Springen naar inhoud

Functies + Vergelijkingen = Herkennen + benoemen + maken



  • Log in om te kunnen reageren

#1

Redfield

    Redfield


  • >25 berichten
  • 98 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 28 oktober 2012 - 11:17

Hallo

Een groothandel wil van 200 blikjes groente en 150 blikjes vlees twee soorten noodrantsoenen samenstellen:
- soort A bevat twee blikjes groente en drie blikjes vlees;
- soort B bevat vier blikjes groente en één blikje vlees.
X is het aantal rantsoenen van soort A en y dat van soort B

Stel een stelsel vergelijkingen op waarmee je kunt uitrekenen hoeveel rantsoenen van soort A en van soort B de groothandel kan samenstellen.

Hoe? Wat? Er zit een verband tussen de tekst. Je hebt 200 blikjes groente en 150 blikjes vlees. Je kunt daar zoveel 'noodrantsoenen' van soort A uit krijgen. Dito voor soort B. Alleen hoe breng je dat in context?

Nu over het domein en bereik:

Wat is het domein van: f(x) = √0.5x + 2

Hoe moet ik het daaruit halen? Het domein van een functie bestaat uit alle x-waarden waarvoor die functie betekenis heeft. Bedoelen ze dan alle positieve getallen? Vanwege de wortel? Dit is trouwens de hele vraag

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

Safe

    Safe


  • >5k berichten
  • 9907 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 28 oktober 2012 - 11:30

Nu over het domein en bereik:

Wat is het domein van: f(x) = √0.5x + 2

Hoe moet ik het daaruit halen? Het domein van een functie bestaat uit alle x-waarden waarvoor die functie betekenis heeft. Bedoelen ze dan alle positieve getallen? Vanwege de wortel? Dit is trouwens de hele vraag


Staat er: LaTeX

Zo ja,

Bedoelen ze dan alle positieve getallen? Vanwege de wortel?


Prima, maar x=0 doet ook mee ...


Je kan beter per post één opgave geven

Veranderd door Safe, 28 oktober 2012 - 11:34


#3

Safe

    Safe


  • >5k berichten
  • 9907 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 28 oktober 2012 - 12:13

Hallo

Een groothandel wil van 200 blikjes groente en 150 blikjes vlees twee soorten noodrantsoenen samenstellen:
- soort A bevat twee blikjes groente en drie blikjes vlees;
- soort B bevat vier blikjes groente en één blikje vlees.
X is het aantal rantsoenen van soort A en y dat van soort B

Stel een stelsel vergelijkingen op waarmee je kunt uitrekenen hoeveel rantsoenen van soort A en van soort B de groothandel kan samenstellen.

Hoe? Wat? Er zit een verband tussen de tekst. Je hebt 200 blikjes groente en 150 blikjes vlees. Je kunt daar zoveel 'noodrantsoenen' van soort A uit krijgen. Dito voor soort B. Alleen hoe breng je dat in context?



Neem eens 5 rantsoenen A en 7 van B. Dus x=5 en y=7, hoeveel blikjes groente en vlees zitten daar in.
Ga niet rekenen, maar laat 5 en 7 als getallen staan ...






Also tagged with one or more of these keywords: wiskunde

0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures