Springen naar inhoud

Psychofysiologie


  • Log in om te kunnen reageren

#1

TheLaw

    TheLaw


  • >250 berichten
  • 375 berichten
  • VIP

Geplaatst op 17 juli 2010 - 14:40

klik hier

Tekst:

Biological Psychology
Deel 1 van 4 : Hoofdstuk 1 t/m 4
Ook verkrijgbaar : Deel 2 : Hoofdstuk 5 tot en met 8
Ook verkrijgbaar : Deel 3 : Hoofdstuk 9 tot en met 12
Ook verkrijgbaar : Deel 4 : Hoofdstuk 13 tot en met 15
Bronvermelding:
Titel: Biological Psychology
Achtste druk
Auteur: James W. Kalat
Uitgever: Wadsworth
ISBN: 0534588166
Aantal pagina’s boek : 605
Aantal hoofdstukken boek : 15

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 The major issues pag. 3
Hoofdstuk 2 Nerve cells and nerve impulses pag. 7
Hoofdstuk 3 Communication within the body: synapses and hormones pag. 10
Hoofdstuk 4 Anatomy of the nervous system pag. 13
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

2
Hoofdstuk 1 The major issues
Biologische psychologie is de biologische verklaring van menselijk gedrag. Bijvoorbeeld waarnemen, handelen, emotie en motivatie. Door het bestuderen van de relatie tussen gedrag en lichaam krijg je inzicht in de mogelijkheden tot voorspellingen en behandelingen.
Onze hersenen bestaan uit twee soorten cellen:
�� Neuronen: zenden boodschappen naar spieren, organen enz.
�� Glia:ondersteunen neuronen
De relatie tussen geest en hersenen
Biologische verklaringen van gedrag kun je onderverdelen in 4 categorieën:
�� Fysiologische verklaring: gedrag gerelateerd aan lichamelijke activiteit. (bijvoorbeeld hersenactiviteit, de werking van hormonen en spieractiviteit)
�� Ontogenische verklaring: beschrijft hoe het gedrag zich kon ontwikkelen. (de invloed van genen, ervaringen en experimenten)
�� Evolutionaire verklaring: gedrag als gevolg van de evolutie van een soort(wanneer je schrikt of bang bent, kun je kippenvel krijgen. Harige dieren, lijken hierdoor groter en imposanter)
�� Functionele verklaring: het doel van het gedrag. (voorbeeld: gecamoufleerd uiterlijk, grote spermaproductie)
Het lichaam - geest probleem
Er zijn verschillende denkwijzen die de relatie tussen de geest en het lichaam verklaren:
Dualisme (o.a Galilei, Descartes)
�� Geest en materie zijn verschillende substanties, verbonden via de pijnappelklier. (dualistische interactionisme)
�� Moderne fysica: materie kan alleen door materie en energie beďnvloed worden.
�� Monisme (dit is het alternatief voor dualisme) Er zijn drie vormen:
�� Mentalisme (locke) de wereld bestaat alleen in onze geest
�� Materialisme: mentale processen bestaan niet anders dan in materiele (chemische, fysische) processen.
�� Identiteitspositie: mentale processen en hersenprocessen zijn verschillende beschrijvingen van hetzelfde fenomeen.
Bewustzijn
Volgens David Chalmers zijn er eenvoudige en moeilijke bewustzijnsproblemen:
Eenvoudige: slaap, aandacht, geheugen, waarnemen
Moeilijke: relatie hersenactiviteit en bewustzijn
Volgens Dennent kan dit moeilijke probleem worden opgelost als alle makkelijke problemen eerst worden opgelost.
Het huidige idee is dat bewustzijn gradueel is, noodzakelijk voor doelgericht gedrag en gebaseerd op slim gebruik van eenvoudigere systemen in de hersenen.
Solipsisten geloven dat alleen zij bestaan en alleen zijn bewust zijn.
Non-solipsisten geloven dat ieder die op hun lijkt ook bewust is.
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

3
Gedragsgenetica
Ons lichaam bestaat uit eiwitten, met name bouwstenen en enzymen (biokatalysatoren) Deze eiwitten zijn gecodeerd in de celkern als DNA. DNA bestaat uit RNA wat uit de celkern naar het cytoplasma gaat, waar het voor eiwitsynthese zorgt.
Gen
Een gen is een stukje DNA wat informatie bevat voor de opbouw van een eiwit. Een gen bepaald een deel van een eigenschap. Een keten van genen noemen we een chromosoom. In totaal heeft de mens 23 paar chromosomen in een cel, waarin 30.000 genen zitten. Alle paren zijn gelijk aan elkaar, met uitzondering van de geslachtchromosomen, die bevatten er 1 van vader en 1 van moeder.
We hebben veel junk DNA. Welke genen actief zijn (eiwitten produceren) verschilt per weefsel (orgaan). De rest wordt onderdrukt.
Homozygoot / heterozygoot
Wanneer een individu twee identieke genen heeft, is het homozygoot voor een bepaalde eigenschap. Wanneer het twee verschillende genen heeft is het heterozygoot voor die eigenschap.
Dominant/recessief
Een dominant gen bepaalt de zichtbare eigenschap en een recessief gen bepaalt de zichtbare eigenschap alleen als de ander ook recessief is. Dus bij een homozygote situatie.
Voorbeeld: de smaak van PTC. Bij een hoge drempel is het gen recessief. Uitleg: Tt x TT = TT (T, 25%), Tt (T, 50%) tt (t, 25%)
Bloedgroepen voorbeeld:
A en B zijn dominant, O is resessief
AA en AO geven A
BB en BO geven B
AB geeft AB
OO geeft O
Sex linked genen
Liggen op het X of Y gen. Zo ligt bijvoorbeeld kleurenblindheid op het X gen en komt daarom minder bij vrouwen voor. Vrouwen hebben immers 2 X genen.
Vaders geven hun X altijd aan hun dochters en Y aan hun zoons. De meeste info ligt opgeslagen op de X genen. Een zoon zou dus meer op zijn moeder moeten lijken.
Sex –limited genen
Zijn bij beide geslachten aanwezig, maar komt maar bij een geslacht tot uiting onder invloed van geslachtshormonen
Genetische variatie
Recombinatie: door een nieuwe combinatie van bestaande eigenschappen. Voorbeeld blond van vader en krullen van moeder.
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

4
Mutatie is de spontane verandering van een gen, bijvoorbeeld als de oogkleur veranderd. Dit komt zelden voor. Een gemuteerde gen is meestal recessief (kinderen van twee verwanten hebben dus een grotere kans op afwijkingen. Mutatie is voordelig voor evolutie want soms is de mutatie voordelig!
Nature – nurture debat
Hier gaat het om de vraag wat aanleg is, of wat aangeleerd gedrag is. Erfelijk gedrag is moeilijk vast te stellen vanwege omgevingsinvloeden. De erfelijkheid van gedrag varieert veelal tussen 0 (niet erfelijk, maar aangeleerd) en 1 (volledig erfelijk, niet aangeleerd) bijvoorbeeld depressie is voor 50% erfelijk. In identieke omgevingen lijkt erfelijkheid een groter effect te hebben dan wanneer omgevingen verschillend zijn.
Onderzoek naar erfelijkheid
Dit gebeurt door eigen en adoptiekinderen te vergelijken:
�� Eigen kinderen: erfelijk en aangeleerd
�� Adoptiekinderen: alleen aangeleerd
�� Verschil eigen en adoptiekind: erfelijk
En door tweelingenonderzoek
�� Eeneiige (identical) tweelingen zijn monozygoot
�� Twee-eiige (fraternal) tweelingen zijn heterozygoot (50%gelijk als broers en zussen)
Erfelijke bepaald blijkt onder andere: eenzaamheid, neuroticisme, tv kijken, sociaal gedrag en hersenanatomie. Natuurlijk is tv kijken niet erfelijk bepaald, wel eigenschappen als ondernemend en neiging tot activiteit.
Problemen bij erfelijkheidsonderzoek
�� Er is geen experimentele controle mogelijk. Het is slechts observatie. Bijvoorbeeld partnerkeuze.
�� Erfelijkheid overschat rijke omgeving. ( dit gebeurd veelal in adoptiegezinnen0
�� Erfelijkheid overschat prenatale effecten. (roken tijdens zwangerschap en zelfde vruchtwater)
�� Genen beďnvloeden gedrag ook via de omgeving. Dit noemen we ook wel het multiplier effect. Dat lange mensen vaker basketballen is geen aanleg. Ze worden er mede goed in omdat ze lang zijn en worden daardoor extra gestimuleerd. Bepaald gedrag stimuleert ook weer ander gedrag. Er bestaat trouwens geen gen voor goed kunnen basketballen, wel een gen dan een bepaald eiwit afgeeft voor deze eigenschappen.
De evolutie van gedrag
Evolutie is de verandering over generaties in de mate waarin een bepaald gen voorkomt. De selectie binnen een soort kan vergaan op twee wijzen:
�� Natuurlijke selectie: meest succesvolle planten zich het meest voort
�� Artificiële selectie: fokken van gewenste eigenschappen
Misvattingen
�� Door je gedrag aan te passen zorgt het voor genetische veranderingen. Deze uitspraak is van Lamack en is niet correct, behalve als de voortplanting beďnvloed wordt.
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

5
�� De mensheid ontwikkeld zich niet meer omdat er geen survival of the fittest meer is. Nee, het gaat om de combinatie van schoonheid en gezondheid. Mensen die goed in de markt liggen verspreiden eerder genen.
�� Evolutie is verbetering. Nee, evolutie is je aanpassen in je omgeving.
�� Evolutie verbetert een soort of individu. Nee, evolutie versterkt de verspreiding van genen.
Sociobiologie
Verklaart het ontstaan van sociaal gedrag. De functionele verklaring houdt in hoehet gedrag zich kon ontwikkelen. Voorbeeld: mannen gaan vaker vreemd omdat hun genen dan optimaal verspreid worden.
Problemen: sociobiologie is speculatief en kan veel niet verklaren, bijvoorbeeld de verschillen tussen soorten wat betreft vaderlijke zorg. Ook suggereert sociobiologie dat veranderingen niet mogelijk zijn.
Altruisme: individuen die elkaar helpen.
Reciprocal altruisme: enkel die gene helpen, waarvan je iets kan terug verwachten.
Kin selectie: relaties helpen. Bijvoorbeeld je eigen kinderen (genen) beschermen.
Dierenonderzoek
Redenen voor psychologisch onderzoek bij dieren:
�� De onderliggende mechanismen zijn bij dieren gelijk en kunnen bij dieren makkelijker onderzocht worden. Bijvoorbeeld onderzoek aan zenuwcellen.
�� Geeft inzicht in de dieren zelf
�� Geeft inzicht in onze evolutie
�� Bepaalde experimenten zijn bij mensen niet verantwoordelijk
Ethisch probleem: We willen dierenleed beperken, maar met bepaalde kennis kunnen we leed bij mensen voorkomen.
Een abolitionist wil alle dierproeven afschaffen een minimalist wil het dierenleed zoveel mogelijk beperken.
Banen in de bio – psychologie
Onderzoek:
�� Relatie met informatieverwerkingsmodellen functieleer (experimental psychology)
�� Behaviorale gedragswetenschappen: hoe hersenen en andere organen het gedrag beinvloeden.
�� Neurowetenschappen: biochemie, anatomie
�� Psychofysiologie: relatie met meetbare fysiologische maten. (bijvoorbeeld bloeddruk, hartslag, EEG)
�� Neurochemicus: chemische processen in de hersenen
�� Comparative psychologie, ethologie: vergelijk gedrag van diersoorten
�� Sociobiologie: functionaliteit van gedrag.
Medisch / biologie:
Relatie met neurologie, neurochirurgie, psychiatrie
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

6
Hoofdstuk 2 Nerve cells and nerve impulses
Cellen in het zenuwstelsel
Een dierlijke cel bestaat uit:
�� Soma: cellichaam
�� Plasmamembraan: semi-permeabel: laat alleen kleine moleculen door (water, O2, CO2) en sommige ionen
�� Kern (nucleus): bevat chromosomen
�� Ribosomen: eiwitproductie
�� Mitochondrien: metabolische activiteit (energiecentrale)
�� Endoplasmatisch reticulum: netwerk van buisjes (transport)
Centraal zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg)
�� Neuronen: ca. 100 miljard, zorgen voor informatieoverdracht (waarvan 70 miljard in het cerebellum / kleine hersenen)
�� Glia cellen: 10 x zo klein en 10 x zo talrijk als neuronen. Ze hebben diverse ondersteunende functies en bevatten 50% van het hersenvolume.
Zenuwcellen: neuronen
�� Hebben dezelfde onderdelen als elke andere cel plus:
�� Meerdere dendrieten die zorgen voor de input
�� 1 axon die de output verzorgt naar de presynaptische terminal/spleet, tot 1 meter lang. De snelheid is afhankelijk van de doorsnede.
�� Ze putten energie uit glucose
Drie soorten neuronen:
�� Motorische neuronen (efferent, uitgaand): soma ligt in het ruggenmerg en stuur spiervezels en klieren aan.
�� Intrinsieke neuronen of interneuronen verzorgen de in en output vanuit andere neuronen.
�� Sensorische neuronen (afferent, ingaand) input vanuit specifieke zintuigcellen.
De vorm van een neuron wordt bepaald door de functie:
�� Neuronen in de kleine hersenen (purkinjecellen) integreren informatie uit veel andere neuronen: veel dendrieten.
�� Neuronen in de retina krijgen input van weinig zintuigcellen: weinig dendrieten
�� Neuronen veranderen hun vertakkingen voortdurend door te leren en zich aan te passen.
Gliacellen zijn er in diverse soorten:
�� Astrocyten: synchroniseren output van neuronen door transmitters op te nemen en af te geven en verteren afvalproducten.
�� Mircoglia: verteren afvalproducten, virussen etc: dragen bij aan het imuunsysteem.
�� Oligo dendro cytes & cellen van Schwann: verzorgen myelineschede die de axon/dendrieten voeden in isoleren
�� Rediale glia & cellen van Schwann: sturen groei van axonen en dendrieten bij resp. ontwikkeling en herstel.
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

7
De bloed-hersenbarričre
Beschermt de hersenen door een moeilijk doordrinkbare wand van haarvaten. Beschermt oa tegen:
�� Virussen, zoadat geďnfecteerde cellen niet opgeofferd hoeven worden, maar voorkomt daarmee ook de toegang van nuttige stoffen, zoals voeding en medicijnen.
�� Vrij toegang hebben kleine moleculen en moleculen die oplosbaar zijn in het vet van de vaatwand. (div. drugs)
�� Grotere moleculen worden actief door de barričre heen gepompt (vb aminozuren, vitaminen, hormonen en diverse afvalstoffen naar het bloed toe.
Zenuwimpulsen
Er zijn twee manieren van geleiding:
1. Dendrieten en cellichamen: elektrische geleiding over korte afstand
2. Axon: geen elektrische geleiding maar een actiepotentiaal-mechanisme, geen signaalverlies maar wel traag. Kleine verschillen in aankomsttijd worden gecompenseerd waar belangrijk: bv. Bewegingswaarneming in de retina.
Rustpotentialen
�� Celwand bestaat uit:
�� Kanaaltjes (poriën) van 0,7-0,8 nanometer (nm)
�� Laat ongeladen kleine moleculen (bv. H2O) vrij door
�� Maar geladen deeltjes slecht (selectief permeabel)
�� De Na/K-pomp laat drie natrium-ionen (sodium) naar buiten en 2 kalium-ionen (potassium) naar binnen.
�� Na+ vloeit niet weer naar binnen, K+ vloeit wel weer naar buiten
�� grotere concentratie positief geladen deeltjes buiten de cel
�� buiten is positief t.o.v. binnen = rustpotentiaal (electrische gradiënt/spanningsverschil over de celwand)
�� Zin rustpotentiaal: neuron klaar zetten voor een snelle reaktie
Actiepotentialen
�� Actie-potentiaal in axonen
1. Overschrijding van de excitatie- drempel door een prikkel
2. Spanningsverandering opent de natriumkanalen: Na+ stroomt naar binnen
3. Polarizatie van celmembraan keert om (-70 �� +50 mV)
4. Sluiten van de natriumkanalen (en ~1 ms niet heropenbaar)
5. Opening van kaliumkanalen: K+ naar buiten
6. Herstel rustpotentiaal (en door-schieten naar ca +90 mV = hyperpolarizatie), nog geen chemisch evenwicht
7. Traag herstel chemisch evenwicht door Na/K pomp
�� Na-kanalen bevinden zich alleen in axonwand, niet in dendrieten en soma.
�� Alles-of-niets wet: een neuron is geactiveerd of niet (vgl. doorspoelen van een toilet)
�� Refractaire periode:
1. Absolute refractaire periode (tot 1 ms na prikkel): Na+ kanalen dicht en actiepotentiaal is niet mogelijk
2. Relatieve refractaire periode (tot 3-5 ms): K+ kanalen blijven open en er is een verhoogde drempel voor actiepotentiaal.
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

8
�� Codering van informatie: frequentie modulatie (FM) van opeenvolgende actiepotentialen (dus niet dmv spanningsamplitude of geleidingssnelheid)
�� Lokale verdoving, gif en drugs kunnen dit proces aantasten. bv.
Voortplanting van het actiepotentiaal
Het Actiepotentiaal plant zich voort door een axon zonder verlies aan sterkte. De geleidingsrichting wordt bepaald door de refractaire periode (het actiepotentiaal kan dus niet terug) De geleidingssnelheid varieert sterk. Het verschil komt door de voortplantingssnelheid van de myelini-(of merg-) schede
Mergschede
�� Mergschede: een isolerende laag rond axon, lengte ca. 0,5-3 mm, die onderbroken wordt door insnoeringen van Ranvier.
�� Saltatorische prikkelgeleiding: Het actiepotentiaal ontstaat bij insnoeringen van Ranvier, electrische geleiding door ionen transport over het gehele gemyeliniseerd segment => voortplantingssnelheid wel 5-50x zo hoog
Lokale neuronen
�� Klein
�� Kleine of geen axon, dus geen actie-potentiaal
�� Electrische geleiding (als bij dendrieten): graduele potentialen in alle richtingen, die minder sterk worden over grotere afstanden (=depolarizatie en hyperpolarizatie)
�� “We gebruiken maar 10% van onze hersenen”
�� Dit is een misvatting, jaren geleden werd gedacht dat lokale neuronen en gliacellen zich nog moesten ontwikkelen tot neuronen.
Conclusie
�� Ons gedrag is gebaseerd op miljarden neuronen, maar …
�� Zo lang neuronen goed functioneren is gedrag niet afleidbaar uit de opbouw en verbinding van kleine groepjes neuronen (vgl. computers)
�� Wel uit verbindingen tussen en eigenschappen van grote groepen neuronen (oftewel hersendelen)
�� Het functioneren is redundant voor verlies van individuele neuronen (bv. gedragseffecten alleen bij een flinke alcohol-consumptie)
�� Effecten van sub-optimaal functioneren van neuronen zijn m.n. merkbaar door toediening van gif en drugs, en bij ziektes (bv. MS, suikerziekte en dementie)
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

9
Hoofdstuk 3 Communication within the body: synapses and hormones
Eigenschappen van synapsen
Een synaps is een spleet tussen axon van het presynaptisch neuron en dendriet/soma van postsynaptisch neuron (ca. 20 – 50 nm)
Eigenschappen zijn:
�� Reflexboog: sensorisch neuron �� interneuron �� motorisch neuron
�� Verbinding naar hersenen gaat reflex niet tegen: reflexboog gaat niet via de hersenen
�� Reflexboog is trager dan axongeleiding: synapsen vertragen (blijkt < 2 ms)
Soorten synapsen:
�� Exciterende synapsen
�� Excitatie is de activatie van een neuron/spier/klier
�� Excitatory postsynaptic potential (EPSP) in het postsynaptic neuron (is onderdrempelig)
�� Meerdere EPSPs zorgen voor een actiepotentiaal
�� Een EPSP zorgt voor verhoogde natrium-instroom, waardoor het neuron gemakkelijker kan exciteren.
�� Inhiberende synapsen
�� Inhibitie is het remmen van neuron/spier/klier
�� Inhibitory postsynaptic potential (IPSP) komt voor in het postsynaptic neuron
�� Verlaagt het potentiaal door uitstroom van kalium en instroom van chloor-ionen, waardoor het neuron moeilijker kan exciteren
�� EPSP en IPSP
�� Dit zijn nog geen actiepotentialen (beďnvloeden slechts de drempel)
�� Treden op in de dendrieten en het cellichaam (de input)
�� Hebben geen refractaire periode: temporale en spatiële summatie
�� Doven uit over tijd
Summatie
�� temporal summation: meerdere opeenvolgende prikkelingen geven een sterkere response: synapsen sommeren over tijd
�� spatial summation: meerdere gelijktijdige prikkelingen naast elkaar geven een sterkere response: prikkeling door twee pre-synaptische neuronen sommeren (onafhankelijk van afstand tot soma)
Temporele en spatiële summatie
�� Eén neuron heeft vele inhiberende en exciterende inputs
�� Neuronen hebben veelal een spontane vuursnelheid: een opeenvolgende trein van actiepotentialen
�� Deze snelheid wordt verhoogd door input bij exciterende (bv. 10 Hz -> 15-20 Hz), en verlaagd door input bij inhiberende synapsen (10 Hz -> 5 Hz), oftewel
�� EPSPs en IPSPs worden (niet-lineair) opgeteld (gesommeerd) binnen een neuron
Chemie in de synaps
Otto Loewi, ontdekte in 1920 neurotransmitters. Hij vertraagde een kikkerhart door electrische stimulatie van de nervus vagus. Vloeistof uit het 1e kikkerhart zorgde ook voor
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

10
vertraging in een 2e kikkerhart. Zo ontdekte hij dat een chemische stof zorgt voor de vertraging. Hetzelfde gebeurde na kunstmatige hartslagversnelling
Neurotransmitters
Er zijn ongeveer 60 -100 neurotransmitters. De bekendste zijn:
�� Acetylcholine, serotonine, endorfines, fenylethylamine (FEA)
�� Catecholaminen: dopamine, epinefrine (adrenaline), norepinefrine (noradrenaline)
�� Ook een gas (stikstofmonoxide: NO)
�� Belangrijk: neurotransmitters zijn gespecialiseerd (bv. acetylcholine: m.n. vegetatief systeem)
�� Eén neuron produceert veelal slechts 2-5 neurotransmitters (codering), maar reageert op meer transmitters
�� Een neuron geeft op alle axon-uiteinden dezelfde transmitter-combinatie af
�� Belang: beďnvloeding van het centraal zenuwstelsel met medicijnen kan uitsluitend via ingrijpen in de overdracht in de synaptische spleet.
Postsynaptische receptoren
Elke neurotransmitter kan meerdere receptoren activeren. Een receptor bestaat uit:
�� eiwittenkanalen in de postsynaptische celwand
�� geopend/gesloten door neurotransmittoren: doorgang ionen �� actiepotentiaalI
Lonotropisch effect
�� Snelle opening van een kanaal in het postsynaptische membraan voor bepaalde ionen (bv. na 10 ms opening gedurende 20 ms) �� snelle signalen (waarneming)
�� Effect is toevoer van ionen: EPSP & IPSP
�� Effect alleen op celmembraan (lokaal effect)
Metatropisch effect
�� Langerdurende opening van (andere) kanaaltjes (bv. na 30 ms opening gedurende sec – uren) �� langzame signalen
�� Beďnvloedt via een ‘2nd messenger’ ook andere processen binnen het neuron (globaal effect)
De neuromodulator is een neurotransmitter die de werking van andere neurotransmitters (metatropisch) beďnvloedt.
Effectspreiding
Gering: neurotransmitters hebben een lokale transmissie (via de synaptische spleet)
�� vgl. dialoog
Matig: neuromodulatoren hebben een bredere transmissie, in meerdere lokale cellen
�� vgl. presentatie voor groep
Groot: hormonen hebben een globale transmissie (via bloed)
�� vgl. radio
De werking van neurotransmitters, neuromodulatoren en hormonen is veelal gelijk (bv. adrenaline): Ze beďnvloeden receptoren.
Verwerking neurotransmitters
�� Soms worden ze afgebroken om re-activatie te voorkomen (bv. door het enzym acetylcholinesterase)
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

11
�� Onderdelen gaan dan terug naar presynaptische cel: hersynthese.
�� Onderdrukking van afbraak (bv. van acetylcholinesterase) kan tot multiple activaties leiden.
�� Re-uptake: snelle presynaptische heropname door ‘transporters’ zonder afbraak (serotonine, catecholamines)
Het belang van synaptisch overdracht
�� Medicijnen/drugs werken m.n. in op de synaptische overdracht van specifieke neurotransmitters
�� Verschillende orgaansystemen gebruiken specifieke neurotransmitters en hormonen
Werking drugs en medicijnen
�� Agonist: versterkt effect neurotransmitter
�� Anatagonist: vermindert effect neurotransmitter
�� Mixed agonist/antagonist: werking afhankelijk van transmitter-systeem of dosisafhankelijk
�� Affiniteit van een drug/medicijn: neiging dat die stof zich aan een receptor bindt
�� Activiteit (=efficacy): neiging de receptor te activeren
�� Bv. een stof met een grote affiniteit en een kleine efficacy is een antagonist: blokkeert wel maar activeert niet
�� Oorzaak bijwerkingen, verschillen in werking
�� Drugs hebben ook affiniteit tot andere receptoren
�� Zelfde receptoren in verschillende systemen aanwezig
Individuele verschillen
�� Bv. hoeveelheid specifieke dopaminereceptoren in individuen blijken geassocieerd met persoonlijkheid
�� D2: pleasure seeking, alcoholisme, gokken e.d., hypothese: gedrag om minder gevoelige D2 receptoren toch te activeren
�� D4: (geringe) associatie met novelty seeking (impulsief, onderzoekend), schizofrenie
�� Het D2/D4 gen is ‘een’ factor die persoonlijkheid beďnvloedt
�� Deze relatie is niet erg sterk: veel andere factoren spelen ook een rol
�� bv. alcolisme vergt ook aanleg om alcohol te metaboliseren
Conclusies
De werking van het centraal zenuwstelsel kan (uitsluitend) beďnvloed worden in de synaptische transmissie. Drugs/medicijnen grijpen aan op specifieke systemen doordat verschillende systemen verschillende transmitters gebruiken. Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

12
Hoofdstuk 4 Anatomy of the nervous system
Onderzoeksmethoden
�� De effecten meten van hersenbeschadiging
�� Door stimulatie
�� Het meten van hersenactiviteit
�� Door de correlatie tussen anatomie en gedrag te bepalen
De opbouw van het zenuwstelsel
�� Centrale zenuwstelsel (CNS: central nervous system)
�� hersenen (vrouwen: ca. 1150-1400 g, mannen: 1300-1500 g)
�� ruggemerg
�� Perifere zenuwstelsel (PNS: peripheral nervous system)
�� somatische (willekeurige) zenuwstelsel: zintuigen en spieren
�� autonome (onwillekeurige, vegetatieve) zenuw-stelsel: organen
Navigeren in het brein
�� Dorsaal: naar rug/boven
�� Ventraal: naar buik/beneden
Het ruggemerg
�� Verbindt hersenen met zintuigen, spieren en een aantal organen
�� Ligt in het wervelkanaal
Ganglion (=zenuwknoop): een opeenhoping van neuron-cellichamen (=soma)
dorsal root ganglia: groepje soma van sensorische neuronen net buiten ruggemerg/wervelkanaal.
H-vormig grijze stof: bevat soma en dendrieten van stijgende en dalende zenuwbanen én motorische zenuwen.
Witte stof: gemyeliniseerde axonen (vezels) van boven-naar-beneden en van-beneden-naar-boven.
Autonome zenuwstelsel
�� Verbindt hersenen met organen (autonoom=onwillekeurig)
�� Twee onderdelen: sympathisch en parasympathisch
Sympatische zenuwstelsel
�� Activeert (in voorbereiding: fight, flight): versnelt o.m. hartslag en ademhaling, geeft kippevel (goose bumps)
�� Cellichamen liggen net links en rechts naast het ruggemerg
�� m.n. noradrenaline
Parasympatische zenuwstelsel
�� Deactiveert (slapen, verteren): vertraagt o.m. hartslag en ademhaling, activeert verteringsorganen
�� Craniosacrale systeem: uitlopers alleen in nek en bekken - craniale zenuwen buiten de wervelkolom (incl. nervus vagus) - sacrale zenuwen
�� Cellichamen liggen dicht bij de organen die ze innerveren
�� m.n. acetylcholine
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

13
Hersenstructuren
De voorhersenen bestaan uit:
�� Thalamus
�� Twee ‘avocados’ naast elkaar, midden van de voorhersenen.
�� Doorgeefluik en onderdrukking (~ventiel) sensorische informatie (behalve reuk), is aangestuurd vanuit de cortex.
�� Hypo-thalamus
�� Stuurt de hypofyse (pituary gland) en daarmee het hormonale systeem (globaal)
�� Homeostase: temperatuur,vechten, dag-nacht ritme, eten, drinken.
�� Basale ganglia
�� Naast thalamus
�� Belangrijkste structuren: caudate, putamen, globus pallides, substantia nigra
�� Verbonden met veel corticale gebieden, schakelstation tussen diverse corticale gebieden (via cortico-subcorticale loops)
�� m.n. bewegingspatronen (bv. Parkinson), ook: geheugen, depressie, aandacht
�� Nucleus basalis (van Meynert)
�� Ligt op de punt van frontaal cortex.
�� Verbindt emotie (hypothalamus) met cognitie (cerebrale informatieverwerking)
�� Arousal, slaap, aandacht
�� Hippocampus (zeepaardje)
�� Zorgt voor het opslaan van herinneringen.
�� Met name episodisch geheugen (wat je meemaakt), niet procedureel geheugen (motorische, cognitieve vaardigheden)
�� bv. film Memento: kijker in de positie van iemand die geen nieuwe informatie meer opslaat
�� bv. Engelse koorleider
De middenhersenen bestaan uit:
inferior colliculus
superior colliculus: doorgeefpunt en 1e verwerking van visuele informatie
substantia nigra (basale ganglia; Parkinson)
De middenhersenen zijn prominent aanwezig in reptielen en vissen, minder belangrijk bij de mens.
De achterhersenen bestaan uit:
cerebellum=kleine hersenen
soepele bewegingsuitvoering en bewegingscoördinatie
evenwicht
aandachtverschuiving
timing
dronkenschap tast m.n. de kleine hersenen aan
pons
slapen en waken
medulla oblongata
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

14
bloeddruk, ademhaling
hersenstam: output via de craniale zenuwen vanuit
medulla & pons
ook: midden- & voor-hersenen
hoofdgebied en para-sympatisch
dus niet via ruggemerg
Functies van de hersenstam:
essentiële autonome functies (reflexen): ademhaling, hartslag, overgeven, speekselvorming, hoesten, niezen
autonoom: moeilijk te sturen (vanuit bewustzijn)
Functie van de pons:
kruising tussen hersen-helften en lichaamshelften
Hersenontwikkeling komt door:
�� fylogenese: ontwikkeling in de evolutie
�� ontogenese: ontwikkeling van een embryo
Verschillen tussen reptielen, zoogdieren en mensen:
Reptielenhersenen ≈ hersenstam ritueel brein of automaat: niet leren, programma’s voor voeding, voortplanting
Zoogdierenbrein ≈ limbisch systeem emotie, sexualiteit, stuurt intuďtief gedrag, operante conditioneren, korte termijn beloning, nauwelijks bewuste contrôle (bv. sexualiteit)
Menselijk brein ≈ frontaalkwabben rationeel brein: doelgericht intelligent leren, lange termijn beloning
Ventrikels
De cerebrale ventrikels, het centrale kanaal in ruggemerg en de ruimte rond de hersenen bevatten vocht (cerebrospinaal vocht ~ bloedplasma) wat de hersenen beschermt tegen schokken
4.3 cerebrale cortex
De Cerebrale cortext bestaat uit:
Cortex (schors): 2,5 mm dik laagje over de linker en rechter hemisfeer
Bestaat uit zes lagen (laminae) met verschillende neuron onderdelen, bv.
Dendrieten/axonen
Pyramidale cellen (motor cortex)
Verbinding tussen hemisferen via
Het corpus callosum
Ook: anterior commissure
Diverse subcorticale verbindingen
�� Kwabben (=lobes)
�� Occipitaal kwab (achterhoofdskwab): zien, voorstellen
�� Parietaal kwab (wandbeenkwab) : gevoel, ruimtelijk vermogen
�� Frontaal kwab (voorhoofdskwab): plannen, denken, reuk, fijne bewegingen
�� Temporaal kwab (slaapbeenkwab): horen, taal, bewegings-waarneming, gezichten, emotie, motivaties
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

15
Prefrontale lobotomie
Een chirurgische beschadiging van de prefrontale cortex bij psychiatrische aandoening (1940-1950: ~40.000 in de VS). Bij deze beschadeging wordt aangetast: planning, initiatief, geheugen, concentratie-vermogen en emotie.
Conclusie
Hersenwerking is meer dan de som der delen.Vergelijk de rol van een gebied met de rol van een woord in een zin: betekenis hangt af van de context. Er is niet één punt in het brein waar alle informatie samen komt en waar het bewustzijn zetelt (vgl. Dennett)
Bron : Biological Psychology – James W. Kalat

16

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.




0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures