Springen naar inhoud

Vraagstukken: elektriciteit


  • Log in om te kunnen reageren

#1

missy123

    missy123


  • 0 - 25 berichten
  • 18 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 05 maart 2012 - 14:00

Voor mijn voorbereiding op fysica uitbreiding via de middenjury, heb ik een cursus gekocht. Bij het hoofdstuk elektriciteit waren er 53 vraagstukken, waarvan ik er 46 wel kon maken en 7 niet.

3 daarvan staan hieronder:


49) Je hebt twee draden die even lang zijn en dezelfde doorsnede hebben. Draad 1 bestaat uit
zilver en heeft een resistiviteit van 1,6 . 10-8 Ωm. Draad twee bestaat uit ijzer en heeft een
resistiviteit van 9,6 . 10-8 Ωm).

Wat is in het vermogen als je beide draden in serie schakelt?
Wat is het vermogen als je beide draden parallel schakelt?


Bij deze vraagstuk heb ik de oplossingen, maar ik weet niet hoe je er aan komt.
De oplossing was: serie: vermogen = 0,17 W
parallel: vermogen = 6,0 W


52) Je schakelt een lampje (6,0 V en 2,1 W) in een stroomkring met een batterij die een ems heeft
van 9V en een inwendige weerstand van 1,5 Ω . Wat is de stroomsterkte die door het lampje
gaat? Hoeveel identieke lampjes kan je maximaal in serie schakelen zo dat ze normaal branden?
Hoeveel identieke lampjes kan je maximaal parallel schakelen zo dat ze normaal branden?




53) Je verbindt de klemmen van een stroombron met de uiteinden van een weerstand van van 4,7
Ω . Je meet de stroomsterkte en die blijkt 6,0 A te zijn. Je breidt de stroomkring uit met een
weerstand van 10 Ω die je in serie schakelt met de eerste weerstand. De stroomsterkte die je
meet is nu 2A. Wat is de ems van de stroombron? Wat is de inwendige weerstand van de
stroombron?


oplossing :30 V
0,30 Ω




Ik heb geprobeerd om bovenstaande oefeningen te maken , maar het lukte mij niet zo goed. Ik heb ook geen hulp, dus ik moet alles zelfstandig voorbereiden. Kan iemand mij hiermee aub helpen?

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

klazon

    klazon


  • >5k berichten
  • 6610 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 05 maart 2012 - 14:19

Opgave 49:
Er wordt niet gezegd wat voor stroom er door loopt, of wat voor spanning er op staat. Dan is dit niet op te lossen.

Opgave 52:
Bereken uit vermogen en spanning de nominale stroom van de lamp, en de weerstand van de lamp.
Bereken dan hoeveel stroom er gaat lopen als je de lamp op de batterij aansluit.
Doe hetzelfde voor 2 of 3 lampen in serie, en voor 2 of 3 lampen parallel.

Opgave 53:
Die opgave klopt niet, want ze praten over een stroombron. Een stroombron levert een constante stroom. Dus de stroom kan niet de ene keer 6A en de andere keer 2A zijn..

#3

missy123

    missy123


  • 0 - 25 berichten
  • 18 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 05 maart 2012 - 21:10

Ahzo, bedankt voor je hulp. Ja ik vond de vraagstukken ook al raar. Ik denk dat ik de maker van de cursus gewoon moet aanspreken hierover.

#4

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44877 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 07 maart 2012 - 21:45

Dit onderwerp past beter in het huiswerkforum en is daarom verplaatst.
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270

#5

missy123

    missy123


  • 0 - 25 berichten
  • 18 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 09 maart 2012 - 18:32

Dit zijn de andere 4 vraagstukken die me niet helemaal duidelijk zijn.

35) Men neemt twee draden met dezelfde lengte maar met een verschillende weerstand. Men
plooit die en verbindt ze daarna met elkaar, zodat ze een rechthoek vormen met de rechte MN als
symmetrie-as. De punten A en B en de punten C en D worden met elkaar verbonden door
geleidende draden. Aan de punten M en N wordt een spanningsbron aangesloten.

afbeelding.png

Welke uitspraak is juist?
a) er gaat stroom door AB, maar niet door CD;
b) er gaat stroom door CD, maar niet door AB;
c) er gaat stroom door AB en door CD;
d) er gaat geen stroom door AB en en ook niet door CD.

Oplossing: d
De punten A en B liggen symmetrisch, bijgevolg is Va = Vb.
C en D liggen ook symmetrisch.
Potentiaal = 0


Hoewel de oplossing gegeven is, begrijp ik dit nog steeds niet zo goed :s


37) De vijf weerstanden in het onderstaande schema zijn identiek en hebben een waarde van 10
Ω. De spanning van de bron is 10 V.

afbeelding2.png

Hoeveel bedraagt de stroomsterkte?
a) 0,25 A
b) 1,0 A
c) 4,0 A
d) niet te berekenen.


39) Bekijk het stroomschema hieronder.

afbeelding3.png

Door welk van de onderstaande schakelingen kan men ze vervangen?
afbeelding4.png

Oplossing : A

Hoe kan je zien dat het stroomschema gelijk is aan de schakeling van A?


47) Een gloeilamp van 25 W wordt in serie geschakeld met een gloeilamp van 75 W (beide
bedoeld voor een spanning van 230 V). De schakeling wordt aangesloten op een stopcontact en er
vloeit stroom met een spanning van 230 V door. Welke lamp gloeit het hardst?

a) die van 25 W
b) die van 75 W
c) ze gloeien allebei even sterk
d) dat is met deze gegevens niet uit te maken

Oplossing : A


Hoe kom je daar op?

#6

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44877 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 09 maart 2012 - 18:41

47) Een gloeilamp van 25 W wordt in serie geschakeld met een gloeilamp van 75 W (beide
bedoeld voor een spanning van 230 V). De schakeling wordt aangesloten op een stopcontact en er
vloeit stroom met een spanning van 230 V door. Welke lamp gloeit het hardst?

a) die van 25 W
b) die van 75 W
c) ze gloeien allebei even sterk
d) dat is met deze gegevens niet uit te maken

Oplossing : A


Hoe kom je daar op?

  • bereken van elke lamp de weerstand
  • bereken de totaalweerstand (ga er maar even van uit dat ze zich ohms gedragen)
  • bereken de stroomsterkte indien ze in serie staan.
  • bereken van elke lamp in deze siutatie het vermogen (P=U∑I)
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270

#7

klazon

    klazon


  • >5k berichten
  • 6610 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 09 maart 2012 - 19:16

Vraagstuk 35)
De oplossing volgt uit de symmetrie.
Beide draden hebben weliswaar een verschillende weerstand, maar de weerstandsverdeling is voor beide gelijk.
Aangezien de spanning evenredig is met de weerstansd, is de spanningsverdeling ook gelijk.
Dus A en B staan op hetzelfde potentiaal, en C en D staan ook op hetzlefe potentiaal.
Gevolg is dat er door beide dwarsverbindingen geen stroom loopt.

Je kunt dit ook duidelijk maken met een getallenvoorbeeld. Stel dat de weerstand van de onderste draad 2 keer zo groot is als die van de bovenste.
Stel nu de verdeling van de bovenste als volgt:
MA = 2 ohm, AC = 1 ohm, CN = 2 ohm
Dan volgt:
MB = 4 ohm, BD = 2 ohm, DN = 4ohm.

Stel de spanning tussen M en N op 10 volt.
Door de bovenste tak gaat 2A lopen. Over CN staat dan 2A x 2 ohm = 4 volt
Door de onderste tak gaat 1A lopen. Over DN staat dan 1A x 4 ohm = 4 volt
De punten C en D staan dus op hetzelfde potentiaal.

Vraagstuk 39)
In het eerste plaatje zie je 3 weerstanden op een rij, met totaal 4 knooppunten
Maar die knooppunten zijn 2 aan 2 met elkaar verbonden, dus knooppunt 1 en 3 zijn identiek, en 2 en 4 zijn ook identiek.
Noem ze dus achtereenvolgens 1, 2, 1, 2.
Je ziet dan dat elke weerstand tussen knooppunt 1 en 2 zit. Komt dus overeen met schema A.





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures