winst nodig om te overleven => informatie- en ontspanningsprogramma’s blijven Westerse waarden vooropstellen.

G/ Een groeiende kenniskloof
Groeiende kenniskloof tussen landen en tussen bewoners van landen. Informatierijke landen worden informatierijker en informatie-arme landen worden informatie-armer.




Hoofdstuk V: Geo-Informatie

Mediagiganten: Westerse omgeving -> Global news of geonieuws.
Van Ginniken: Alle nieuws heeft een bepaald kader, uitgaande v/e wereldvisie op het nieuws en deze visie wordt bepaald door journalisten, persagentschappen, media. Dit kader wordt gevormd door veel sociale en psychologische mechanismen (wereldvisie v/d journalist).
Probleem: meeste journalisten ontkennen dat ze werken vanuit een bepaalde visie o/d wereld + meeste feiten gekleurd door de media. Onze meest fundamentele wereldvisies zijn ook meestal gebaseerd op zwart-witbeelden of goed-kwaadideeën => gekleurde selectie van bepaalde aspecten v/d werkelijkheid.
Media helpen ons bepaalde aspecten onder ogen te brengen en ander niet of in veel mindere mate. ‘Objectiviteit’ hangt altijd samen met ‘relevante doelgroepen’: objectief voor een Westers publiek, kan subjectief zijn voor niet-Westerse doelgroepen. Idem met begrip ‘neutraal’.
Westerse media – actief op wereldschaal – houden op de 1ste plaats rekening met doelgroepen en hun waarden i/h westen, daarna met rijke Oosterse klanten en nauwelijks met doelgroepen i/d Derde Wereld.
Van Ginniken: economische regel: de sterkste mediagroepen hebben hun thuisbasis i/d grootste en rijkste regio’s (6 i/d VS, 1 Canada, 1 UK, 1 Duitsland, 1 Frankrijk, 1 Japan).
Voornaamste inkomsten van media: subsidies, abonnementen en verkopen, advertentie-inkomsten. Laatste = belangrijkste. Adverteerders kiezen o.b.v. 4 criteria: grootte v/h mediapubliek; macht v/h bereikte publiek; specifieke interesse van dit publiek; omgeving binnen media waarin de advertentie geplaatst kan worden. Aan deze wordt voldaan bij media met groot bereik, voldoende kapitaalkrachtig publiek en aanbod dat zich vooral op ontspanningsvlak situeert (<-> politieke en sociale debat).
Belang adverteerders beïnvloedt model, organisatie, formats en soort nieuws dat Westerse media brengen. Basiswaarden Westers mediamodel: op economisch vlak de vrije concurrentie en vrije markt, op sociaal vlak individualisme en sociale mobiliteit, op politiek vlak pragmatisme en gematigdheid, op lifestyle-vlak materialisme en autonomie, op ideologisch vlak de idee dat Westerse media geen ideologie hebben.
Mensen (ook journalisten) vinden de betekenis van gebeurtenissen, feiten en relaties vanzelfsprekend, door proces van socialisering.
Journalisten worden wereldwijd beïnvloed bij het feiten beoordelen, bronnen v/d journalisten ook.
Ignacio Ramonet: “Globalisering en chaos”: ‘modern’ wordt als alibi gebruikt om dankzij globalisering een steriele uniformiteit te kweken. Dankzij geonieuws triomfeert wereldcultuur.
Een cultuur heeft zich in de geschiedenis nog nooit zo snel als wereldmodel verspreid als nu. Dit heeft ook politieke en economische gevolgen: parlementaire democratie en markteconomie worden overal als verstandig en natuurlijk beschouwt en dragen bij tot verwestersing. Er ontstaan traditionalistische, individualistische en fundamentalistische strekkingen als reactie op de nivellering en de moderniteit.
Globale markt: geen scheidsrechter. Enorme macht v/d financiële markten betekent einde v/h politiek bestel. Concurrentie i/h bedrijfsleven is enige drijvende kracht. Grootste economische markten ter wereld zijn bedrijven i.p.v. landen; meest invloedrijke mensen zijn geen staats- of regeringsleiders.
‘Communicatie’ en ‘markt’ zijn de nieuwe sleutelwoorden v/h huidig wereldmodel: slechts plaats voor ontwikkelingen die voldoen aan 4 basisprincipes: planetair, permanent, onmiddellijk en immaterieel: het PPOI-systeem.
Zenuwstelsel van dit systeem, v/d moderne maatschappij zijn de financiële markten e/d informatienetwerken. Via deze 2 wordt wereldwijd een razzia uitgevoerd o/h grootste goed v/d democratie: informatie.





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures