Springen naar inhoud

Immunologie: een inleiding


  • Log in om te kunnen reageren

#1

zwitterion

    zwitterion


  • >100 berichten
  • 108 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 03 juli 2007 - 22:26

Ik heb al veel aan dit forum gehad en zo raakten ook al heel wat problemen opgelost. En dus wil ik iets terugdoen voor dit forum. Vandaar de volgende inleidende tekst over immunologie, handig voor mensen die iets willen opzoeken over de basisprincipes:

Inleiding tot de immunologie

Immuniteit

Dagelijks komt de mens in contact met virussen, bacteriŽn en andere micro-organismen. Nochtans worden we er zelden ziek van. Dit komt omdat ons lichaam over een afweersysteem beschikt dat de meeste belagers met succes vernietigen.

1. Niet-specifieke afweer

1.1. Eerstelijnsafweer

1.1.1. De huid
Een eerste bescherming vormt onze huid. Omdat de huidcellen erg taai zijn, is het voor de meeste micro-organismen onmogelijk er doorheen te geraken. De talgklieren van de huid produceren bovendien een vetachtige substantie (talg) die er voor zorgt dat het huidoppervlak licht zuur is. Het feit dat onze huid ook voortdurend afschilfert en zichzelf vernieuwt, maakt het voor micro-organismen lastiger om er zich aan vast te hechten. Miljarden bacteriŽn, die van nature uit op onze huid leven, zorgen er bovendien voor dat andere bacteriŽn niet zo snel kunnen ontwikkelen.

1.1.2. De neus
De meeste bacteriŽn geraken niet verder dan de neusholte omdat de slijmvliezen stoffen produceren die de celwand van de bacteriŽn afbreken (lysozym)

1.1.3. De maag
Omdat de maaginhoud erg zuur is, geraken de meeste bacteriŽn niet verder dan de maag.

1.1.4. De urinebuis en geslachtsopening
Omdat urine erg zuur is, is het langs deze weg ook bijna onmogelijk om binnen te dringen. In de vagina leeft er bovendien een bacterie die melkzuur produceert en dus voor een bijkomende bescherming zorgt.

1.2. Afweer op het tweede niveau (aangeboren niet-specifieke afweer)

1.2.1. Stoffen voor afweer
Wanneer een cel door een micro-organisme aangevallen wordt, begint het interferon te produceren. Dat interferon waarschuwt andere omringende cellen en doet die eiwitten produceren die zich tegen de micro-organismen moeten beschermen.
Naast interferon worden door het lichaam nog andere stoffen geproduceerd die de bacteriŽngroei moeten afremmen. Zo zijn er de lysozymen (zie hoger) en het complementsysteem. Dit is een groep eiwitten die in het bloed voorkomen en volgende rol spelen:
* Ze lossen de celwand van de bacteriŽn op.
* Ze trekken B-cellen en T-cellen aan (chemotaxis).
* Sommige van deze eiwitten hechten zich vast aan de micro-organismen waardoor deze gemakkelijker te herkennen zijn voor fagocyterende cellen (opsoniseren).


1.2.2. Witte bloedcellen - Fagocytose

Witte bloedcellen ontstaan uit stamcellen in het beenmerg. Tijdens hun rijping krijgen ze hun specifieke kenmerken en specialiseren ze zich waardoor er verschillende soorten witte bloedcellen ontstaan. Voor de niet-specifieke afweer zijn vooral de fagocyten (macrofagen en andere) belangrijk. Omdat bacteriŽn in het lichaam stoffen gaan afscheiden, worden ze opgemerkt door de fagocyten. Fagocyten, aanwezig in het bloed en de lymfe, dringen door de wand van de haarvaatjes en migreren naar de plaats van de infectie. Daar worden de micro-organismen verorberd (= fagocytose). Daarna breken krachtige enzymen de bacteriŽn af waarbij de fagocyten zelf ook vernietigd worden. Bij dit alles gaat pijn, rood worden, opzwelling en verhoging van de temperatuur gepaard. Dit is dan een ontsteking. Het geheel van dode en levende fagocyten na een aantal dagen van infectie kennen we als etter.

2. Specifieke afweer (verworven afweer)

Ons lichaam onderscheidt lichaamsvreemde cellen van lichaamseigen cellen. Het afweersysteem controleert voortdurend de oppervlakte van de cellen die in ons lichaam aanwezig zijn. Als het een vreemde structuur ontmoet, brengt dat afweerreacties op gang. Die vreemde structuur is meestal een lichaamsvreemde molecule (proteÔnen, polysacchariden, glycoproteÔnen) die aanwezig is op de buitenzijde van dat organisme. Deze moleculen worden antigenen genoemd.
De eerste afweerreacties zijn snel, maar niet specifiek (zie hoger). Als de fagocyten het organisme niet volledig kunnen vernietigen, komt dat antigeen van dat micro-organisme ook in het lymfevatenstelsel terecht. Dit is een kanalensysteem dat in gans het lichaam aanwezig is (zoals het bloedvatenstelsel) en het antigeen zal transporteren naar een secundair lymfoÔd orgaan (milt, lymfeknoop). Daar komt het in contact met de T-lymfocyten. Hier komen een tweede reeks afweerreacties (dus enkele dagen later) op gang die veel efficiŽnter zijn omdat ze gericht zijn op ťťn bepaald type indringer.

Een antigeen veroorzaakt maar een afweerreactie bij de T-lymfocyten en de B-lymfocyten (zie verder) indien ze gepresenteerd worden. Dit gebeurt in en door de fagocyten (macrofagen). De brokstukken van het micro-organisme worden gebonden aan een MHC-molecule (Major Histocomptability Complex) dat zich vervolgens verplaatst naar de celmembraan van de fagocyt om contact te kunnen maken met de andere bloedcellen (B- en T-lymfocyten).

De specifieke afweer wordt voornamelijk door B- en T-lymfocyten bewerkstelligd (zie verder). Deze lymfocyten ontstaan zoals de andere witte bloedcellen in het beenmerg, maar ondergaan daarna nog een rijpingsproces in het beenmerg (B-lymfocyten) of de thymus (= zwezerik) (T-lymfocyten). Deze organen worden de primaire lymfoÔde organen genoemd. Daarna gaan de lymfocyten circuleren in het lichaam, ofwel komen ze in de secundaire lymfoÔde organen terecht. Daar staan ze klaar om indringers op te ruimen. Tot de secundaire lymfoÔde organen behoren de amandelen, de lymfeklieren en de milt.




2.1. T-lymfocyten

De buitenkant van de T-lymfocyten is bezet met duizenden receptoren. Zoín receptor bestaat uit twee peptideketens. De onderkant van die ketens is een relatief onveranderlijke structuur, maar de bovenkant is erg variabel. De MHC-moleculen (zie hoger) zijn eveneens zo opgebouwd en zijn complementair aan die receptoren. Binding tussen die peptideketens kan dus optreden.
De macrofagen, die eerst geactiveerd zijn door de micro-organismen, produceren cytokines. Th-cellen (T-Helper-cellen) reageren hier op en binden met het MHC-antigeen-complex aanwezig op de macrofagen. Hierdoor gaan ze zelf cytokines, maar ook interferon en andere stoffen produceren. Die stoffen activeren vervolgens Tc-cellen (T-cytotoxic cellen Ė cellulaire afweer) en B-cellen (zie verder). Hierdoor gaan Tc-cellen sneller gaan vermenigvuldigen en worden ze agressiever ten opzichte van de geÔnfecteerd cellen. Lichaamscellen die geÔnfecteerd zijn, kunnen nu gedood worden door die Tc-cellen waardoor het micro-organisme, in die cel aanwezig, eveneens vernietigd wordt. Het doden gebeurt door het afscheiden van cytotoxines. Die cytotoxines beschadigen de membraan van de doelwitcel zodat die uitťťnvalt.

2.2. B-lymfocyten

B-lymfocyten treft men aan in de milt en de lymfeknopen. De celmembraan van de B-lymfocyten is bezet met duizenden antilichamen of immunoglobulines (Ig). Deze structuren gelijken gedeeltelijk op die van de T-cellen maar het grote verschil is dat ze ook van de celmembraan kunnen loskomen en vrij aanwezig kunnen zijn in het serum. De werking van de B-cellen wordt dan ook ďhumoraalĒ genoemd (= in het bloed circulerend Ė humorale afweer).
Een Ig bestaat uit vier eiwiteenheden die met disulfidebindingen aan elkaar vasthangen (zie figuur)
Er zijn verschillende soorten Ig: IgA, IgG, IgM, IgE en IgD. IgG is de meest voorkomende vorm.
Een B-lymfocyt die in contact komt met een antigeen en cytokines, wordt geactiveerd en begint te delen. De meeste van die dochtercellen produceren antilichamen (AL). Deze ALen binden aan de antigenen van de binnengedrongen organismen en doen ze samenklonteren zodat hun verspreiding onmogelijk wordt. Bovendien zijn die ALen
een soort herkenningsmiddel die andere witte bloedcellen aanzetten de gemerkte cellen (= met het AL er op) aan te vallen en door fagocytose te vernietigen.
Naast bovenstaande processen worden ook geheugen-B- en T-lymfocyten gemaakt. Die zorgen er voor dat bij herinfectie met hetzelfde soort micro-organisme een snellere reactie op gang komt (drie dagen). De B- en T-lymfocyten hebben m.a.w. een verworven immuniteit opgebouwd.

3. Falen van het immuunsysteem


3.1. Overgevoeligheid

Bij sommige personen is het immuunsysteem zo gevoelig afgesteld dat bij het minste contact met een bepaald vreemd antigeen (zoals een beetje stof of een pollenkorrel), de afweerreactie op gang komt. Er worden IgEís geproduceerd die inwerken op bepaalde witte bloedcellen. Die witte bloedcellen gaan histamines produceren. Histamine zorgt er voor dat het neusslijmmvlies en de traanklieren te veel slijm en vocht gaan produceren, dat de doorbloeding van de weefsels stijgt waardoor jeuk kan ontstaan,Ö Het vermijden van blootstelling aan het antigeen (of in deze gevallen allergeen) is een belangrijke factor in de behandeling. Het vermogen om een allergische reactie te ontwikkelen is in belangrijke mate genetisch bepaald.
In extreme situaties heeft men bij allergieŽn te maken met een anafylactische shock. Hierbij ontstaat een levensbedreigende situatie door een allergische reactie in het lichaam. Het kan het gevolg zijn van een allergische reactie op bepaalde voedingsmiddelen zoals pinda of sesam, maar ook medicijnen of wespensteken kunnen een anafylactische shock veroorzaken. Als niet tijdig wordt ingegrepen, kan een anafylactische shock dodelijk zijn.
De symptomen van een anafylactische shock ontstaan binnen enkele minuten en kunnen soms uren aanhouden. Hoe sneller de symptomen ontstaan, des te ernstiger is meestal de reactie. De symptomen van zoín shock zijn in eerste instantie een prikkelend gevoel, jeuk en/of een metaalachtige smaak in de mond. Dit wordt vaak gevolgd door de volgende symptomen, die ook tegelijkertijd kunnen optreden: galbulten, gevoel van warmte, transpireren, braken, krampen, diarree, zwellingen in de mond en keel, ademhalingsmoeilijkheden en benauwdheidsklachten.
Een shock is zelden fataal als tijdig wordt ingegrepen. Bij een anafylactische shock is een adrenaline-injectie nodig om de reactie te stoppen.

3.2. Uitschakeling

Anderzijds kan de werking van het immuunsysteem verzwakt of uitgeschakeld zijn. Dit kan aangeboren zijn of ten gevolge van een infectie. Het best bekende voorbeeld is het HIV-virus dat er in slaagt het immuunsysteem uit te schakelen en AIDS (= acquired immuno defficiency syndrome) veroorzaakt. Het virus dringt bepaalde T-lymfocyten binnen en kan zich daar jarenlang bijna onopgemerkt verschuilen. Deze lymfocyten kunnen geen immuunreactie meer op gang brengen. Hun aantal vermindert daardoor maar het immuunsysteem blijft functioneren. Toch reageert het immuunsysteem op deze vreemde indringers door het vormen van antilichamen. Deze kunnen opgespoord worden: men is seropositief. De antilichamen kunnen echter het virus niet uitschakelen. Deze toestand kan soms jaren duren zonder verdere uitbraak van het virus.

Bovendien verplicht het AIDS-virus de T-lymfocyten om nieuwe virussen aan te maken. Die dringen op hun beurt nieuwe T-lymfocyten binnen. Op die manier vermindert het aantal T-lymfocyten gestaag. De afweer tegen banale infecties zoals verkoudheden neemt af. Het lichaam verzwakt en de kans op ernstige infectie neemt toe. Geneesmiddelen zijn er nog niet, maar recent onderzoek is er in geslaagd om de ontwikkeling van het virus tijdelijk af te remmen. Tot op heden is er nog steeds maar ťťn manier om geen HIV-infectie op te lopen: vrij veilig en wordt geen Ďdrugspuiterí.

3.3. Auto-immuunziekten

De MHC-moleculen zorgen er voor dat het lichaam een onderscheid maakt tussen lichaamseigen en lichaamsvreemde cellen. In sommige gevallen maken ze echter een vergissing en vallen ze lichaamseigen cellen aan.
Afhankelijk van de plaats in het lichaam waar dat gebeurt, worden verschillende aandoeningen onderscheiden:
* RheumatoÔde artrose: aantasting van de gewrichten.
* Ziekte van Crohn: aantasting van de darmwandcellen.
* Multiple sclerose: aantasting van de myelineschede van de zenuwen.

4.Weefseltransplantatie

Het immuunsysteem is er op gericht lichaamsvreemde moleculen te vernietigen. Het inbrengen van vreemd weefsel in een mens of dier (transplantatie) is dan ook niet eenvoudig. Een transplantatie heeft meest kans op succes bij een zo groot mogelijke overeenkomst in weefselkenmerken tussen donor en ontvanger. De ontvanger van het transplantaat wordt tevens behandeld met geneesmiddelen die de immuunreactie tegen het transplantaat onderdrukken.

5. Rhesusfactor

Als een rhesusnegatieve moeder in verwachting is van een rhesuspositief kind, dan spreken we van een rhesusbaby. In dat geval bestaat de kans dat de moeder antilichamen aanmaakt tegen het rhesuseiwit van het kind (bijvoorbeeld als het bloed van de baby in contact komt met dat van de moeder bij de geboorte). Voor deze baby is er geen enkel gevaar maar voor het volgende kind is er wel een probleem. De door de moeder gevormde antilichamen kunnen immers via de moederkoek de foetus bereiken en het bloed doen samenklonteren.

Veranderd door zwitterion, 03 juli 2007 - 22:29

Everything is chemistry.

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.




0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures