Springen naar inhoud

Toelatingsexamen


  • Log in om te kunnen reageren

#1

ssStijn

    ssStijn


  • 0 - 25 berichten
  • 4 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 05 juli 2010 - 09:45

hey :)
Ik was enkele voorbereidingsoefeningen aan het maken voor mijn toelatingsexamen en bij deze 2 oefeningen kwam ik niet tot de gevraagde oplossing. Zou iemand mij hier misschien mee kunnen helpen?

1) In een gesloten recipiŽnt van 1 liter brengt men 0.5 mol N2 en 0.8 mol H2. Hierna stelt er zich een evenwicht in volgens de vergelijking N2(g) + 3H2 (dubbele pijl) 2NH3(g)

De evenwichtsconcentratie aan ammoniak bedraagt 0.2 M. wat is de evenwichtsconcentratie aan H2 ? ( het antwoord moet 0.5M zijn)

--------------------------------------------------------------------------------------------------

2) Men borrelt waterstofchrloridegas door 20 liter van een waterige natriumhydroxideoplossing (25įC) met pH 12 tot de pH van de resulterende oplossing 11 bedraagt.

Welk is het volume gas dat onder standaardvoorwaarden in de oplossing moet opgenomen worden? (oplossing moet 4.0 liter zijn)

--------------------------------------------------------------------------------------------------

Alvast bedankt :)!

Veranderd door ssStijn, 05 juli 2010 - 09:52


Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

woelen

    woelen


  • >1k berichten
  • 3145 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 05 juli 2010 - 11:12

Je werkt in de eerste opgave in een vat van 1 liter, dus de getallen voor concentraties kun je direct omzetten naar hoeveelheden (bijv. concentratie 0,2 M betekent in een vat van 1 liter een hoeveelheid van 0,2 mol).

In de opgave is er 0,2 mol ammoniak gevormd (nogmaals: vat is 1 liter). Volgens de reactievergelijking reageren N2 en H2 tot NH3 in verhouding 1 : 3 : 2.

Je hebt 0,2 mol NH3, dus er is 1/2 maal zo veel stikstof opgebruikt en 3/2 maal zo veel waterstof opgebruikt. Dus, 0,1 mol stikstof en 0,3 mol waterstof is opgebruikt.

Je begon met 0,5 mol stikstof, dus er is nog 0,5 - 0,1 = 0,4 mol stikstof over.
Je begon met 0,8 mol waterstof, dus er is nog 0,8 - 0,3 = 0,5 mol waterstof over.


-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


In deze opgave kun je er van uit gaan dat natriumhydroxide en waterstofchloride volledig zijn geioniseerd in waterige oplossing. Dan kun je dus er van uit gaan dat er voor iedere mol natriumhydroxide precies 1 mol waterstofchloride nodig is om dat te neutraliseren.

Je begint met een oplossing van 20 liter NaOH, pH = 12. De pOH is dan gelijk aan 14 - 12 = 2. De concentratie [OH-] is dan 0,01 mol/l. In 20 liter heb je dus 0,2 mol aan hydroxide ionen.

Je wilt naar een oplossing met een pH gelijk aan 11. De pOH is dan 14 - 11 = 3. Hier hoort een concentratie van 0,001 mol/l bij. In 20 liter oplossing is dat dus 0,02 mol.

De hoeveelheid hydroxide moet dus van 0,2 mol naar 0,02 mol. Oftewel, 0,18 mol moet worden omgezet.

De reactie is OH- + HCl --> H2O + Cl-. Dus, hydroxide ionen en HCl reageren in verhouding 1 : 1. Er is dus 0,18 mol HCl-gas nodig.

Bij standaard druk en temperatuur is een mol HCl 22,4 liter gas. Bij 25 graden zit je ongeveer op standaard temperatuur, dus 0,18 mol gas is 22,4*0,18 = 4,03 liter gas.

#3

ssStijn

    ssStijn


  • 0 - 25 berichten
  • 4 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 05 juli 2010 - 13:37

dankjewel voor de uitleg, ik snap het zo :D
groetjes!

#4

woelen

    woelen


  • >1k berichten
  • 3145 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 05 juli 2010 - 15:38

Mooi dat je het nu snapt. Laat maar weten hoe het examen gegaan is als het achter de rug is.

Succes!





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures