Springen naar inhoud

Warmte - Energie



  • Log in om te kunnen reageren

#1

MHR

    MHR


  • 0 - 25 berichten
  • 2 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 02 januari 2014 - 15:53

Hoi!
Zou iemand mij kunnen helpen met soortelijke warmte, smeltwarmte/verdampingswarmte, en oploswarmte. Wat is hier precies het verschil tussen, of eigenlijk; wanneer gebruik je welke?

Hier onder 2 opgaven waarbij ik dus twijfel welke begrip ik moet toepassen;

Opdracht 1: Bereken..:
a. Hoeveel warmte nodig is om 100 g ijs uit het vriesvak van een koelkast op te warmen van -20 tot 0,0 C.
b. Hoeveel warmte overgedragen wordt bij het afkoelen van 3,5 ton stoom van 270 tot 120 C.
c. Hoeveel warmte nodig is om 1,00 liter water (p=1,00x10^3 kg/m3) te verdampen.
d. Hoeveel warmte afgevoerd moet worden om 5,0 ton stoom van 220 C om te zetten in water van 20 C.

Ik heb gedaan:
a. soortelijke warmte van ijs --> Q= c x m x delta T --> 4400 J
b. soortelijke warmte van waterdamp --> Q= c x m x delta T --> 10,5 x10^8 J
c. verdampingswarmte water --> Q = verdampingswarmte x m --> 2,26 x 10^6 J
d. verdampingswarmte van waterdamp --> Q = verdampingswarmte x m x delta T --> 2,26 x10^12 J

Klopt dit?

Opdracht 2:
Bereken uit de gegevens hoeveel warmte aan het oplosmiddel water wordt afgestaan als een mol stof wordt opgelost (25 C)
Er wordt 12,1 g KF opgelost in 100 g water. De temperatuurstijging bedraagt 8,3 graden.

Mijn vraag: Ik wil dus Q = c x m x delta T gebruiken, als dit goed is, welke massa moet ik dan nemen? en wat moet ik met de mol doen?

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

kwasie

    kwasie


  • >250 berichten
  • 348 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 02 januari 2014 - 16:20

Voor vraag 2.

Er is een hoeveelheid water, die een temperatuurstijging ondergaat.
Als dit niet duidelijk genoeg is, schrijf dan de situatie voor en na de temperatuurstijging op, en wat je wilt weten.


Voor vraag 1.

Ik krijg toch wel andere antwoorden.
Als jij de berekeningen niet geeft, dan kunnen wij niet vertellen wat je fout doet.
Schrijf netjes op wat je wilt weten, en wat je invult. Wat zijn je gegevens, en welke verdampingswaarden gebruik je?

De soortelijke warmte, is net zoiets als soortelijke massa. Maar dan voor temperatuur.
Om per massa een ΔT te ondergaan, is er een hoeveelheid energie nodig. En die waarde is verschillend per materiaal.

Wanneer een stof overgaat van vast naar vloeibaar, en van vloeibaar naar gas.
Dan kost het overgaan ook een energie. Dat is de smeltwarmte/condensatiewarmte.
(voor stollen/smelten is de waarde gelijk, en voor verdampen/condenseren)

Tijdens het oplossen reageren er (eventueel) stoffen, die gaan bindingen aan.
Dit is de oplosenergie.

#3

MHR

    MHR


  • 0 - 25 berichten
  • 2 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 02 januari 2014 - 16:41

Bedankt voor je reactie!

Oke, ik heb een bijlage toegevoegd met de opdracht zoals ik het gedaan heb :)
Kunt u daaraan zien wat ik fout heb gedaan?

Bijgevoegde miniaturen

  • scheikunde.jpg

#4

kwasie

    kwasie


  • >250 berichten
  • 348 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 02 januari 2014 - 17:38

Vraag a,b,c zijn goed.
Bij d heb je de condensatiewarmte als soortelijke warmte gebruikt.
Deze condensatie treedt maar 1x op. Je krijgt dus een som van zowel de condensatie als de afzonderlijke Q=c·m·ΔT.

#5

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44873 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 02 januari 2014 - 18:01

Opmerking moderator :

Dit onderwerp past beter in het huiswerkforum en is daarom verplaatst.
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270

#6

G.E

    G.E


  • >100 berichten
  • 230 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 25 september 2014 - 12:20

he,

 

ik doe nu precies deze opgaven, en kan niet verder bij 1 d. (btw thanks voor c ).

 bij d heb ik dit gedaan 

(i) stoom van 220 naar 100 graden:

     5,0 .103 kg x 120 K x 2,0 kJ. kg-1. K-1 = 1,2 .106 kJ

      (ii) water condensereen:

      5,0 .103 kg x  2,26.103 kJ. kg-1 ( verdampings/condensatiewarmte) = 11,3 .106 kJ

      (iii) water van 100 naar 20 garden:

     Q=  5,0 .103 kg x 80 K x 4,18 kJ. kg-1. K-1 = 1,67 .106 kJ

     

     Totaal = (1,2 + 11,3 +1,67) . 106 = 1,4.107 kJ

 

klopt dit?

 

thanks

Veranderd door G.E, 25 september 2014 - 12:33


#7

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44873 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 27 september 2014 - 18:17

klopt.

ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270






Also tagged with one or more of these keywords: natuurkunde

0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures