Springen naar inhoud

Hoe ontstaan virussen?


  • Log in om te kunnen reageren

#1


  • Gast

Geplaatst op 21 januari 2005 - 22:01

iemand?

Dit forum kan gratis blijven vanwege banners als deze. Door te registeren zal de onderstaande banner overigens verdwijnen.

#2

Rogier

    Rogier


  • >5k berichten
  • 5679 berichten
  • VIP

Geplaatst op 21 januari 2005 - 22:24

Door mensen die goed kunnen programmeren en zich vervelen of wrok voelen tegen de maatschappij? :shock:
In theory, there's no difference between theory and practice. In practice, there is.

#3

Robjee

    Robjee


  • >100 berichten
  • 209 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 21 januari 2005 - 22:31

Hallo,

Om het mezelf even makkelijk te maken post ik de gehele tekst.
Interesante informatie overigens en ik hoop dat je er een bevredigend antwoord uit kunt halen!

Ieder virus heeft een karakteristieke structuur, grootte en vorm. De grootte van virussen ligt tussen 300 nm (pokkenvirus) en ca. 20 nm (parvovirussen, sommige picornavirussen). De eenvoudigste virussen (bijv. poliovirus en TMV) bevatten uitsluitend nucleÔnezuur en eiwit. Vele virussen bevatten echter ook lipiden, als een van de gastheercel afkomstige membraan rond het nucleoproteÔne, zoals bij de myxovirussen, herpesvirussen, togavirussen, retrovirussen en pokkenvirussen. Dikwijls worden ook koolhydraten aangetroffen (in glycoproteÔnen), terwijl bij o.m. bacteriofagen, plantenvirussen en sommige dierlijke virussen polyaminen gevonden worden, die de fosforzuurgroepen van de nucleÔnezuren neutraliseren.

In tegenstelling tot de levende cel bevatten virussen slechts ťťn soort nucleÔnezuur. Bij de plantenvirussen is dit meestal RNA (ribonucleÔnezuur); in een aantal gevallen is DNA (desoxyribonucleÔnezuur) aangetroffen.

Het plantenvirus-RNA is meestal enkelstrengig, maar dubbelstrengs-RNA (o.a. bij wondtumorvirussen, reovirussen en virussen van schimmels) is ook waargenomen. Het plantenvirus-DNA komt voor zowel in een dubbelstrengs vorm (cauliflower-mozaÔekvirus) als in een enkelstrengs vorm (gemini-virussen).

De virussen van dieren, insecten en bacteriŽn bevatten DNA of RNA. Het DNA is meestal dubbelstrengig, maar sommige bacteriofagen en enkele dierlijke virussen bevatten enkelstrengig DNA. Het RNA in deze virussen is meestal enkelstrengig, maar de dubbelstrengsvorm is aangetroffen o.a. bij reovirussen en het insectenvirus cytoplasmatisch polyhedrosisvirus.

 2.1 Bouw

Het rijpe (structureel volledige), infectieuze virusdeeltje wordt het virion genoemd. Virus of virusdeeltje zijn synoniemen.

Capside Ė ook genoemd eiwitmantel of eiwitkapsel Ė is de term die gegeven is aan de eiwitten die op geordende wijze gerangschikt zijn rondom het virus-nucleÔnezuur en dit als het ware omkapselen. De combinatie van nucleÔnezuur en het eiwitkapsel wordt aangeduid met nucleocapside. Het binnenste (nucleÔnezuur plus [een] eiwit dat daarmee is geassocieerd) noemt men core (Eng.). De eiwitmantel bepaalt dikwijls Ė nl. als er geen envelop (zie hierna) is Ė de vorm van het virion, beschermt het nucleÔnezuur tegen ongunstige milieu-invloeden en heeft een functie bij het binnendringen van het virus in de cel. Dit laatste wordt bereikt doordat het eiwit zorgt voor aanhechting aan de celmembraan of zelfs doordat het betrokken is bij de actieve injectie van virusnucleÔnezuur in de cel (bij sommige bacteriofagen). In het capside, en tevens in de envelop, komen soms ook eiwitten voor met een enzymatische functie, bijv. voor het oplossen van de celwand of slijmlagen tijdens het binnendringen van het virus in de cel. Ook worden enzymen aangetroffen, die in de cel ontbreken, en die het virus nodig heeft om zijn genetische nucleÔnezuurcomponent te kunnen vermeerderen (bijv. reverse transcriptase bij retrovirussen; RNA-transcriptase en nucleotide-fosfohydrolase bij vacciniavirus).

 2.2 Vormen

Het aantal vormen waarin virusdeeltjes in de natuur voorkomen, is beperkt. Sommige virussen (bijv. TMV) zijn staafvormig, de meeste min of meer bolvormig, terwijl de meest complexe vormen gerealiseerd zijn bij sommige bacteriofagen waarbij Ďkopí, Ďstaartí en staartfibrillen worden onderscheiden.

Uit (bio)chemisch, elektronenmicroscopisch en rŲntgendiffractie-onderzoek is gebleken dat de natuur voornamelijk twee basisprincipes hanteert om een virusdeeltje op te bouwen uit subeenheden: de helix(schroeflijn)symmetrie en de icosaŽder(twintigvlak)symmetrie.

Bij staafvormige virionen zijn de identieke subeenheden gerangschikt in een schroef. Een dergelijke helixsymmetrie is het natuurlijke gevolg van het telkens weer optreden van dezelfde binding tussen de opeenvolgende subeenheden. Het staafvormige virus TMV heeft 2130 subeenheden in een helix gerangschikt; in de binnenholte van deze schroefvormige eiwitbuis bevindt zich het nucleÔnezuur. Helixsymmetrie treft men echter ook aan bij bolvormige virussen die zijn uitgerust met een envelope (Eng., in het Nederlands envelop), verwarrenderwijze ook wel mantel, huls of kapsel genoemd. Bij deze virussen, waarvan het assemblageproces (rijpingsproces) plaatsvindt aan de celmembraan, is het nucleocapside omgeven door een membraan bestaande uit lipiden, koolhydraten en (glyco)proteÔnen. Het nucleocapside zelf bezit een uitgerekte structuur met meestal helixsymmetrie die vaak in opgerolde vorm in de envelop wordt aangetroffen.

De meeste Ďbolvormigeí of isometrische virussen blijken echter te zijn opgebouwd uit capsomeren (morfologische eenheid, zichtbaar via de elektronenmicroscoop, bestaande uit subeenheden), gerangschikt in een deltaŽder (een veelvlak waarvan de vlakken bestaan uit gelijkzijdige driehoeken); het aantal vlakken bedraagt altijd 20 of een veelvoud daarvan (men noemt zulke veelvlakken wel icosadeltaŽder).

Meer complexe virussen, zoals de T-bacteriofagen, bezitten beide symmetrie-elementen: de Ďkopí een icosaŽdersymmetrie, de Ďstaartí en fibrillen een helixsymmetrie.

 3. DISSOCIATIE EN ASSOCIATIE

Verschillende virussen kunnen experimenteel gesplitst worden in nucleÔnezuur en eiwit, waarbij ook de individuele capsomeren verkregen worden. Slaagt men erin het naakte nucleÔnezuur in een gevoelige (= Ďvatbareí) cel te brengen, dan kan dit nucleÔnezuur aanleiding geven tot de aanmaak van complete virionen. De erfelijke informatie van het virus zit dus uitsluitend in het nucleÔnezuur.

In een aantal gevallen is het mogelijk gebleken om, buiten de cel, uit de gedissocieerde componenten weer complete virionen te maken. Met name subeenheden van TMV bezitten een dusdanige affiniteit voor elkaar dat ze spontaan overgaan tot de vorming van capsiden. Men noemt dit proces zelf-assemblage, omdat alle informatie nodig voor het tot stand komen van de bepaalde vorm (capside) besloten ligt in de structuur van de individuele bouwstenen (subeenheden).

 4. VIRUSINFECTIE

Vermeerdering van virusdeeltjes kan alleen geschieden in levende cellen, omdat deze zijn uitgerust met energie-producerende eenheden (mitochondriŽn) die in het virusdeeltje ontbreken. Ook de enzymen en celstructuren die nodig zijn voor de aanmaak van virus DNA en viruseiwitten worden van de gastheercel geleend. Het proces van virusvermeerdering verloopt in het algemeen als volgt:

 4.1 Aanhechting

Het virus hecht zich op bepaalde, specifieke plaatsen van de celmembraan. Sommige virussen bezitten herkenbare aanhechtingsstructuren (bijv. de staartfibrillen bij een aantal bacteriofagen, de penton fibers bij adenovirussen, en de spikes [Eng.], glycoproteÔnen voorkomend in de envelop van een aantal virussen). Aanhechting van ťťn virusdeeltje is reeds voldoende om het infectieproces in de cel op gang te zetten. Indien een virus niet kan aanhechten, zal geen infectie optreden. Alleen cellen die de juiste aanhechtingsplaatsen bezitten, zijn gevoelig voor infectie van het desbetreffende virus.

 4.2 Penetratie

Na aanhechting aan de celmembraan dringt het virion de cel binnen. Bij het binnendringen van virionen in de dierlijke cel wordt van (ten minste) twee verschillende mechanismen gebruik gemaakt:

bij penetratie door endocytose maakt het virus gebruik van bestaande celactiviteiten, die nodig zijn om macromoleculen op te nemen. Na de aanhechting van het virion wordt door afsnoering van de membraan een Ďcoated vesicleí gevormd. Deze versmelt in het cytoplasma van de cel met bijv. een lysosoom. Onder invloed van de zure pH zal in het secundaire lysosoom de virusenvelop aangetast worden en het nucleocapside vrijkomen in het cytoplasma.

Bij penetratie door fusie vindt fusie plaats tussen een envelopeiwit van het virion en de celmembraan, waarna het nucleocapside waarschijnlijk direct in het cytoplasma terechtkomt.

Welke van deze twee mechanismen het meest effectief is, is niet duidelijk. Wel is bekend dat verreweg de meeste virionen die de cel binnendringen, geen virusvermeerdering teweeg brengen. Penetratie in de bacterie- of plantencel is in het algemeen moeilijker dan bij een dierlijke cel, omdat deze cellen behalve een membraan ook nog een taaie celwand bezitten.

Bacteriofagen zijn in staat het nucleÔnezuur direct in de bacteriecel te injecteren. Bij dit proces fungeert de staart, die samentrekt, als Ďinjectienaaldí.

 4.3 Vermenigvuldiging

De synthese van de viruscomponenten in de cel is onderhevig aan strikte controle. Op welke wijzen de Ďomleggingí van de synthetiserende activiteit van de cel in de richting van synthese van virusdeeltjes tot stand komt, is in de meeste gevallen nog onbekend.

In het algemeen vindt de vermeerdering van DNA-virussen plaats in de celkern en die van RNA-virussen in het cytoplasma. Welke processen in gang worden gezet hangt af van het soort nucleÔnezuur dat de cel is binnengedrongen. Bij het vermeerderen van DNA-virussen komen de hiervoor vereiste enzymen meestal geheel en gedeeltelijk voor als cellulaire enzymen, bij dierlijke RNA-virussen zijn hiervoor speciaal door het virus gecodeerde enzymen nodig. Afhankelijk van het type nucleÔnezuur, dubbel of enkelstrengs DNA, dubbel of enkelstrengs RNA en afhankelijk van de polariteit van het nucleÔnezuur, hebben virussen verschillende replicatiestrategieŽn. Als de virale genetische component DNA is, zoals bijv. bij de adenovirussen het geval is, dan dient dit DNA niet alleen als matrijs voor de vermeerdering van het DNA zelf (DNA-replicatie) maar wordt het tevens gekopieerd in RNA (transcriptie). Uit dit RNA wordt door splicing het boodschapper-RNA gevormd (zie RNA). Dit proces, waarbij inwendige gebieden (introns) van de RNA-streng worden verwijderd, treedt slechts op in cellen van plant en dier; bij bacteriŽn is dit proces fundamenteel afwezig. Het boodschapper- of messenger-RNA (mRNA) wordt door de cellulaire ribosomen vertaald (translatie) waardoor virus-specifieke enzymen en structurele bouwstenen (manteleiwitten) worden gevormd.

Eťn familie van dierlijke virussen, de parvovirussen, heeft als genoom enkelstrengs DNA. Hun genoom is klein en voor de replicatie wordt eerst dubbelstrengs DNA gevormd, waarna de processen verlopen als bij dubbelstrengs DNA-virussen. Voor transcriptie van mRNA en voor de productie van viruseiwitten wordt gebruik gemaakt van verscheidene leesramen en splicing. Sommige parvovirussen kunnen uitsluitend repliceren in de aanwezigheid van een helpervirus. Indien de genetische component van het virion enkelstrengs RNA is, worden er twee groepen onderscheiden, nl. positief enkelstrengs RNA-virussen en negatief enkelstrengs RNA-virussen.

Bij positief enkelstrengs RNA-virussen (bijv. picornavirussen) heeft het viraal RNA dezelfde polariteit als het mRNA. Zodra het virus RNA de cel binnenkomt, zal het vertaald worden in enzymen die de productie van meer viraal RNA verzorgen. Dit RNA dient tevens als mRNA en de synthese van virusspecifieke eiwitten kan op twee verschillende wijzen geschieden:

1. het mRNA wordt vertaald op discontinue wijze, zodat een aantal afzonderlijke eiwitten wordt gevormd en wel ťťn eiwit voor ieder gen (bijv. bij bacteriofaag MS2);

2. het mRNA wordt vertaald in ťťn grote polypeptideketen, die vervolgens enzymatisch wordt gekliefd in een aantal verschillende eiwitten met verschillende functies (bijv. bij poliovirus). Veelal heeft ťťn van deze eiwitten de functie het virus-RNA te repliceren.

Tot de groep van negatief enkelstrengs RNA-virussen behoren bijv. de paramyxovirussen, rhabdovirussen en arenavirussen. Bij negatief enkelstrengs RNA-virussen is de polariteit van het virus RNA tegengesteld aan het viraal mRNA. Het virus RNA kan dus niet zonder meer dienst doen als mRNA. Bij deze groep bevatten de virusdeeltjes een enzym dat zorgt voor de synthese van de complementaire RNA-streng, die vervolgens als mRNA fungeert.

De familie van de reovirussen heeft dubbelstrengs RNA. Door een viraal enzym wordt enkelstrengs RNA gevormd, waarna replicatie van dubbelstrengs RNA plaatsvindt.

De retrovirussen hebben zowel eigenschappen van de RNA- als van de DNA-virussen. Het genoom bestaat uit positief enkelstrengs RNA, waarvan twee kopieŽn aanwezig zijn. Het binnengedrongen RNA wordt door een virus-specifiek enzym ( Ďreverse transcriptaseí) in DNA omgezet, waarna deze informatie in de vorm van DNA in het cellulaire genoom wordt ingebouwd. Dit leidt dan tot verandering van de normale cel in een tumorcel.

 4.4 Assemblage

Zodra voldoende virus-nucleÔnezuur en virus-specifieke bouwstenen in de cel zijn gevormd, vindt Ė veelal op spontane wijze Ė de assemblage van virusdeeltjes plaats.

 4.5 Rijping

Nadat voldoende rijpe virusdeeltjes in de cel zijn gevormd, zullen de virusdeeltjes de cel verlaten om een nieuwe infectiecyclus te beginnen. Het naar buiten treden van virusdeeltjes kan op verschillende wijzen gebeuren:

1. door afbraak van de eigen celcomponenten treedt lyse op van de geÔnfecteerde cel waardoor de virusdeeltjes aan de omgeving worden afgegeven;

2. het virus treedt naar buiten via tubulaire structuren die zich in de cel ontwikkelen of reeds aanwezig zijn tussen de plantencellen;

3. de virusdeeltjes rijpen aan het plasmamembraan van de cel en worden via een uitstulpingsproces van de membraan (budding) aan de omgeving vrijgegeven.

Bij bacteriŽn kent men ook de lysogene infectie (zie lysogenie) door Ďgematigdeí fagen. Hierbij wordt de replicatie van het virus onderdrukt, terwijl het binnengedrongen nucleÔnezuur (DNA) deel gaat uitmaken van het genoom van de bacterie. Ook bij bepaalde virussen van dieren gaat het virus soms niet over tot ongebreidelde replicatie, maar wordt het virusnucleÔnezuur een onderdeel van het genoom van de cel. Men spreekt dan van een provirus, waarbij het virus door het gecodeerd nucleÔnezuur geÔntegreerd wordt in het cellulaire DNA. Dit kan leiden tot een transformatie van de cel, waarbij deze een ongeremde delingsactiviteit gaat vertonen.


#4


  • Gast

Geplaatst op 21 januari 2005 - 22:59

Beide leuke antwoorden en waar!

alleen geeft het eerste antwoord wel antwoord op mijn vraag maar bedoel ik met het woord wat wordt beschreven in de reactie van Robjee.
De tekst beschrijft een virus en zijn (biologische)samenstelling, gedrag, klein stukje manipulatie, maar wat zorgt er nu voor deze bestaande materialen (dna rna zuren eiwitten etc) "samenklonteren tot een virus.
Komen (griep)virussen aanwaaien? Maakt ons lichaam ze aan?

#5

Dino

    Dino


  • >250 berichten
  • 740 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 22 januari 2005 - 09:37

dat is een zeer interessante vraag en heb er al lang mijb hoofd over gebroken.

Hoe kan iets dan in princiepe een koker met DNA of RNA onstaan en zelfs vermenigvuldigen.

Echt toffe dingen die virussen

Ik bedoel ze coderen hun eigen assemblage!

Zijn het bacterien die in de loop van de evolutie meer en meer van hun organen hebben laten vallen

of zijn het losgeslagen stukjes DNA coderend voor bv exocytose die is staat zijn geweest om zichzelf in stand te houden

of zijn het nog restanten van vroegere vormen van leven? Vesikels met DNA in?

xd
"My foot is fine, the chair died, but I don't think it suffered."

#6


  • Gast

Geplaatst op 22 januari 2005 - 20:17

De vraag blijft open staan... :idea:s?

#7


  • Gast

Geplaatst op 04 februari 2005 - 16:42

Een interessante vraag, maar we weten er allemaal denk ik geen antwoord op.
Ik kan ook terug vragen hoe zijn mensen ontstaan. Als antwoord krijg ik dan door evolutie.
Maar een tweede vraag hoe ontstaat evolutie?
Ik denk dat je vraagstelling zo is.

#8

Dino

    Dino


  • >250 berichten
  • 740 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 05 februari 2005 - 12:00

ok klein verschil!

Ten eerste het ontstaan van de mens kan gelokaliseerd worden
na aap en als dit niet voldoende is na zoogdier of na reptiel etc etc
we weten het misschien niet zo precies maar kunnen wel goed bepalen hoe het zou geweest zijn.

Maar bij virussen zijn er immense preoblemen.
Ten eerste dit is een vorm van leven die bijna de vraag oproepe of ze eigenlijk wel leven of gewoon foutjes zijn? (eiwitten zijn ook instaat zichzelf te vormen juist lijk virussen maar leven die eiwitten? die virrusen? )

Vervolgens deze dingen hebben geen enkele vorm die aanwijzingen na laat dus geen geschiedenis, komen ze voor bacteriŽn of derna zijn het super gereduceerde bacteriŽn of zijn ze de eerste vormen van leven?

Dit zijn allemaal vragen die open staan en op bijna geen enkele manier beantwoord kunnen worden (tot nu toe)

xd
"My foot is fine, the chair died, but I don't think it suffered."

#9

The Don

    The Don


  • >1k berichten
  • 1259 berichten
  • VIP

Geplaatst op 08 februari 2005 - 10:26

Beide leuke antwoorden en waar!

alleen geeft het eerste antwoord wel antwoord op mijn vraag maar bedoel ik met het woord wat wordt beschreven in de reactie van Robjee.
De tekst beschrijft een virus en zijn (biologische)samenstelling, gedrag, klein stukje manipulatie, maar wat zorgt er nu voor deze bestaande materialen (dna rna zuren eiwitten etc) "samenklonteren tot een virus.
Komen (griep)virussen aanwaaien? Maakt ons lichaam ze aan?


Een virus kan zich alleen vermenigvuldigen door de infectie van een gastheercel. het DNA in het virus kan dan gebruik maken van het DNA repicatie systeem van de gastheer en kan zich daardoor vele malen repliceren in een cel. Het lichaam maakt dus zelf geen virussen aan en de meeste virussen komen je inderdaad "aanwaaien".

ongeveer 80% van alle voedselvergiftigingen worden veroorzaakt door virussen maar gezien de milde klachten wordt hier helaas niet veel aandacht aan besteed. Virussen zijn erg moeilijk te "kweken" in laboratoria en daarom is het moeilijk om onderzoek te doen naar de specifieke eigenschappen van virussen.
Een virus wordt niet beschouwd als een vorm van leven gezien de geringe overlevingskansen zonder gastheer. Een virus een simpelweg een complex molecuul net als Prionen (oorzaak van Creuzfeld-Jacob)

#10


  • Gast

Geplaatst op 08 februari 2005 - 12:02

David Norman heeft gesuggereerd dat virussen gedegeneerde bacteriŽn zijn.

Nou stellen bacteriŽn in de meeste gevallen al niet zo heel veel voor, en waarneer ze dan nog verder versimpelen naar virussen zijn ze als het ware zo ver gedegeneerd dat ze eigenlijk weer een beetje dood zijn gegaan, zal ik maar zeggen...

Toch zou ik een virus niet als geheel levenloos (het omgekeerde van leven) willen beschouwen, ze beschikken immers over een soort van chromosoom. Beschikken prionen daar ook over?

of zijn ze de eerste vormen van leven?

Dat dacht ik niet, het zijn immers parasieten. Als je het eerste levende wezen op aarde bent valt er weinig te parasieteren (klemtoon op de tweede e) niet?

#11

Dino

    Dino


  • >250 berichten
  • 740 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 08 februari 2005 - 13:38

prionen zijn gewoon eiwitten ni meer ni minder.

maar wel coole eiwitten die eiwitten met bijna dezelfde inhoud kunnen omvormen naar hun eigen vorm :shock:
"My foot is fine, the chair died, but I don't think it suffered."

#12

The Don

    The Don


  • >1k berichten
  • 1259 berichten
  • VIP

Geplaatst op 09 februari 2005 - 14:11

prionen zijn gewoon eiwitten ni meer ni minder.

maar wel coole eiwitten die eiwitten met bijna dezelfde inhoud kunnen omvormen naar hun eigen vorm :shock:


Ze zijn erg "cool" behalve als ze in je hoofd zitten ;)

Maar inderdaad is het nog erg onduidelijk wat de oorsprong van virussen is. Het kunnen zeeg goed gedegenereerde bacterien of Archaea zijn die de overige celinhoud zijn verloren tijdens miljarden jaren evolutie.
Het kan ook een toevallige mutatie zijn geweest die er voor gezorgd heeft dat DNA zich niet meer kan repliceren en daardoor moest de cel op zoek naar een manier om toch DNA te repliceren (dus in een gastheercel)

maar das mijn theorietje.. :?:

#13

GuidoVermeulen

    GuidoVermeulen


  • 0 - 25 berichten
  • 1 berichten
  • Gebruiker

Geplaatst op 08 november 2006 - 21:35

Het ontstaan van Virussen komt van de eerste Eukaryote cellen (eerste cellen met kern) deze hadden enkel RNA. Hieruit komen dan de ViroÔden (enkel RNA) Deze liggen aan de grondslag van het ontstaan van leven. Er zijn ook virussen gekomen met DNA, maar deze kwamen later.

ontstaan van leven: (uit eigensamenvatting)
In de PRE-BIOTISCHE wereld is katalyse erg belangrijk geweest en meer en meer naarmate de energie afnam op aarde (o.a. door afkoeling) en de moleculen complexer werden.
In de organische soep (wereld bestond toen nog uit zeeŽn van "organische soep") zorgden concentratie mechanismen ervoor dat bepaalde moleculen nauwer met elkaar in contact kwamen en daardoor beter met elkaar konden reageren, ontstaan van entiteiten met een zekere organisatie (coacervaten, microsferen,Ö) waar stoffen binnenkwamen, reageerden en andere stoffen buitengingen = OPEN SYSTEEM met stofwisseling of metabolisme, met groei en deling = vermenigvuldiging.

Indien in zo een open systeem RNAís opgenomen werden; eerste levende organisme. Immers RNAís konden aan autokatalyse doen = meer aanmaken van zichzelf: REPLICATIE.

Waarom een andere cel virussen aanlaten maken inplaats van dit zelf te doen?
Waarom zelf werken als een ander het voor je kan doen? (soort parasitisme)

#14

lucilius

    lucilius


  • >250 berichten
  • 254 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 08 november 2006 - 21:57

David Norman heeft gesuggereerd dat virussen gedegeneerde bacteriŽn zijn.

Nou stellen bacteriŽn in de meeste gevallen al niet zo heel veel voor, en waarneer ze dan nog verder versimpelen naar virussen zijn ze als het ware zo ver gedegeneerd dat ze eigenlijk weer een beetje dood zijn gegaan, zal ik maar zeggen...

Toch zou ik een virus niet als geheel levenloos (het omgekeerde van leven) willen beschouwen, ze beschikken immers over een soort van chromosoom. Beschikken prionen daar ook over?

of zijn ze de eerste vormen van leven?

Dat dacht ik niet, het zijn immers parasieten. Als je het eerste levende wezen op aarde bent valt er weinig te parasieteren (klemtoon op de tweede e) niet?


gedegenereerd?

Eum je zou evengoed het tegenovergestelde kunnen beweren(wat sommige specialisten ook doen) , namelijk dat virussen juist een betere , meer gespecialiseerde vorm zijn van bacteriŽn...
(virussen zijn dus bacteriŽn die bepaalde "delen" hebben "weggegooid" van zichzelf en zich toegespits hebben om een zeer enge overlevingsmanier)
Met andere woorden het zijn specialisten in een domein.

Je kan het vergelijken met een gewone soldaat(=bacterie) (die in het water, op het land, aan de rotsen, met parachute kan vechten,overleven) en een duiker(=virus) (die enkel in het water kan overleven)

Maar wat is nu de degeneratie van wat?
De duiker is beter in water , maar voor de rest is hij niets waard... de soldaat is op alle vlakken goed, maar is niks in vergelijking met de duiker in het water.


Een virus is dus met andere woorden een enge specialisatie van een bacterie.


Dit is een theorie die soms wel gepredikt wordt.

#15

Willard

    Willard


  • >25 berichten
  • 64 berichten
  • Ervaren gebruiker

Geplaatst op 10 november 2006 - 06:33

Ik geloof helemaal niet dat de oorsprong van virussen ligt bij bacterieen.

Virussen zijn gewoon stukjes erfelijk materiaal die een eigen leven zijn gaan leiden. Ik denk dat de oorsprong van virussen ligt bij transposons; Er is niet zo gek veel voor nodig om uit een transposon (een stuk DNA dat zich binnen de cel kan vermenigvuldigen) een primitief soort virus te laten ontstaan. Als er op een transposon een gen komt dat kan dienen als kapsel-eiwit, ben je al een heel eind.

Vanuit de gedachte dat genen an sich egoistische dingen zijn die puur gericht zijn op zichzelf voortplanten, is het eigenlijk wel heel logisch dat sommige (groepjes van) genen een eigen leven gaan leiden en niet meer in harmonie met de gastheer. Een viraal DNA polymerase-gen "kiest" gewoon een andere strategie dan een humaan polymerase-gen, maar beiden overleven de natuurlijke selectie.





0 gebruiker(s) lezen dit onderwerp

0 leden, 0 bezoekers, 0 anonieme gebruikers

Ook adverteren op onze website? Lees hier meer!

Gesponsorde vacatures

Vacatures