Springen naar inhoud

Weerstand


  • Log in om te kunnen reageren

#1

Fiesika

    Fiesika


  • >25 berichten
  • 85 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 02 augustus 2007 - 23:25

Ik ben bezig met een opgave over het berekenen van de warmeontwikkeling in een snoer. De drie formules die ik tot mijn beschikking heb zijn LaTeX , LaTeX en LaTeX . Het oplossen van de opgave is geen probleem, ik weet hoe ik de formules moet invullen om het goede antwoord krijgen. Wat mij stoort is dat ik niet precies begrijp wat nu het verschil is tussen de R uit de eerste formule en de R uit de tweede formule. Dat zijn namelijk twee totaal verschillende waarden.

Volgens mij bereken ik met de eerste formule de weerstand van het draad en de tweede formule de weerstand van het hele systeem (draad + apparaat). Klopt dat? Ik hoop dat mijn vraag een beetje duidelijk is.

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44877 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 02 augustus 2007 - 23:31

Als ik het goed begrijp is je "systeem" het snoer, en moet je daarvan de warmte-ontwikkeling bepalen. Dan moet je dus R kennen van je snoer, die je netjes uitrekent met de eerste formule.

Dan neem je de stroomsterkte die door je snoer loopt en de spanningsval ůver je snoer. Als er dus verder nog weerstanden in je opstelling zitten mag je die niet meerekenen door bijvoornbeeld de totale spanningsval over je hele opstelling te gaan meten en die U te noemen. De R moet in alle drie de formules dezelfde zijn. Anders ga je de warmte-ontwikkeling niet van je snoer alleen maar van je totale opstelling meten.
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270

#3

Fiesika

    Fiesika


  • >25 berichten
  • 85 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 03 augustus 2007 - 22:13

De opgave gaat inderdaad over het berekenen van de warmteontwikkeling in het snoer. Dit is de opgave en hier staan de antwoorden.

Wat die weerstanden uit mijn eerste vraag betreft, dat is mij nu duidelijk. Wel heb ik nog een andere vraag over de opgave.

Dit is mijn interpretatie ervan namelijk: De stroom komt via het stopcontact de snoer binnen en ondervindt op dat punt 0,225 Ohm weerstand. Vervolgens gaat de stroom het afstoomapparaat 'in' en ondervindt daar 22,1 Ohm weerstand. Dan moet de stroom weer terug het stopcontact in via het snoer en ondervindt dus weer 0,225 weerstand. Ik moet nu de warmteontwikkeling in het snoer bepalen, maar omdat de stroom verderop ook weerstand van het afstoomapparaat ondervindt moet ik die erbij optellen. Ik stel mij dit voor als een hoop deeltjes die bij het afstoomapparaat 'afgeremd' worden en vervolgens de achterliggende deeltjes die nog door de snoer aan het 'reizen' zijn ook tegenhouden, waardoor zij dezelfde weerstand ondervinden ondanks dat ze nog niet bij het apparaat zelf zijn. Klopt het als ik het mij zo voorstel?

#4

klazon

    klazon


  • >5k berichten
  • 6610 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 03 augustus 2007 - 22:59

Je maakt het ingewikkkelder dan nodig is. De voorstelling van deeltjes die door een snoer reizen en op hun weg allerlei avonturen beleven is niet correct. De stroom is op elke plaats in het circuit op elk moment hetzelfde.
De grootte van die stroom wordt bepaald door de netspanning en de totale weerstand van het hele circuit.
De warmteontwikkeling in het snoer wordt bepaald door de stroom en de weerstand van het snoer, de warmteontwikkeling in het stoomapparaat wordt bepaald door de stroom en de weerstand van het apparaat.
Moeilijker hoef je het niet te maken.

#5

aadkr

    aadkr


  • >5k berichten
  • 5441 berichten
  • Pluimdrager

Geplaatst op 03 augustus 2007 - 23:12

Je zou de totale weerstand kunnen zien als een serieschakeling van 3 weerstanden. De eerste weerstand is het snoer van 10 meter , R=0,233 Ohm . De tweede weerstand is de weerstand van de verwarmingsspiraal, deze is
R= U^2 /P = 230 ^2 /2400 = 22,042 Ohm. De derde weerstand is 10 meter snoer R=0,233 Ohm.
De vervangingsweerstand = de som van de 3 weerstanden= 0,233+22,042+0,233=.......Ohm.
Over deze weerstand wordt een spanning gezet van 230 Volt. De stroom door het snoer en spiraal is dan : I=U/R =
=230 Volt / 22,508 Ohm=10,218 Ampere
Warmte in snoer = I^2.R.t = I^2.R.1 =I^2 .R =10,218^2 . 0,233 = ..... Joule . En dit 2x doen.





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures