Springen naar inhoud

[scheikunde] Zouten en oplosbaarheid


  • Log in om te kunnen reageren

#1

Marie Curie_CF

    Marie Curie_CF


  • 0 - 25 berichten
  • 6 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 12 maart 2008 - 14:06

hallo,

ik heb een oefening in mijn cursus staan (+ oplossing) maar ben niet echt mee met de redenering... iemand een idee?


CaF2 met een Ks= 3,6 .10-8

Ks= S.S
Ks= [ca2+].[F-]2

S= [Ca2+]
2.S= [F-]

Ks= 3,6.10-8 ----> S.(2.S)2= 3,6.10-8
----> 4.S3= 3,6.10-8
----> 3√(3,6.10-8/4)
----> 2,1.10-3


Waarom die 2.S? Er werd me verteld dat men alles op noemer 1 moet brengen maar moet je dan niet S¬Ĺ nemen?

Bedankt, groetjes
Marie Curie die het licht niet meer ziet

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

RubenM

    RubenM


  • >250 berichten
  • 336 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 12 maart 2008 - 15:19

Als calciumfluoride oplost, wordt de fluorideconcentratie toch twee keer zo groot als de calciumconcentratie? Gewoon de molverhouding van de bijbehorende oplossingsvergelijking:

CaF2 <-> Ca2+ + 2F-

x mol CaF2 dissocieert tot x mol Ca2+ en 2x mol F- (molverhouding toepassen).

Als je die 2x dan invult in de evenwichtsvoorwaarde, moet je die natuurlijk ook nog kwadrateren. Zo kom je aan

Ks = [Ca2+][F-]2 = x * (2x)2 = 4x3





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures