Springen naar inhoud

[scheikunde] Massa natriumcarbonaat en natriumwaterstofcarbonaat in een mengsel


  • Log in om te kunnen reageren

#1

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 13 november 2008 - 21:10

Ik moet voor school een PO maken.
ik heb alleen echt geen id hoe ik dit moet gaan aanpakken;

hetvolgende is het geval:
we moeten 2.50 gram van een mengsel van natriumcarbonaat en natriumwatercarbonaat in een maatkolf van 250 mL doen en de oplossing aanvullen met gedistilleerd water aanvullen tot 250 mL.

leerling1:
pipetteer 25 mL van de oplossing in een 300 mL erlenmeyer.
voeg de indicator methyloranje toe en titeer de vloedistof in de erlenmeyer met een 0.1 M HCl-oplossing.
bij het eindpunt van deze titratie zal alle base in de oplossing met de Hcl in de oplossing hebben gereageert.
daarbij ontstaat koolzuur.

leerling2:
Pipetteer 25 mL van de oplossing in een 300 mL erlenmeyer.
voeg de indicator fenolftaleien toe en titeer de vloedistof in de erlenmeyer met een 0.1 M HCl-oplossing.
bij het eindpunt van deze titratie zal alleen de base van natriumcarbonaat met de Hcl in de oplossing hebben gereageert.
daarbij ontstaat waterstofcarbonaat.


Alsvast erg bedankt!

De Vraag:
" wat is de massa van het natriumcarbinaat en de natriumwaterstofcarbonaat in het gebruikte mengsel? "

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 13 november 2008 - 21:26

De Vraag:
" wat is de massa van het natriumcarbinaat en de natriumwaterstofcarbonaat in het gebruikte mengsel? "


Ik neem aan dat men hier bedoelt hoeveel grammen van elk zaten er in de oorspronkelijke 250ml (of per liter uitgedrukt), aangezien de massa van een molecule altijd dezelfde is, ongeacht zijn concentratie.


we zullen dan maar eens beginnen.
We weten uit het eerste deel van de opgave enkele dingen
- we hebben te maken met enerzijds LaTeX , en anderzijds LaTeX
(let op: de tweede stof is natriumwaterstofcarbonaat, niet natriumwatercarbonaat. Klinkt als een klein verschil, maar is best een groot verschil !!)

Wat is het verband tussen deze 2 stoffen als je met een zuur gaat werken ?
Wat gaat er met LaTeX gebeuren als je verder aanzuurt?


Uit het eerste proefje kunnen we weer wat afleiden:
Je gaat als je dit proefje doet moeten kijken naar een kleuromslag. Dit weet je op voorhand, aangezien MO een kleuromslag-indicator is.Hij gaat dus van kleur veranderen (rood < pH4, geel > pH4 ) bij verandering van pH.

Je weet overigens dat je HCl een concentratie van 0.1mol/l heeft.
Stel dat je 10ml moet toevoegen (ter illustratie), heb je 10/1000 van een liter toegevoegd. Je hebt dus 1/100 keer het aantal mol genomen dat in 1 liter zit.
Op deze manier kan je perfect uittellen hoeveel mol HCl je gebruikt hebt.

Kan je eens in eigen woorden zeggen wat er hier gebeurt bij het aanzuren? Waar zit de link tussen het vinden van de hoeveelheid toegevoegde HCl en de bepaling van de massa van je stofjes ?


Uit die 2e proef kan je ook een hoop informatie halen:
Je gaat fenolftaleine gebruiken. Opnieuw een kleuromslag-indicator, dus opnieuw kijken naar de kleur.
(kleurloos = zuur + neutraal, base = paars/blauw).
Zodra de indicator omslaat, zit je dus in neutraal gebied.
Opnieuw kan je met dezelfde methode als opgave 1 uittellen hoeveel mol HCl je hebt toegevoegd.

Welke stof zoek je in het tweede proefje?
Wat is de link met dat eerste proefje ?
Welke conclusie kan je dus trekken ?


Probeer de cursieve vraagjes eens te beantwoorden en beargumenteren als je twijfelt. Wij zullen graag bijsturen waar je het nog niet snapt, maar bij vraagjes als deze is het cruciaal dat je de opgave snapt. Anders ga je papegaaien-werk uitvoeren tijdens de proefjes zelf, en loopt het gegarandeerd mis.

Veranderd door ToonB, 13 november 2008 - 21:29

"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#3

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 13 november 2008 - 23:18

Stel:

Mol HCL= 0,136 titratie met methyloranje
2,5gram mengsel in een maatkolf van 250mL
toegevoegde HCL = 26,49 ( eerste keer )
toegevoegde HCL = 27.24 (tweede keer)

welke berekeningen moet ik uitvoeren om van deze gegevens uit te komen op het aantal grammen van de stof?

heel erg bedankt al voor je uitleg iig!

Veranderd door shei-laa, 13 november 2008 - 23:18


#4

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 13 november 2008 - 23:29

De link tussen de 2 opgeloste stoffen:

LaTeX gaat in waterig midden volledig oplossen. Je krijgt dus
LaTeX

LaTeX gaat gedeeltelijk opspliten, maar ietsjes anders.
LaTeX

Dit LaTeX gaat zich als base gedragen.
Hij heeft liever een waterstofje bij zich, om die 2- weg te werken, en gaat proberen om
LaTeX te vormen.


De link met het zure milieu:
Er gaat een evenwicht ontstaan in aangezuurd water, waarbij LaTeX gaat proberen om een extra waterstof vast te krijgen. Hij zal proberen om
LaTeX te vormen. Maar tegelijkertijd zal dit koolzuur proberen om die 2e H terug kwijt te spelen.
Het is een beetje als een wedstrijd touwtrekken. Uiteindelijk zal ergens een evenwicht ontstaan, en dit noemt men ook wel eens een buffer.

Als we blijven aanzuren, gaan we extra LaTeX ionen toevoegen. We gaan aan een kant van het wedstrijdtouw als het ware wat extra stevige mannen laten helpen.
Het evenwicht zal verschuiven, en uiteindelijk zelfs overschreden worden.
Het is op dit moment dat je indicator ook zal omslaan van kleur, en alle carbonaat en waterstofcarbonaat-ionen in je oplossing zullen in koolzuur zijn omgezet.

Op deze manier weet je dus het volgende:
1) mijn LaTeX heeft 2 waterstof-ionen nodig om koolzuur te kunnen vormen
2) mijn LaTeX heeft nog 1 waterstofion nodig om koolzuur te vormen

Aangezien je kan uittellen hoeveel H+ ionen je hebt toegevoegd, kan je dus ook zeggen:
De hoeveelheid toegevoegde waterstof-ionen waren net genoeg om mijn BEIDE stoffen in mijn mengsel om te zetten in koolzuur


Bij de 2e proef ga je met fenolftaleine werken.
Je ging dus alleen LaTeX ionen gaan omzetten in LaTeX ionen.
Aangezien LaTeX afkomstig was van je natriumcarbonaat, kom je het volgende te weten:

1) Je weet hoeveel waterstof-ionen je hebt toegevoegd (uittellen mbv volume).
2) Je weet dat al deze waterstof-ionen net genoeg waren om alle LaTeX om te zetten in LaTeX ionen
3) Je weet dus dat je voor iedere mol HCl die je toevoegt, je ook 1 mol LaTeX had.


Als je dus na proefje 2 weet hoeveel mol LaTeX er in je monster zat, kan je doorredeneren op proef 1.

In proef 1 moet je voor iedere LaTeX , 2 waterstof ionen toevoegen, om koolzuur te maken.
Je weet al hoeveel mol LaTeX je had, dus doe deze x2 en je weet hoeveel waterstof ionen in proef 2 uitsluitend naar LaTeX gingen.

Hoeveel mol waterstof ionen heb je nog toegevoegd ?
Ieder overschottig waterstof ion, werd dus gebruikt voor het omvormen van LaTeX naar koolzuur.


Op deze manier kan je snel en eenvoudig berekenen hoeveel er van beide in je buisjes zat.

---------------------------------------------------------------------------------------------

Een voorbeeldje voor jou om uit te tellen: Probeer dit eens uit te tellen. Als je ergens de mist in gaat, is hier niemand die gaat lachen, of stoer doen. Waar een fout zit, zullen we met plezier verbeteren. Als het al van de eerst keer juist is, des te beter !!.

Het is echter voor je eigen bestwil van belang om dit zelf te proberen, en ons te laten corrigeren waar nodig. Chemie komt vooral neer op een kwestie van oefenen, oefenen en dan nog eens oefenen.
Het inzicht kweken in dit soort vraagstukken, kan je alleen door af en toe eens een dikke fout te maken, en eruit te leren ben ik bang :D

Hopelijk ben je al wat meer met de uitleg van hierboven, om dit voorbeeld uit te tellen.

Je krijgt 100 ml oplossing van de leerkracht, met daarin een bepaalde hoeveelheid van beide stoffen.

1) Proefje 1 met methyloranje:
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 250 ml, en doe een titratie met HCl. Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol/l en je gebruikt 28 ml tot je MO omslaat.

2) proefje 2 met fenolftaleine
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 250 ml en doe een titratie met HCl. Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol.l en je gebruikt 10 ml tot je kleur omslaat.

Vraag: hoeveel gram van elke stof zat er in de oorspronkelijke 100ml oplossing die je kreeg van de leerkracht ?
"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#5

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 13 november 2008 - 23:50

Ik heb hier in een verborgen antwoord even de uitleg en oplossing geplaatst van mijn voorbeeld oefening.
Doe je die van jou even zélf ? Ik wil hem gerust nakijken en verbeteren, maar het is cruciaal om dit te oefenen. Daar kan ik niet genoeg op hameren.

Als je ergens vastloopt, kan je hier altijd ff checken.
Maar eerst zelf proberen !! anders loop je tijdens je testen ofzo gewoon tegen de lamp, omdat je de denkwijze en algemene oplossingsmethode niet voldoende beheerst.

Verborgen inhoud

1 mol LaTeX weegt (2x 23 + 12 + 3x 16= 106) 106 g
1 mol LaTeX weegt ( 23 + 1 + 12 + 3x16= 84) 84 g

Nu gaan we achterwaarts beginnen tellen, met proefje 2. Ik zou persoonlijk eerst proef 2 gedaan hebben, maar je opgave zegt doe eerst proef 1, dus dat doen we.
Maar met berekenen beginnen we met proef 2, aangezien je daar al dadelijk een van de stoffen kan uittellen .


Eerste deel:

In proef 2 voegen we 10ml HCl toe. Je weet dat de concentratie HCl = 0.1mol/l
Maw: we namen 1/100 liter oplossing, waar 0.1mol HCl in iedere liter zat.
We hebben dus 0.1/100 = 0.001 mol HCl toegevoegd.

HCl is eenwaardig, dus iedere molecule HCl gaat 1 waterstof atoom leveren.

Zoals in de lange uitleg staat, gaat er in proef 2, het carbonaat-ion omgezet worden in waterstofcarbonaat-ion.
Voor ieder H-ion dat we toevoegen, gaat er dus 1 carbonaat-ion omgezet worden.

Aangezien we 0.001 mol LaTeX ionen toevoegden, weten we dus ook dat er 0.001 mol LaTeX moleculen in onze oplossing zaten.

Tweede deel
In proefje 1 voegden we 28ml HCl toe. Dit komt dus overeen met (28/1000) x 0.1mol.
Maw: we voegden 0.0028 mol waterstof-ionen toe.

We hadden reeds aangetoond dat er 0.001 mol LaTeX in onze 25ml zat.
Aangezien deze moleculen 2 waterstof-ionen per stuk nodig hebben om naar koolzuur om te vormen, hebben ze dus tesamen al 0.002 mol van de waterstof-ionen ‘opgebruikt’ om koolzuur te vormen.

Maw: er resten nog 0.0008 mol waterstof-ionen om LaTeX om te vormen naar koolzuur.
Iedere molecule LaTeX gebruikt 1 LaTeX ion om koolzuur te vormen.
Er waren dus ook 0.0008 mol LaTeX moleculen in onze 25 ml.

De vraag was echter hoeveel er in onze 100ml zaten.
Wel: als er respectievelijk 0.001 en 0.0008 mol in 25ml zit, dan zit er 0.004 en 0.0032 mol in de 100 ml.

De vraag was ook: hoeveel gram? Wel, we weten hoeveel 1 mol van elke stof weegt.
Dit gewicht is dus snel uitgerekend.

"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#6

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 15 november 2008 - 18:33

Heel erg bedankt, ik ga het morgen even zelf doen, dan post ik was ik doe,
zou je dat dan eventueel willen bijsturen of verbeteren als je er foutjes in ziet?

groetjes,
Sheila

#7

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 15 november 2008 - 18:53

Natuurlijk. Je kan de uitwerking hier best zetten. (als je niet weet hoe latex werkt kan je zelfs een word of excel bestand hier in het clipboard zetten dacht ik).
Ik wil hem gerust ff nakijken en verbeteren waar (of indien) nodig.
"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#8

Jan van de Velde

    Jan van de Velde


  • >5k berichten
  • 44877 berichten
  • Moderator

Geplaatst op 15 november 2008 - 18:57

(als je niet weet hoe latex werkt.............


SO42- omzetten in het leesbare SO42- kan ook prima met super- en subscriptjes (onder de Aa-knop)

Als je vaker SO42- moet typen is het een idee om dat in je werktekst voorlopig te typen als sulf of zo, en dan een eenmalig getypte SO42- met subscripttags en al over dat sulf heen te plakken. Werkt best vlot.

NB: als je het eerst in Word doet en dan hierheen kopieert gaat de opmaak geheel verloren. (tenzij je het wordbestand in een bijlage stopt natuurlijk, maar dat is dan weer wat lastiger voor helpers, en minder waardevol als naslagmateriaal, want dan gaat de discussie over de vouten zich onvermijdelijk in steeds maar open en dicht te klikken bijlagen afspelen.)
ALS WIJ JE GEHOLPEN HEBBEN....
help ons dan eiwitten vouwen, en help mee ziekten als kanker en zo te bestrijden in de vrije tijd van je chip...
http://www.wetenscha...showtopic=59270

#9

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 20 november 2008 - 17:47

Haai,
ik had vd week helaas geen internet en moet het nu dus helaas op t laatste moment doen,
vandaar dat mijn antwoord nu pas komt.

Je maakt een oplossing van 250 mL (met 2.47g natiumcarbonaat en natriumwaterstofcarbonaat) ,
met daarin een bepaalde hoeveelheid van beide stoffen.

1) Proefje 1 met methyloranje:
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 300 ml, en doe een titratie met HCl.
Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol/l en je gebruikt 29.6 ml tot je MO omslaat.

2) proefje 2 met fenolftaleine
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 300 ml en doe een titratie met HCl.
Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol.l en je gebruikt 8.3 ml tot je kleur omslaat.

Vraag: hoeveel gram van elke stof zat er in de oorspronkelijke 250 ml oplossing die je gemaakt hebt?

1 mol weegt (2x 23 + 12 + 3x 16= 106) 106 g
1 mol weegt ( 23 + 1 + 12 + 3x16= 84) 84 g

Nu gaan we achterwaarts beginnen tellen, met proefje 2. Ik zou persoonlijk eerst proef 2 gedaan hebben, maar je opgave zegt doe eerst proef 1, dus dat doen we.
Maar met berekenen beginnen we met proef 2, aangezien je daar al dadelijk een van de stoffen kan uittellen .


Eerste deel:

In proef 2 voegen we 8.3ml HCl toe. Je weet dat de concentratie HCl = 0.1mol/l
Maw: we namen 1/100 liter oplossing, waar 0.1mol HCl in iedere liter zat.
We hebben dus 0.1/100 = 0.001 mol HCl toegevoegd.

HCl is eenwaardig, dus iedere molecule HCl gaat 1 waterstof atoom leveren.

Zoals in de lange uitleg staat, gaat er in proef 2, het carbonaat-ion omgezet worden in waterstofcarbonaat-ion.
Voor ieder H-ion dat we toevoegen, gaat er dus 1 carbonaat-ion omgezet worden.

Aangezien we 0.001 mol ionen toevoegden, weten we dus ook dat er 0.001 mol moleculen in onze oplossing zaten.

Tweede deel
In proefje 1 voegden we 29.6 ml HCl toe. Dit komt dus overeen met (29.6/1000) x 0.1mol.
Maw: we voegden 0.00296 mol waterstof-ionen toe.

We hadden reeds aangetoond dat er 0.001 mol in onze 25ml zat.
Aangezien deze moleculen 2 waterstof-ionen per stuk nodig hebben om naar koolzuur om te vormen, hebben ze dus te samen al 0.002 mol van de waterstof-ionen ‘opgebruikt’ om koolzuur te vormen.

Maw: er resten nog 0.0008 mol waterstof-ionen om om te vormen naar koolzuur.
Iedere molecule gebruikt 1 ion om koolzuur te vormen.
Er waren dus ook 0.0008 mol moleculen in onze 25 ml.

De vraag was echter hoeveel er in onze 250ml zaten.
Wel: als er respectievelijk 0.001 en 0.0008 mol in 25ml zit, dan zit er 0.004 en 0.0032 mol in de 250 ml.
0.004 x 106 = 0.424 g
0.0032 x 84 = 0.2688 g

Maar dat kan toch nooit kloppen aangezien ons mengsel van natriumcarbonaat en natriumwaterstofcarbonaat 2.47 g woog?

ik hoor graag van u !

groetjes!

Veranderd door shei-laa, 20 november 2008 - 17:48


#10

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 20 november 2008 - 18:00

Maar dit was een voorbeeldje met fictieve concentraties en volumes dat ik verzon om de werkwijze te illustreren.
Het is aan jou om dit voorbeeld te interpreteren, en te laten bezinken.

Kijk daarna even of je nu met deze werkmethode, ook jouw voorbeeldje kan uittellen.
Daarbij kan ik je helpen als je die uitwerking hier post, en het nakijken of bijsturen.

Maar het is voor je eigen belang dat ik niet gewoon de uitkomst van jouw oefening schrijf, maar dat ik je een werkmethode probeer aan te brengen.
Op die manier kan je gelijkaardige problemen vaak oplossen, ondanks het feit dat je geen rechstreekse formule krijgt.

Het kiezen van de juiste formule, komt immers voort uit het 'snappen' van die formules.
Als je dit voorbeeld snapt, kan je een gelijkaardig probleem uitwerken in eender welke concentraties, volumes, en wat dan nog...


Dus probeer met mijn methode even jouw voorbeeld uit te werken (dus met jouw getalletjes), en kijk wat dat geeft.
"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#11

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 20 november 2008 - 18:14

ik heb je een personal berichtje gestuurt met daarin hoe ik denk dat het moet,

alleen snap ik nog niet helemaal hoe ik bereken waar de vraagtekens staan...


groetjes!

#12

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 20 november 2008 - 18:38

Hoewel de forumregels zeggen dat PB's niet gepost mogen worden, ga ik deze regel even schenden, en ter verduidelijking jouw PB gebruiken.

Indien je dit liever niet hebt, mag je mij of een mod iets laten weten, en dan kunnen we het alsnog terug verwijderen

Jouw versie van de berekening was dus

ik heb mijn berekening even aangepast. die op het forum klopt niet.

de vraagtekens snap ik alleen nog niet van hoe ik die uit moet rekenen.

groetjes.



Je maakt een oplossing van 250 mL (met 1.47g natiumcarbonaat en natriumwaterstofcarbonaat) ,
met daarin een bepaalde hoeveelheid van beide stoffen.

1) Proefje 1 met methyloranje:
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 300 ml, en doe een titratie met HCl.
Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol/l en je gebruikt 29.6 ml tot je MO omslaat.

2) proefje 2 met fenolftaleine
pipeteer 25ml over in een erlenmeyer van 300 ml en doe een titratie met HCl.
Je HCl heeft een concentratie van 0.1 mol.l en je gebruikt 8.3 ml tot je kleur omslaat.

Vraag: hoeveel gram van elke stof zat er in de oorspronkelijke 250 ml oplossing die je gemaakt hebt?

1 mol weegt (2x 23 + 12 + 3x 16= 106) 106 g
1 mol weegt ( 23 + 1 + 12 + 3x16= 84) 84 g

Nu gaan we achterwaarts beginnen tellen, met proefje 2. Ik zou persoonlijk eerst proef 2 gedaan hebben, maar je opgave zegt doe eerst proef 1, dus dat doen we.
Maar met berekenen beginnen we met proef 2, aangezien je daar al dadelijk een van de stoffen kan uittellen .


Eerste deel:

In proef 2 voegen we 8.3ml HCl toe. Je weet dat de concentratie HCl = 0.1mol/l
Maw: we namen 0.83/100 liter oplossing, waar 0.1mol HCl in iedere liter zat.
We hebben dus 0.083/100 = 0.00083 mol HCl toegevoegd.

Tot hier klopt het al. Je hebt dus eigenlijk berekend hoeveel mol waterstof ionen er in die 8.3ml HCl-oplossing zaten.

HCl is eenwaardig, dus iedere molecule HCl gaat 1 waterstof atoom leveren.

Zoals in de lange uitleg staat, gaat er in proef 2, het carbonaat-ion omgezet worden in waterstofcarbonaat-ion.
Voor ieder H-ion dat we toevoegen, gaat er dus 1 carbonaat-ion omgezet worden.

Aangezien we 0.00083 mol ionen toevoegden, weten we dus ook dat er 0.00083 mol Natriumcarbonaat-moleculen in onze oplossing zaten.

Goed overzicht houden over welke moleculen het gaat. De oefening snappen is zeker even belangrijk als hem goed uitkomen. Beiden zijn vaak ook nauw aan elkaar verbonden. De cijfers zitten nog steeds goed.

Tweede deel
In proefje 1 voegden we 29.6 ml HCl toe. Dit komt dus overeen met (29.6/1000) x 0.1mol.
Maw: we voegden 0.00296 mol waterstof-ionen toe.

Hier bereken je opnieuw gewoon hoeveel mol waterstof ionen in die 29.6ml water zaten. De cijfers kloppen nog

We hadden reeds aangetoond dat er 0.00083 mol in onze 25ml zat.
Aangezien deze moleculen 2 waterstof-ionen per stuk nodig hebben om naar koolzuur om te vormen, hebben ze dus te samen al 0.00166 mol van de waterstof-ionen ‘opgebruikt’ om koolzuur te vormen.

Hier kan je even niet meer volgen, dus zullen we het uitleggen:
In dat potje zijn er 2 dingen die gebeuren. Ze gebeuren eigenlijk tegelijkertijd, maar voor de uitleg doen we even alsof ze na elkaar gebeuren.

1) Alle carbonaat ionen (afkomstig van je natriumcarbonaat) omzetten naar koolzuur.
LaTeX



2) Alle waterstofcarbonaat ionen (afkomstig van je natriumwaterstofcarbonaat) omzetten naar koolzuur.
LaTeX

Je hebt nu in proefje 1 berekend, dat er 0.00083 mol natriumcarbonaat ionen waren.
MAW:
LaTeX
Voordat je aan stap 2 begint, ga je dus al die 0.00083 mol natriumcarbonaat hebben omgezet.
Alles dat je nu nog toevoegt, zal dus integraal naar je natriumwaterstofcarbonaat gaan.

Je voegde in het totaal 0.00296 mol waterstof ionen toe.
Er zijn er dus (0.00296 - 0.00166) = 0.00130 mol waterstof ionen die nog niet gebruikt zijn.

Iedere mol natriumwaterstofcarbonaat gebruikt er eentje, dus er zaten 0.00130 LaTeX moleculen in je oorspronkelijke oplossing.

Kan je deze mollen even omrekenen naar de massa die ze hebben? Komt de som uit ?

Veranderd door ToonB, 20 november 2008 - 18:39

"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#13

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 20 november 2008 - 19:04

Oeps, klein typfoutje.
Die regel op het einde moet uiteraard zijn:

Iedere mol natriumwaterstofcarbonaat gebruikt er eentje, dus er zaten 0.00130 mol LaTeX

moleculen in je oorspronkelijke oplossing.

"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I

#14

shei-laa

    shei-laa


  • 0 - 25 berichten
  • 16 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 20 november 2008 - 23:27

0.00130 mol x 84 = 0.1378 g natriumwaterstofcarbonaat
0.0083 mol x 106 = 0.8798 g natriumcarbonaat

klopt dat zo?

maar het moet bij elkaar toch die 2.47 zijn? :D

#15

ToonB

    ToonB


  • >250 berichten
  • 817 berichten
  • VIP

Geplaatst op 20 november 2008 - 23:41

Klopt niet helemaal.

eerste foutje:
het is 0.00083, je zou dus al 0.08798 g moeten hebben.

Dat is wat er in 25ml zit, maar kijk eens goed

we moeten 2.50 gram van een mengsel van natriumcarbonaat en natriumwatercarbonaat in een maatkolf van 250 mL doen en de oplossing aanvullen met gedistilleerd water aanvullen tot 250 mL.


pipetteer 25 mL van de oplossing


Voorlopig hadden we dus berekend hoeveel er in die 25ml zat.
Die massa's moeten dus x10

je krijgt dan m1 + m2 = 1.378g + 0.8798 g = 2.26g

Die 'ontbrekende' 0.21 g kan aan de volgende dingen liggen
1) de concentratie HCl was mogelijk niet 'exact' 0.1mol, waardoor je berekening iets anders liggen
2) door kleine foutjes met de titratie kan er een fout ontstaan in je waardes
ik denk hiervoor bijvoorbeeld aan oplossing tegen de zijrand van je maatbekers. Als je met zulke kleine getalletjes werkt, kunnen alle druppeltjes tellen.
3) Omdat je met een buffer werkt, is het soms moeilijk om een geschikte indicator te vinden. Het kan zijn dat de indicatoren net te vroeg of net te laat omslaan.
4) Je glaswerk was mogelijk vuil? dit wil in schoollabo's al eens gebeuren.
5) het afwegen verliep foutief? Heb je met nettogewicht en tarragewicht gewerkt voor je opvangbakje (of een blad, of waar je de stof ook opdeed?)
6) Je pipet was mogelijk niet meer goed geijkt of is onnauwkeurig gehanteerd.(als er iets te warm inkomt kunnen er behoorlijke verschillen in komen, ook na het afkoelen nog, vorig jaar op school gehad)

Al bij al komt de waarde in de buurt van hetgeen je moet uitkomen. Er is een fout van ongeveer 8-9% maar die zou ik echt steken op onnauwkeurigheden.
Ik heb voor de veiligheid de methode nog eens nagekeken (ik maak immers ook foutjes), maar die lijkt me bij het nakijken volledig correct.

Ik weet niet of je een verslag oid moet indienen, maar als je de gevonden waardes en berekening uitwerkt, en de bovenstaande uitleg erboven schrijft zou het vrij goed moeten zitten.
Als de leerkracht ziet dat je redeneert over een probleem, en inziet dat je niet blindelings wat zit in te vullen, is hij/zij vaak milder.
En je waarde is niet eens ZO afschuwelijk veraf.

Veranderd door ToonB, 20 november 2008 - 23:46

"Beep...beep...beep...beep"
~Sputnik I





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures