Springen naar inhoud

[scheikunde] Berekenen van concentratie met kookpunt stijging.


  • Log in om te kunnen reageren

#1

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 12 november 2010 - 00:52

Hallo allemaal! Binnenkort staat er weer een minitoets voor bonus punten voor de deur. Hier een vraagje.


Bijgaande grafiek geeft de dampspanning in functie van de temperatuur voor een oplossing en een zuiver solvent. Wat is bij benadering de concentratie van de oplossing, uitgedrukt in mol per kilogram, wanneer 1 mol aan opgeloste deeltjes, het kookpunt van 1 kg oplosmiddel met 3,63°C doet stijgen?

Geplaatste afbeelding

Ik weet dat ik de formule moet gebruiken ΔT=i · Kb · M
Kb is in dit geval 3,63°C kg/mol
M is gevraagd.

Maar dan mis ik nog twee van mijn waarden. Nu weet ik dat ik dit waarschijnlijk uit het diagram moet halen. Want die zit er vast niet voor niets bij! :P
Ik heb alleen geen idee hoe ik dat diagram kan gebruiken om er waardes uit te halen.

T
Het verschil in Temperatuur kan ik dat er uit halen? Want voor zover ik zie:
- Neem je dan het verschil tussen een oplossing en een zuiver solvent.
- Of als je naar 1 lijn kijkt verschilt de dampspanning
Naar mijn idee is het dus niet mogelijk?

i
Ik had een klein voorbeeld (mini) over het rekenen met deze formule. Daar gingen ze alleen T berekenen. i vonden ze door te kijken naar de Ka waarde van de oplossing en beredeneren/berekenen met de formule, maar daar heb ik niets aan, want ik weet niet waar de oplossing uit bestaat!

Hoe kom ik dus aan T en i?

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

ajonker

    ajonker


  • >250 berichten
  • 306 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 12 november 2010 - 11:00

Als je kijkt naar de druk van 380 mm Hg (tenminste ik neem dat aan aangezien dat op de helft van 760 mm Hg is), dan heb je een ΔT van 10 °C ! Dus de enige die dan nog mist is: i

Als je dan kijkt bij 760 mm Hg, en deze afleest wat daar de ΔT is, dan heb je een vergelijking met twee onbekenden, waarvan je één kunt substitueren, nl. i

Dan hou je M over en deze kun je dan berekenen, volgens mij.......

#3

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 12 november 2010 - 14:05

Als je kijkt naar de druk van 380 mm Hg (tenminste ik neem dat aan aangezien dat op de helft van 760 mm Hg is), dan heb je een ΔT van 10 °C ! Dus de enige die dan nog mist is: i

Als je dan kijkt bij 760 mm Hg, en deze afleest wat daar de ΔT is, dan heb je een vergelijking met twee onbekenden, waarvan je één kunt substitueren, nl. i

Dan hou je M over en deze kun je dan berekenen, volgens mij.......

Maar dan neem je dus twee T waarden uit de tabel, maar met verschillende dampspanning.
Welke formule moet ik dan gebruiken om de twee onbekenden vraagstuk op te lossen?

En de rode lijn is toch de lijn van de oplossing? Dan is het toch een groter verschil dan 10°C

#4

Fuzzwood

    Fuzzwood


  • >5k berichten
  • 11101 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 12 november 2010 - 18:43

2x dezelfde, alleen druk je dan 1 van je onbekenden uit in de andere onbekende, en vul je die in de formule opnieuw in.

Voorbeeldje

a + 3b = 8

2a + 7b = 17, b = (17 - 2a)/7

en

a + 3*(17 - 2a)/7 = 8

Dit idee dus een beetje.

#5

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 14 november 2010 - 10:45

Is ΔT dan in beide formules hetzelfde? Want anders heb je drie onbekenden in de ene formule en twee in de andere formule.
Als dit wel in beide gevallen het zelfde is (ΔT ongeveer 12,5 °C) dan heb ik als twee onbekenden M en i en dat is wel op te lossen..

#6

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 14 november 2010 - 11:11

Als ik namelijk in beide formules ΔT hetzelfde neem dan krijg ik dit:

T = i * K * M
12,5 = i * 3,63 * M

En als ik dan i naar buiten breng ( i =12,5 / (3,63 *M) )
En invul -> 12,5 = (12,5 / 3,63 *M) *3,63 * M , Dan zal M = 2

Maar als ik M naar buiten zou brengen ( M = 12,5 / (3,63 *i) )
En invul -> 12,5 = (12,5 / 3,63 *M) *3,63 * i , Dan zal i =2

Dus dat klopt niet. Want dan hangt het er vanaf met welke onbekende ik begin, wat het antwoord zal zijn. 2 of 1,72..

#7

Fuzzwood

    Fuzzwood


  • >5k berichten
  • 11101 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 14 november 2010 - 12:28

Die M = vul je dus weer in de 1e formule in, zodat je alleen een onbekende i hebt. Dit is gewoon wiskunde. Je hebt namelijk 2 sets aan gegevens. En je pakt het dus helemaal fout aan omdat je moet kijken naar het verschil tussen de curves. Misschien is even duiken in de theorie een beter idee, want die schijn je niet echt te snappen.

Veranderd door Fuzzwood, 14 november 2010 - 12:32


#8

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 14 november 2010 - 12:51

Die M = vul je dus weer in de 1e formule in, zodat je alleen een onbekende i hebt. Dit is gewoon wiskunde. Je hebt namelijk 2 sets aan gegevens. En je pakt het dus helemaal fout aan omdat je moet kijken naar het verschil tussen de curves. Misschien is even duiken in de theorie een beter idee, want die schijn je niet echt te snappen.

Het wiskundige gedeelte snap ik ook wel. Het komt er gewoon op neer dat ik de grafiek niet echt goed snap. :P

Bij 760 mmHg = 1 atm. Zal het kookpunt zijn van de oplossing/zuiver solvent.

Klopt het dan dat de rechter de oplossing is, met een hoger kookpunt omdat er meer deeltjes aanwezig zijn die zorgen dat dit hoger ligt dan voor het zuiver solvent?

ΔT wordt dan het verschil tussen de curves zoals ook aangegeven met die stippellijn.

#9

Fuzzwood

    Fuzzwood


  • >5k berichten
  • 11101 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 14 november 2010 - 13:10

Juist, dat is het hele punt van deze opgave, je dat duidelijk maken. Zeewater kookt ook bij een temperatuur hoger dan 100 °C, zelfs bij 760mm Hg. ;)

#10

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 14 november 2010 - 17:09

Ik had nog een klein ander vraagje.
Je hebt deze vraag:

Het kleuromslaggebied van de indicator methyloranje ligt tussen pH 3,2 en 4,4, dat van de indicator fenolftaleïne tussen pH 8,2 en 10,0. Bij welke van volgende titraties kan de indicator fenolftaleïne gebruikt worden?

a) mierenzuur (HCOOH) met natriumhydroxide
b) bariumhydroxide met waterstofchloride
c) natriumwaterstofcarbonaat met waterstofchloride

Nu is het natuurlijk zo dat ik dan moet zien of de pH dusdanig veranderd dat fenolftaleine van kleur verandert.
Hoe zie ik dat aan die formules?

Mierenzuur is een zwak zuur, althans hij bevind zich in het midden van de tabel.
Natrium zal niet mee doen in de reactie en OH- is natuurlijk een sterke base.
Voor pH berkeneningen (zwak zuur: pH=1/2 (pKa - log Ca) ) heb je wel een concentratie nodig om uitspraken te doen over hoe hoog de pH is.

Wat zie ik over het hoofd?





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures