Springen naar inhoud

[scheikunde] Chemieopdracht


  • Log in om te kunnen reageren

#1

soeffie

    soeffie


  • 0 - 25 berichten
  • 4 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 13 november 2010 - 18:30

Beste mensen,

Ik heb een chemieopdracht gekregen. Deze bestaat uit 24 vragen. Ik zal deze vragen hieronder zetten en daarbij zal ik vertellen wat ik tot nu toe heb gedaan en wat ik denk dat het juiste antwoord is. Ik hoop dan dat iemand mij advies kan geven of ik het goed heb of dat ik helemaal fout zit en graag enige advies in de juiste richting en dan zal ik er verder naar kijken.

Alvast van harte bedankt!

De vragen!

1. Bijgaande grafiek geeft de dampspanning in functie van de temperatuur voor een oplossing en een zuiver solvent. Wat is bij benadering de normale kooktemperatuur van het zuivere solvent? Geef je antwoord uitgedrukt in graden Celsius, met twee beduidende cijfers maar zonder eenheden bv 21 bv 550 bv 1,1

Geplaatste afbeelding

Antwoord: 62
Volgens mij is de rode lijn het zuivere solvent omdat een zuivere stof meestal een lager kookpunt heeft. Er wordt gevraagd om een benadering en als je de grafiek ziet, dan zie je tussen de 60 en 70 graden celsius 4 streepjes. Dus ieder streepje is 2,5. Bij de rode lijn gaan de stippelijntjes net voor de eerste streep, dus het is sowieso minder dan 62,5 (bijv. 62,4). Bij benadering, moet je volgens mij dus afronden en dan is het juiste antwoord 62.


2. Tertiair butylalcohol is een oplosmiddel met een Kf van 9,10 °C,kg/mol en een stolpunt van 25,5°C. Wanneer 0,807 g van een onbekende kleurloze vloeistof werd opgelost in 11,6 g van tertiair butylalcohol, bevroor de oplossing bij 15,3°C. Welke van de volgende stoffen is allicht de onbekende vloeistof (geen van alle ioniseert in water) die werd toegevoegd?

A. 1-octanol (molaire massa 130,22)
B. Glycerol (molaire massa 92,09)
C. 2-pentanone(molaire massa 86,13)
D. 1-butanol (molaire massa 74,12)
E. Ethyleenglycol (molaire massa 62,07)

Antwoord: ????
Ik weet totaal niet in welke richting ik moet denken. Ik dacht eerst dat je moet kijken naar de molaire massa's maar achteraf heb ik daarvan afgezien.


3. Bijgaande grafiek geeft de dampspanning in functie van de temperatuur voor een oplossing en een zuiver solvent. Wat is bij benadering de concentratie van de oplossing, uitgedrukt in mol per kilogram, wanneer 1 mol aan opgeloste deeltjes, het kookpunt van 1 kg oplosmiddel met 3,63°C doet stijgen? Geef je antwoord als getal in wetenschappelijke notatie en met één beduidend cijfer, zonder eenheden bv 1E+05

Geplaatste afbeelding

Antwoord: ????
Geen idee met welke gegevens ik moet werken. Ik weet niet hoe ik dit moet aflezen uit de grafiek.


4. Bijgaande grafiek geeft de dampspanning in functie van de temperatuur voor twee verschillende systemen. Welke situatie(s) kan (kunnen) hier voorgesteld zijn? (meervoudige antwoord mogelijk)

Geplaatste afbeelding

A. Het zijn twee verschillende solventen.
B. Het is twee keer hetzelfde solvent maar een ander volume.
C. Het zijn twee oplossingen die verschillen in solvent.
D. Het zijn twee oplossingen die verschillen in eigenschappen van de opgeloste stof en/of molaire concentratie van de opgeloste stof.
E. De rode curve is van een oplossing, waarvan de groene curve dan het zuivere solvent voorstelt.
F. De groene curve is van een oplossing, waarvan de rode curve dan het zuivere solvent voorstelt.
G. De rode curve is van een oplossing, en de groene curve dan van eenzelfde oplossing, in hetzelfde solvent, maar minder geconcentreerd.
H. De rode curve is van een oplossing, en de groene curve dan van eenzelfde oplossing, in hetzelfde solvent maar meer geconcentreerd.
I. De rode curve is van een oplossing, en de groene curve dan van eenzelfde oplossing, in hetzelfde solvent, met een andere concentratie maar men kan niet weten of die concentratie hoger of lager is.

Antwoord: A, C, F
Twee verschillende solventen, daardoor is er het verschil in kookpunt (A). Het zou ook kunnen zijn dat het dezelfde stof is (water) maar er is iets anders aan toegevoegd waardoor het kookpunt verandert © en de rode curve heeft een lager kookpunt waardoor ik dacht het de zuivere stof is en de groene curve is die van de oplossing (F)


5. Sucrose (C12H22O11) hydrolyseert tot glucose (C6H12O6) en fructose (C6H12O6):

C12H22O11 + H2O → C6H12O6 + C6H12O6

Bij een bepaalde temperatuur worden de volgende concentraties van sucrose gevonden na verschillende reactietijden (zie afbeelding)

a) Bepaal de orde in sucrose. Geef je antwoord als een cijfer bv 0 bv 1 bv 2

b) Bereken hoelang het duurt, uitgedrukt in uren, om 75 procent sucrose te laten hydrolyseren. Geef je antwoord als een getal met twee beduidende cijfers bv 0,25 bv 1,1 bv 13

Geplaatste afbeelding

Antwoord: a = 2
b = ???
Totaal geen verklaring voor bovenstaande antwoorden puur het feit dat mijn docent de orde liet zien (a). De tweede vraag weet ik echt niet.


6. In drie experimenten wordt de initiële snelheid (v) van de reactie tussen hemoglobine en koolstofmonoxide bepaald voor verschillende initiële concentraties van de twee reagentia.
[hemoglobine] (mmol/L): 2,21 4,42 4,42
[CO] (mmol/L): 2,00 2,00 6,00

v (mmol L-1 s-1) 1,24 2,48 7,44
Leid uit die gegevens de vorm van de snelheidsvergelijking af.

A. v = k
B. v = k [hemoglobine]
C. v = k [CO]
D. v = k [hemoglobine][CO]
E. v = k [hemoglobine][CO]2
F. v = k [hemoglobine]2[CO]
G. v = k [hemoglobine]2[CO]2

Antwoord: E

7. Welke van de volgende stellingen over katalyse zijn juist? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) Als een reactie in de twee richtingen kan optreden en een katalysator de reactie in de ene richting versnelt, dan vertraagt diezelfde katalysator de reactie in de andere richting.
b) Voor een reactie die onvolledig optreedt, kan het rendement verhoogd worden met een katalysator.
c) In een reactie met en zonder katalysator komen er verschillende transitietoestanden voor.
d) Een katalysator wordt niet verbruikt in de reactie.
e) Een endotherme reactie kan met een gepaste katalysator exotherm worden.

Antwoord: c, d

8. Als volgende stappen (zie bijlage) exact het reactiemechanisme weergeven van een bepaalde reactie, wat is dan de snelheidswet voor de eerste stap?

Geplaatste afbeelding

A. v = k
B. v = k [A]
C. v = k [A]2
D. dat kan je niet op het zicht zien/weten

Antwoord: C
Reactie is van de tweede orde.


9. Het bromaation en het bromide-ion reageren in zuur midden tot dibroom. In vier experimenten wordt de initiële vormingssnelheid van dibroom (v) bepaald in functie van de initiële concentraties van de bromaationen, de bromide-ionen en de protonen.

[BrO3-] (mol/L): 0,10 0,20 0,20 0,10

[Br-] (mol/L): 0,10 0,10 0,20 0,10

[H+] (mol/L): 0,10 0,10 0,10 0,20

v (molL-1s-1): 8,0x10-4 1,6x10-3 3,2x10-3 3,2x10-3

Leid uit die gegevens de vorm van de snelheidsvergelijking af.

A. v = k
B. v = k [BrO3-]
C. v = k [H+]
D. v = k[Br-]
E. v = k [BrO3-][Br-]
F. v = k [BrO3-][H+]
G. v = k [Br-][H+]
H. v = k [BrO3-][Br-][H+]
I. v = k [BrO3-][Br-][H+]2
J. v = k [BrO3-][Br-]2[H+]
K. v = k [BrO3-]2[Br-][H+]
L. v = k [BrO3-]2[Br-]2[H+]2
M. v = k [BrO3-]2[Br-]2[H+]
N. v = k [BrO3-]2[Br-][H+]2
O. v = k [BrO3-][Br-]2[H+]2
P. v = k [BrO3-]2[Br-]
Q. v = k [BrO3-][H+]2
R. v = k [Br-]2[H+]2
S. v = k [BrO3-]2[Br-]2
T. v = k [BrO3-]2[H+]2

Antwoord: ????

10. Welke van de volgende paren vormen een geconjugeerd zuurbasekoppel? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) HNO2 en NO3-
b) SO2 en H2SO3
c) HCN en CN-
d) NH3 en NH4+

Antwoord: c, d

11. Welke van de volgende paren vormen een geconjugeerd zuurbasekoppel? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) H3PO4 en PO43-
b) HCO3- en CO32-
c) HS- en H2S
d) HCl en Cl-

Antwoord: b, c

12. Welke van de volgende stellingen over de sterkte van zuren zijn juist? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) Elk zuur dat goed in water oplost, is een sterk zuur.
b) Elk kation BH+ afgeleid van een zwakke base B, is een sterk zuur.
c) Elk zuur dat in water volledig ioniseert, zal in vloeibare ammoniak ook volledig ioniseren.
d) Elk zuur dat in water volledig ioniseert, zal in zuiver azijnzuur ook volledig ioniseren.
e) Meer waterstofatomen in een zuur betekent een sterker zuur.

Antwoord: a, e

13. Geef de geconjugeerde base van de volgende zuren. Geef je antwoord onder vorm van de correcte brutoformule echter met indexen en superscripten op dezelfde basislijn bv HPO42-

a) HCO3-
b) CH3COOH
c) NH3

Antwoord: a = H2CO3
b = CH3COOH2+
c = NH4+


14. Welke van de volgende mengsels zijn buffers (eventueel na reactie)? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) 30 mL 0,05 M Na3PO4 + 10 mL 0,10 M H3PO4
b) 10 mL 0,05 M K2SO4 + 40 mL 0,10 M H2SO4
c) 50 mL 0,10 M Na2CO3 + 10 mL 0,05 M H2CO3
d) 10 mL 0,10 M Na2S + 10 mL 0,05 M H2S

Antwoord: ???
Ik heb de antwoord nog niet berekend maar ik wil weten of mijn manier juist is. Van beide stoffen bereken je eerst de concentratie met de gegeven informatie. Vervolgens gebruik de pH formules om de pH te bepalen. En volgens mij staat mij iets bij dat wanneer de verhouding tussen zuur en bas kleiner is dan 1 : 10, dat je dan spreekt van een buffer.


15. Wanneer er slechts één stof in zuiver water opgelost is en de concentratie van die stof groter is dan 10-7 mol/L, geldt één van de volgende mogelijkheden voor wat betreft de pH van de oplossing.

(1) De stof heeft geen invloed op de pH die gelijk blijft aan 7,0.
(2) De stof gedraagt zich als een sterk zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(3) De stof gedraagt zich als een zwak zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(4) De stof gedraagt zich als een sterke base, de pH is groter dan 7,0.
(5) De stof gedraagt zich als een zwakke base, de pH is groter dan 7,0.
(6) De stof gedraagt zich als een amfolyt (amfiprotisch), de pH kan groter of kleiner zijn dan 7,0.

Geef voor elk van de volgende stoffen aan welke situatie van toepassing is. Geef je antwoord door het juiste cijfer aan te geven bv 1 bv 3

a) natriumchloriet
b) natriumdiwaterstoffosfaat
c) salpeterzuur

Antwoord: a = 1
b = 5
c = 2


16. Wanneer er slechts één stof in zuiver water opgelost is en de concentratie van die stof groter is dan 10-7 mol/L, geldt één van de volgende mogelijkheden voor wat betreft de pH van de oplossing.

(1) De stof heeft geen invloed op de pH die gelijk blijft aan 7,0.
(2) De stof gedraagt zich als een sterk zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(3) De stof gedraagt zich als een zwak zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(4) De stof gedraagt zich als een sterke base, de pH is groter dan 7,0.
(5) De stof gedraagt zich als een zwakke base, de pH is groter dan 7,0.
(6) De stof gedraagt zich als een amfolyt (amfiprotisch), de pH kan groter of kleiner zijn dan 7,0.

Geef voor elk van de volgende stoffen aan welke situatie van toepassing is. Geef je antwoord als een cijfer, bv 1; bv 2

a) waterstoffluoride
b) zilvernitraat
c) natriummonowaterstofsulfaat

Antwoord: a = 5
b = 1
c = 5


17. Wanneer er slechts één stof in zuiver water opgelost is en de concentratie van die stof groter is dan 10-7 mol/L, geldt één van de volgende mogelijkheden voor wat betreft de pH van de oplossing.

(1) De stof heeft geen invloed op de pH die gelijk blijft aan 7,0.
(2) De stof gedraagt zich als een sterk zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(3) De stof gedraagt zich als een zwak zuur, de pH is kleiner dan 7,0.
(4) De stof gedraagt zich als een sterke base, de pH is groter dan 7,0.
(5) De stof gedraagt zich als een zwakke base, de pH is groter dan 7,0.
(6) De stof gedraagt zich als een amfolyt (amfiprotisch), de pH kan groter of kleiner zijn dan 7,0.

Geef voor elk van de volgende stoffen aan welke situatie van toepassing is. Geef je antwoord door het juiste cijfer aan te geven bv 1 bv 3

a) kaliumsulfide
b) kaliumwaterstofcarbonaat
c) magnesiumjodide

Antwoord: a = 4
b = 5
c = 5


18. Welke van de volgende mengsels reageren tot een buffer? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) 10 mL 0,050 mol/L NH3 + 10 mL 0,10 mol/L HCl
b) 10 mL 0,050 mol/L NH3 + 10 mL 0,10 mol/L NaOH
c) 10 mL 0,10 mol/L NH4Cl + 10 mL 0,050 mol/L HCl
d) 10 mL 0,10 mol/L NH4Cl + 10 mL 0,050 mol/L NaOH

Antwoord: ????

19. De twee stoffen van elk koppel worden samen opgelost in water. In welke mengsels reageren de twee stoffen met elkaar? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) ammoniak + waterstofchloride
b) ammoniak + natriumhydroxide
c) ammoniumchloride + waterstofchloride
d) ammoniumchloride + natriumhydroxide

Antwoord: a, d

20. Bereken de maximale oplosbaarheid uitgedrukt in mol/L van bariumfluoride in 1,0 liter van een 0,20 molaire kaliumfluoride-oplossing. Geef je antwoord in wetenschappelijke notatie zonder eenheden, met 2 beduidende cijfers bv 1,0E+00.

Antwoord: ???

21. Welke lading hebben de metaalionen in de volgende complexe ionen en verbindingen? Geef je antwoord in arabische cijfers voorafgegaan door het correcte teken (zonder spatie) en gescheiden door een komma bv +2,-6,+4 bv +6,+1,+1

a) [Cu(CN)2]-
b) [AuCl4]-
c) [Sn(OH)6]2-

Antwoord: +1,+3,+4

22. Bereken of er een neerslag gevormd wordt in de volgende mengsels. Geef je antwoord aan als ja of neen.

a) 100 mL van een 0,012 molaire zilvernitraatoplossing en 20 mL van een 0,12 molaire natriumsulfaatoplossing

b) gelijke volumes van een 0,010 molaire bariumchloride-oplossing en een 0,020 molaire natriumsulfaatoplossing

Antwoord: a = ja
b = ja


23. Welke van de volgende stellingen over complexen zijn juist? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) Complexen zijn steeds positief of negatief geladen.
b) Liganden in complexen zijn steeds negatief geladen.
c) Het centrale atoom in een complex is steeds positief geladen.
d) Het tegenion van een complex ion kan positief of negatief geladen zijn.

Antwoord: b, d

24. Een beperkte hoeveelheid van de volgende stoffen wordt in een oplossing van bariumhydroxide in water gebracht. In welke mengsels verwacht je een neerslag of troebel? Geef je antwoord in kleine letters, gescheiden door een komma maar zonder spatie en in alfabetische volgorde, bv a; bv a,b

a) zinkhydroxide
b) zilvernitraat
c) calciumchloride
d) magnesiumsulfaat
e) natriumdiwaterstoffosfaat

Antwoord: a, c, d

Dit zijn mijn antwoorden op al deze vragen. Ik wil graag iets leren van het advies en het gaat mij niet zo zeer om deze opdracht maar ik wil tijdens mijn tentamen begrijpen wat ik aan het doen ben. Mijn tentamen is namelijk belangrijker dan deze opdracht. Ik begrijp dat het veel vragen zijn maar ik moet deze opdracht voor a.s. dinsdag 20:00 uur inleveren.

Alvast dank voor alle hulp! Ik stel jullie hulp erg op prijs!

Mvg,

Veranderd door soeffie, 13 november 2010 - 21:21


Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

Kaassouffle

    Kaassouffle


  • 0 - 25 berichten
  • 24 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 14 november 2010 - 11:21

Algemene Chemie? Antwerpen? :P

Veranderd door Kaassouffle, 14 november 2010 - 11:22






0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures