Springen naar inhoud

Genfrequenties


  • Log in om te kunnen reageren

#1

lucilius

    lucilius


  • >250 berichten
  • 254 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 16 april 2008 - 15:49

Ik heb een volgende oefening gevonden en ik vraag me af hoe je ze oplost.
Het is nogal lang geleden dat ik erfelijkheidsleer en dergelijke gezien heb en ik geraak er maar niet uit.
De opgave luidt letterlijk: Men vermoedt dat de uitscheiding van het sterk ruikende methaanthiol bij mensen geregeld wordt door het recessieve gen m. Niet uitscheiding komt door het dominante allel M.
Men vraagt dan de waarschijnlijkheid te berekenen dat we in 1 familie met 3 kinderen 2 kinderen aantreffen die het niet hebben en 1 kind dat het wel heeft.
En men zegt dat de frequentie van m = 0.4
en men zegt dat ouders beiden niet uitscheiders zijn.

Hoe begin je aan zoiets?

Ik zou eerst denken: je hebt 25% kans dat je een mm bent(50% Mm, 25% MM, 25% mm) , dus 1 kans op 4 dat een kind het heeft, maar men zegt dat de frequentie van m 0.4 is, met andere woorden: mm = 0.16 en dus 16% (geen 25%)

Nu weet ik dat mm= 0.16 is, maar dan?

Hoe ga je dan verder en verwerk je dat gegeven dat je 3 kinderen hebt en wat is de kans dat 1 van die 3 het mm gen heeft?

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.




0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures