Springen naar inhoud

Economievragen


  • Log in om te kunnen reageren

#1

streber

    streber


  • 0 - 25 berichten
  • 12 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 12 februari 2011 - 20:12

Dag iedereen,
ik zit nu al een tijdje met een paar economie - oefeningen bezig, waarvan deze 2 de grootste hersenbrekers zijn.
Als iemand me zou kunnen helpen met die oefeningen en ook wat uitleg bij geven (want heel het vak is zelfstudie, dus ik heb die oefeningen nog nooit gemaakt) zou ik die persoon eeuwig dankbaar zijn. De oefeningen komen uit het boek economie vandaag 2010.


De staatssecretaris voor Mobiliteit wil het treinverkeer met 10% doen toenemen en overweegt één van beide maatregelen:
ofwel een aanpassing van de treintarieven,
ofwel een aanpassing van de benzineprijs.

De prijselasticiteit van de vraag bedraagt -1. De kruiselingse prijselasticiteit van de vraag naar treinverkeer m.b.t. de benzineprijs bedraagt +2.

a) Hoeveel moet de verandering van de treintarieven bedragen, ceteris paribus, om de gestelde doelstelling te bereiken?
b) Hoeveel moet de verandering van de benzineprijs bedragen, ceteris paribus, om de gestelde doelstelling te bereiken?
c) Beoordeel de evolutie van de ontvangsten van de NMBS bij elke maatregel.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Marina eet twee soorten groenten: erwten en wortelen. Ze beschikt hiervoor over een budget van 25 EUR. De prijs van 1 kg erwten is 1,25 EUR en verandert niet. Zij koopt steeds 8kg erwten. De prijs van 1 kg wortelen is eerst 0,75 EUR, later 0,5 EUR en ten slotte 0,25 EUR.

a) Teken de budgetlijnen en de prijsvraagcurve die hoort bij de bovenstaande situatie. (Met excel denk ik)
b) Bereken de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid voor de situatie waarin de prijs van 0,75 EUR/kg naar 0,50 EUR/kg daalt en voor de situatie waarin de prijs van 0,50 EUR/kg naar 0,25 EUR/kg daalt.
c) Verklaar het verschil in uitkomst bij b.


Bij de vraag van de spoorwegen heb ik bij a) een daling van 10%. Bij b) heb ik 10%/2 = 5%. C) nog niets.

De vraag over de groenten denk ik dat het te maken heeft met het feit dat de wortelen en erwten subsitueerbare goederen zijn.

Verder heb ik nog een vraag:

Stel dat men de relatie tussen het inkomen en de uitgaven aan reizen naar verre continenten als volgt weergeeft:

uitgaven = 0,4Y - 12 500
(bedragen in EUR per jaar; uitgaven reizen > of = 0)

a) Bereken het drempelinkomen
b) In welke mate reageren de uitgaven voor reizen indien het jaarinkomen stijgt van 37 500 EUR naar 39 375 EUR?


Mijn antwoord is

A: drempelinkomen is dat inkomen waarbij de uitgaven aan reizen gelijk is aan nul, om dit te berekenen los je de volgende vergelijking op:

0 = 0,4Y - 12500
12500 = 0,4Y
Y = 31250

B: allebei de bedragen invullen als Y om te zien wat de uitgaven aan reizen zijn en dan het (procentuele)verschil berekenen

Y = 37500 geeft uitgaven = 0.4*37500 - 12500 = 2500
Y = 39375 geeft uitgaven = 0.4*39375 - 12500 = 3250

dus een 750 stijging, ofwel 30% stijging


Maar bij b) staat achteraan in het boek als oplossing +6 ;)
Enig idee waarom?

Dus kortom: als iemand me wat kan helpen met deze zelfstudie zou ik hem / haar eeuwig dankbaar zijn ;)

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

Henk-Otto

    Henk-Otto


  • >25 berichten
  • 54 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 15 februari 2011 - 13:34

wel even de vragen korter houden !
Stel dat men de relatie tussen (...)

uitgaven = 0,4Y - 12 500
(bedragen in EUR per jaar; uitgaven reizen > of = 0)

a) Bereken het drempelinkomen
b) In welke mate reageren de uitgaven voor reizen indien het jaarinkomen stijgt van 37 500 EUR naar 39 375 EUR?

Mijn antwoord is

A: drempelinkomen is dat inkomen waarbij de uitgaven aan reizen gelijk is aan nul, om dit te berekenen los je de volgende vergelijking op:

0 = 0,4Y - 12500
12500 = 0,4Y
Y = 31250

B: allebei de bedragen invullen als Y om te zien wat de uitgaven aan reizen zijn en dan het (procentuele)verschil berekenen

Y = 37500 geeft uitgaven = 0.4*37500 - 12500 = 2500
Y = 39375 geeft uitgaven = 0.4*39375 - 12500 = 3250

dus een 750 stijging, ofwel 30% stijging


Maar bij b) staat achteraan in het boek als oplossing +6 ;)
Enig idee waarom?

Je doet het goed. +6 is een zetfoutje of zo.

#3

Henk-Otto

    Henk-Otto


  • >25 berichten
  • 54 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 15 februari 2011 - 13:44

De staatssecretaris voor Mobiliteit wil het treinverkeer met 10% doen toenemen en overweegt één van beide maatregelen:
ofwel een aanpassing van de treintarieven,
ofwel een aanpassing van de benzineprijs.

De prijselasticiteit van de vraag bedraagt -1. De kruiselingse prijselasticiteit van de vraag naar treinverkeer m.b.t. de benzineprijs bedraagt +2.

a) Hoeveel moet de verandering van de treintarieven bedragen, ceteris paribus, om de gestelde doelstelling te bereiken?
b) Hoeveel moet de verandering van de benzineprijs bedragen, ceteris paribus, om de gestelde doelstelling te bereiken?
c) Beoordeel de evolutie van de ontvangsten van de NMBS bij elke maatregel.

PE = % d vraag / % d prijs..............(ik schrijf d even als delta, of driehoekje, of verandering)
invullen gegevens:
treintariven: -1 = 10 % / treintariefdaling .... treintarief = -10%
benzprijs: +2 = 10% / benzprijs↓
c) als de treintarieven dalen, dalen daarmee ook de inkomsten (tot 90 %). Daar staat tegenover een stijging van het aantal kaartjes, van 10 %. Je vrekoppt 110% tegen een prijs van 90 %=> de omzet blijft bijna gelijk. (de kosten stijgen echter !, je moet bijv extra treinstellen inzetten)
c2) als de auto duurder wordt, verkoopt de trein 110 % kaartej tegen 100 % tarief = 110 % omzet (10 % ↑)
(ook hier met meer kosten)

#4

Henk-Otto

    Henk-Otto


  • >25 berichten
  • 54 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 15 februari 2011 - 13:50

Marina eet twee soorten groenten: erwten en wortelen. Ze beschikt hiervoor over een budget van 25 EUR. De prijs van 1 kg erwten is 1,25 EUR en verandert niet. Zij koopt steeds 8kg erwten. De prijs van 1 kg wortelen is eerst 0,75 EUR, later 0,5 EUR en ten slotte 0,25 EUR.

a) Teken de budgetlijnen en de prijsvraagcurve die hoort bij de bovenstaande situatie. (Met excel denk ik)
b) Bereken de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid voor de situatie waarin de prijs van 0,75 EUR/kg naar 0,50 EUR/kg daalt en voor de situatie waarin de prijs van 0,50 EUR/kg naar 0,25 EUR/kg daalt.
c) Verklaar het verschil in uitkomst bij b.

a) een budgetlijn geeft aan wat ze allemaal voor combi's kan kopen.
Bijv: als ze alleen maar wortels koopt, kan ze 33 kilo kopen. Zet t uit op een grafiek met x-as wortels en y-as erwten.
Bij elke gekozen hoeveelhied erwten past één hoev wortels. (kies x=0 en y=0 en je hebt je twee punten)
b)als ze 8 kg ertwen koopt, hoeveel euro houdt ze over voor wortelen ?
bereken dan hoeveel wortelen ze in de 3 situaties koopt, en je krijgt een prijselasticiteit





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures